[naam] , eiser,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. D.L. Boer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit waarin zijn asielaanvraag is afgewezen. Eiser heeft op 5 maart 2022 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 1 mei 2024 afgewezen. Hiermee was eiser het niet eens en hij heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. In de uitspraak van 31 januari 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De minister heeft vervolgens op 10 juli 2025 een nieuw besluit genomen en daarin de aanvraag van eiser opnieuw afgewezen als ongegrond. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen te reageren op het verweerschrift van de minister. Deze reactie is op 12 januari 2026 gegeven. Op 29 januari 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat het onderzoek wordt gesloten als zij niet uiterlijk 12 februari 2026 laten weten een (nadere) zitting te wensen. Het onderzoek is nadien gesloten.
Overwegingen
3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Het asielrelaas
5. Eiser heeft verklaard dat hij aan de islam begon te twijfelen toen hij 18 jaar oud was. Op 21-jarige leeftijd heeft hij afstand genomen van de islam. Omdat zijn broer een probleem heeft gehad is eiser in 2014 met zijn broer naar Finland gegaan en heeft daar asiel aangevraagd. In Finland is eiser van zijn geloof gevallen. Nadat zijn asielaanvraag in Finland is afgewezen, is eiser in 2016 teruggekeerd naar Irak. In 2017 heeft eiser, onder invloed van alcohol, gesproken over de islam en gezegd dat de verhalen verzonnen zijn en dat hij niet gelooft. Een vriend van eiser heeft hem vervolgens verraden bij een militie, waarna deze militie eiser heeft ontvoerd. Eiser is drie dagen vastgehouden. Door bemiddeling van een sjeik is hij vrijgekomen, maar hem werd te kennen gegeven dat hij in de gaten zou worden gehouden. Zijn ouders en vrienden keerden zich hierna van hem af. Eiser heeft Irak daarom in 2017 verlaten. Sindsdien verblijft hij in Europa.
Het bestreden besluit
6. De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen als gevolg van alcoholgebruik zijn volgens de minister geloofwaardig. De afvalligheid wordt door de minister ook geloofwaardig geacht, maar er wordt niet geloofwaardig geacht dat de (toekomstige) uiting van de afvalligheid voor eiser een essentieel onderdeel is van zijn leven en van belang is voor zijn religieuze identiteit. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn afvalligheid te vrezen heeft. Er is niet gebleken dat eiser enkel vanwege zijn afvalligheid in de negatieve aandacht van de Iraakse autoriteiten is komen te staan. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de milities, naar aanleiding van het incident met alcoholgebruik 7,5 jaar geleden, nog naar eiser op zoek zijn. Volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade. De minister wijst de asielaanvraag van eiser af als ongegrond.
De gronden van beroep
7. Eiser betoogt dat er op de minister een verzwaarde plicht rust te onderzoeken hoe eiser zijn (on)geloof thans beleeft en wil uiten. De minister kan zich daarbij niet meer baseren op verklaringen uit het nader en aanvullend gehoor. Eiser heeft expliciet en gemotiveerd om een actualiserend gehoor verzocht. De minister heeft dit verzoek zonder inhoudelijke reactie terzijde geschoven, terwijl eisers persoonlijkheid en uitingsintentie kunnen zijn gerijpt. De minister miskent daarmee het ex-nunc karakter van de beoordeling en de rechterlijke aanwijzing om het uitingsvraagstuk inhoudelijk te herbeoordelen. Het besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen en lijdt aan een motiveringsgebrek. Verder verlangt de minister discretie van eiser bij de uiting van zijn afvalligheid, terwijl dit in strijd is met het Unierecht en nationale rechtspraak/beleid. Het ontbreken van publieke uitingen in Nederland kan niet dragend zijn voor de conclusie dat de uiting niet wezenlijk is. De minister miskent dat de wezenlijkheid van de (toekomstige) uiting centraal staat en niet de mate waarin eiser zich in Nederland heeft geuit, door eisers stilte in Nederland tegen hem te gebruiken. Verder stelt eiser dat hij coöperatief heeft verklaard, de kern consistent is, detailrijk en aansluit bij landeninformatie. De minister zoomt in op details en veronachtzaamt de grote lijnen en de vereiste cumulatieve beoordeling onder artikel 31, zesde lid, Vw. Eiser had het voordeel van de twijfel moeten krijgen. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij bij terugkeer risico loopt op ernstige schade wegens zijn geloofsafval. De eerste vervolgingshandelingen vanwege zijn afvalligheid hebben al in 2017 plaatsgevonden door de militie, waar ook nu nog dreiging vanuit gaat. Daarnaast loopt eiser risico op ernstige schade vanwege toegedichte afvalligheid en had de minister dit als zelfstandige risicofactor moeten beoordelen. Het besluit onderschat het reële risico op vervolging en ernstige schade.
Beoordeling door de rechtbank
Had de minister een gehoor aan moeten bieden?
8. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Het is ook aan eiser om aannemelijk te maken dat niet langer kan worden uitgegaan van hetgeen hij tijdens zijn nader en aanvullend gehoor heeft verklaard. Uit niets volgt dat het enkele tijdsverloop sinds de gehoren of de vernietiging van een eerder besluit voor de minister zonder meer aanleiding moet geven een nieuw gehoor te organiseren. Eiser stelt enkel dat zijn persoonlijkheid en uitingsintentie gerijpt kunnen zijn. Deze stelling wordt door eiser niet concreet gemaakt en niet onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de minister in deze stelling geen aanleiding heeft hoeven zien een nieuw gehoor te organiseren.
Heeft de minister de uiting van de afvalligheid als essentieel onderdeel van het leven en van belang voor de religieuze identiteit van eiser niet geloofwaardig kunnen vinden?
9. Uit het arrest Y en Z en de daaropvolgende uitspraken van de Afdeling volgt dat de minister van een vreemdeling niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid in het land van herkomst. Bij een geloofwaardig geachte afvalligheid moet de minister onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid. De minister dient daarbij te betrekken hoe de vreemdeling invulling heeft gegeven aan zijn afvalligheid sinds zijn aankomst in Nederland en moet er daarbij, als de vreemdeling niet uitdrukkelijk verklaart over de manier van uiting van de afvalligheid bij terugkeer, vanuit gaan dat de vreemdeling na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan de afvalligheid wil geven als hij in Nederland heeft gedaan. De minister beoordeelt vervolgens of de wijze waarop de vreemdeling zich in de toekomst wil uiten als afvallige geloofwaardig is, waarbij wordt betrokken hoe de afvallige zich in het land van herkomst heeft gedragen, hij zich in Nederland heeft gedragen en waarom het uiten van de afvalligheid belangrijk voor hem is.
Eiser heeft verklaard dat hij in Finland van zijn geloof is gevallen. Nadat hij vanuit Finland terug naar Irak is gegaan heeft hij naar eigen zeggen zijn leven normaal opgepakt en is hier en daar gaan genieten en daarbij onder andere alcohol gaan drinken. In 2017 heeft eiser onder invloed van alcohol gezegd dat hij niet gelooft. Voor dit incident heeft eiser zich niet over zijn afvalligheid geuit, omdat hij dat niet durfde. Eiser heeft verklaard dat het zich niet kunnen uiten als een scheermesje in zijn keel voelde als gevolg waarvan hij psychische problemen ondervond. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien waarom eiser zich nu in Nederland niet uit, terwijl de redenen die hij benoemt voor het niet kunnen uiten in Irak in Nederland niet aanwezig zijn. De minister wijst er daarbij op dat eiser gedurende zijn jarenlange verblijf in Europa op geen enkele manier blijk heeft gegeven van enige uiting van afvalligheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het uiten van zijn geloofsovertuiging voor hem van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit en een essentieel onderdeel van zijn leven is.
De grote lijnen en het voordeel van de twijfel
10. De rechtbank stelt vast dat de minister aan eiser niet heeft tegengeworpen of hij in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Door de minister is artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw aan eiser tegengeworpen. De minister beoordeelt daarbij of de verklaringen van eiser samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie. Uit de vreemdelingencirculaire volgt dat de minister daarbij onder andere de mate waarin verklaringen gedetailleerd en specifiek zijn kan betrekken. De minister stelt zich op het standpunt dat alle verklaringen van eiser en alle door hem aangedragen bewijsstukken in onderlinge samenhang en op integrale wijze zijn beoordeeld. De rechtbank ziet in het beroep gevoerde betoog geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de grote lijnen uit het verhaal van eiser uit het oog is verloren of aan eiser het voordeel van de twijfel had moeten geven.
Loopt eiser risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer?
11. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser zich tijdens zijn jarenlange verblijf in Europa heeft geuit over zijn afvalligheid. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de minister daarom niet ten onrechte niet aannemelijk dat eiser zich in Irak wel wil uiten. Eiser heeft verklaard dat hij jarenlang in Irak heeft gewoond zonder in de islam te geloven of iets aan het geloof te doen en dat hij daar, met uitzondering van het incident onder invloed van alcohol in 2017, geen problemen heeft gehad. De minister wijst erop dat uit het Algemeen Ambtsbericht Irak uit 2023 blijkt dat het voor Irakezen mogelijk was om zich zonder gevolgen kritisch uit te laten over de islam. Uit de Country Guidance volgt dat het openbaar uiten of aannemen van gedrag of praktijken die kunnen worden beschouwd als afvalligheid, godslastering of atheïsme, de vreemdeling aan bijzonder risico zou blootstellen. De minister concludeert dat dit geen betrekking heeft op eiser, omdat de Country Guidance uitsluitend betrekking heeft op de gevolgen voor mensen die zich uiten of als afvallige worden beschouwd. Eiser heeft verklaard dat wanneer hij helemaal niets zou zeggen er geen probleem zou zijn. Zoals hiervoor al is overwogen heeft de minister niet aannemelijk hoeven achten dat eiser zich wel zou willen (gaan) uiten. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer vervolging heeft te vrezen of een reëel risico op ernstige schade loopt.
12. De rechtbank ziet in hetgeen eiser overigens in beroep naar voren heeft gebracht evenmin aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de minister om de aanvraag af te wijzen in stand wordt gelaten.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekend gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.