RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33783
V-nummer: [nummer] ,
mede namens haar minderjarige kinderen [naam 2] en [naam 3]
(gemachtigde: mr. J. Burema)
en
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van de minister van 7 juli 2025 om de overdrachtstermijn te verlengen overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres zich op het standpunt gesteld dat de beroepstermijn tegen een besluit tot verlenging van de uiterste overdrachtstermijn niet één maar vier weken bedraagt. De rechtbank heeft ter zitting de gemachtigde van de minister de gelegenheid geboden om binnen één week op dit standpunt te reageren. Op 11 maart 2026 heeft de gemachtigde van de minister van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Op 18 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiseres op dit nadere standpunt gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank, zoals ter zitting besproken, het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Beroepstermijn
2. De rechtbank behandelt het beroep alleen als is voldaan aan de formele eisen. Eén van deze formele eisen is dat tijdig beroep is ingesteld.
Volgens eiseres bedraagt de beroepstermijn tegen het bestreden besluit vier weken. In dat kader is gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 6 september 2024. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022 weliswaar volgt dat het verlengen van de uiterste overdrachtstermijn als een besluit moet worden aangemerkt, maar dat het geen specifiek in de Vw 2000 benoemd besluit is waarvoor de beroepstermijn één week bedraagt. Ook is het geen besluit dat is genoemd in artikel 63b van de Vw 2000. Daarom moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangesloten bij de hoofdregel in vreemdelingenzaken, inhoudende een beroepstermijn van vier weken.
De rechtbank volgt dit standpunt niet reeds omdat deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in haar uitspraak van 11 december 2025 als volgt heeft geoordeeld:
“De rechtbank is – anders dan voorheen – van oordeel dat de termijn voor het instellen van beroep tegen een besluit tot verlenging van de uiterste overdrachtstermijn één week bedraagt. Daarvoor wordt aansluiting gezocht bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 15 november 2024. Hoewel artikel 69, vierde lid, van de Vw 2000 in samenhang gelezen met artikel 62b, van de Vw 2000 ziet op het overdrachtsbesluit, en het ‘verlengingsbesluit’ daar dus niet met zoveel woorden wordt genoemd , is het bestreden besluit genomen in het kader van de asielaanvraag en de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. Dit betekent dat een beroepstermijn van één week passend is binnen een stelsel dat de wetgever voor dit soort zaken heeft gekozen, en binnen de snelheid van de zaakstroom van de Dublinverordening. Ook sluit een beroepstermijn van één week beter aan bij de aan de Dublinverordening ten grondslag liggende verplichting om te voorzien in een (doeltreffend en) snel rechtsmiddel. De rechtbank ziet daarom aanleiding om aan te sluiten bij artikel 69, vierde lid, van de Vw 2000. Als gevolg hiervan geldt een beroepstermijn van één week.”
De rechtbank is in navolging van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van oordeel dat de termijn voor het instellen van beroep tegen de verlenging van de uiterste overdrachtstermijn één week bedraagt.
Heeft eiseres tijdig beroep ingesteld?
3. Een beroepschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Een beroepschrift is ook tijdig ingediend, indien het tijdig per post is verstuurd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Dit volgt uit artikel 6:9 van de Awb.
De rechtbank stelt vast dat de termijn waarbinnen beroep kon worden ingesteld, zoals ook hierboven is vastgesteld, één week bedraagt, wat wil zeggen dat eiseres tot 14 juli 2025 de gelegenheid had om beroep in te dienen. Het beroep is pas ingediend op 23 juli 2025. De termijn om beroep in te stellen was toen al meer dan een week verstreken. Het beroep is daarom te laat ingediend en is in beginsel niet-ontvankelijk.
In artikel 6:11 van de Awb staat dat niet-ontvankelijk verklaring van een te laat ingediend beroepschrift achterwege kan blijven als redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.
Gemachtigde van eiseres heeft gesteld dat hij het besluit van 7 juli 2025 pas op 23 juli 2025 heeft ontvangen. Dit besluit was niet aangetekend verzonden. Gemachtigde stelt dat hij na ontvangst van het besluit direct beroep heeft ingesteld. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat als een geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet (of pas later) heeft ontvangen, het in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat het besluit wel tijdig op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Als per post verzonden stukken in de regel wel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt dit het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is volgens vaste jurisprudentie in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum. Daarnaast dient sprake te zijn van een deugdelijke verzendadministratie en daarvan is pas sprake als van het besluit op individueel niveau is geregistreerd dat het ter verzending is aangeboden. Als het bestuursorgaan de verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om voormeld vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
De rechtbank stelt vast dat uit de door de minister overgelegde printscreen van Indigo blijkt dat het bestreden besluit op 8 juli 2025 is verzonden. Conform de jurisprudentie van de Afdeling heeft de minister hiermee de verzending van het besluit aannemelijk gemaakt. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat de brief aan het juiste adres van de gemachtigde is verzonden. Het is derhalve aan eiseres om aan te tonen dat zij het besluit pas na afloop van de beroepstermijn heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de enkele verklaring van eiseres dat het besluit pas na afloop van de beroepstermijn – namelijk op 23 juli 2025 – is ontvangen onvoldoende aannemelijk maakt dat het besluit daadwerkelijk pas na het verstrijken van de beroepstermijn is ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
4. Gelet op het feit dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het beroepschrift te laat is ingediend en niet is gebleken van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de overige (inhoudelijke) beroepsgronden tegen het verlengen van de overdrachtstermijn.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de minister de overdrachtstermijn terecht heeft verlengd. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.