RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42406
V-nummer: [nummer] ,
mede namens haar minderjarige kinderen [naam 2] en [naam 3]
(gemachtigde: mr. J. Burema)
en
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Procesverloop
1. Bij besluit van 28 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de opvolgende aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat ging aan deze procedure vooraf?
4. Eiseres heeft eerder op 13 november 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres bij besluit van 5 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. Dat besluit omvat een overdrachtsbesluit. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 4 juli 2025 geoordeeld dat het beroep van eiseres tegen dit besluit ongegrond is. Dit oordeel is bij uitspraak van 21 juli 2025 van de Afdeling in rechte vast komen te staan.
Op 7 juli 2025 stond voor eiseres een overdracht gepland naar Oostenrijk. Op 7 juli 2025 is aan de autoriteiten van Oostenrijk meegedeeld dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken. De overdracht is geannuleerd en op 7 juli 2025 is de overdrachtstermijn verlengd naar 18 maanden.
Eiseres heeft op 28 juli 2025 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft daarbij aangegeven dat haar echtgenoot zich op 20 juli 2025 heeft aangemeld in Ter Apel en asiel heeft aangevraagd in Nederland. Hij is van plan zich bij eiseres en de kinderen te voegen zodat zij samen een toekomst in Nederland kunnen opbouwen.
Het bestreden besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek laatstelijk op 7 januari 2025 aanvaard.
Gronden
6. Eiseres voert allereerst aan dat de minister in het bestreden besluit niet is ingegaan op de aan de nieuwe aanvraag ten grondslag gelegde reden dat haar echtgenoot naar Nederland is gekomen. De volgorde van de besluitvorming was verkeerd. De minister had eerst op de asielaanvraag van de echtgenoot moeten beslissen en pas daarna op die van eiseres. Voorts is zij van mening dat het besluit om haar opvolgende aanvraag niet in behandeling te nemen prematuur is omdat de rechtbank nog niet heeft geoordeeld over het tegen de verlenging van de overdrachtstermijn ingediende beroep. Mocht de rechtbank oordelen dat de minister zijn besluit mocht baseren op de Dublinverordening en derhalve de nieuwe aanvraag niet inhoudelijk heeft hoeven te beoordelen, verzoekt eiseres de rechtbank, ondanks de jurisprudentie van het Europees Hof, toch het beginsel van non refoulement in de beoordeling te betrekken en daarmee de achtergrond van de vlucht van eiseres en haar echtgenoot uit Turkije.
De beoordeling door de rechtbank
Komst van de echtgenoot van eiseres naar Nederland
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister het feit dat de echtgenoot van eiseres naar Nederland is gekomen en in de asielprocedure is opgenomen voldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken. In het voornemen, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, is dit als motief genoemd om een nieuwe aanvraag te doen. De rechtbank ziet niet in hoe eiseres in haar belangen is geschaad door het besluit op de aanvraag van haar echtgenoot niet af te wachten, nu er zowel in haar zaak als in die van haar man een claimakkoord van Oostenrijk lag en er ten aanzien van eiseres ook al een overdrachtsbesluit was. Dat het besluit op de opvolgende aanvraag prematuur zou zijn genomen, volgt de rechtbank evenmin. De rechtbank heeft het beroep gericht tegen de verlenging van de overdrachtstermijn vandaag niet-ontvankelijk verklaard. Als de rechtbank tot het oordeel was gekomen dat de verlenging niet rechtmatig was, dan had de minister de asielaanvraag alsnog inhoudelijk moeten beoordelen hetgeen uiteraard van belang was geweest voor deze beroepsprocedure.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. Zoals onder 4 is overwogen is er op 5 maart 2025 een overdrachtsbesluit genomen. De rechtbank en de Afdeling hebben vervolgens geoordeeld dat de minister ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon uitgaan en dat er ook anderszins geen belemmeringen waren om eiseres en haar kinderen aan Oostenrijk over te dragen. Het bestreden besluit omvat opnieuw een overdrachtsbesluit.
De minister mag ten aanzien van Oostenrijk in het algemeen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar situatie anders is. Dat is het geval als eiseres aannemelijk maakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid moeten bereiken om onder het bereik van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvestte vallen.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin ook nu niet geslaagd. Zoals hiervoor onder 8 is overwogen heeft de Afdeling geoordeeld dat ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In wat eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen. De minister heeft in het bestreden besluit goed gemotiveerd dat er geen belemmeringen zijn om eiseres en haar kinderen over te dragen aan Oostenrijk. De rechtbank deelt het standpunt van de minister dat er ook nu geen belemmeringen zijn voor de overdracht aan Oostenrijk van eiseres en haar kinderen. De minister heeft dit in het bestreden besluit goed gemotiveerd. Uit het claimakkoord volgt dat de aanvraag van eiseres in Oostenrijk nog in behandeling is. De stelling van eiseres dat haar aanvraag in Oostenrijk niet serieus wordt beoordeeld is niet nader onderbouwd. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de overdracht niet in het belang van de kinderen is. Zij worden niet gescheiden van hun moeder en de minister heeft hierbij ook mogen betrekken dat de medische zorg in Oostenrijk vergelijkbaar is met die van Nederland. De rechtbank oordeelt dat de minister goed gemotiveerd heeft dat er geen aanwijzingen zijn dat de overdracht aan Oostenrijk van een onevenredige hardheid getuigt en dat de belangen van de kinderen alsnog zouden moeten leiden tot een opname in de nationale procedure. Voor zover eiseres een beroep doet op het Tarakhel-arrest, overweegt de rechtbank dat onvoldoende is gebleken dat er in het geval van eiseres en haar kinderen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als in dat arrest is bedoeld. Eiseres heeft niet met concrete bewijzen aannemelijk gemaakt dat zij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Oostenrijk geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zullen krijgen.
Non-refoulement
9. De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat – kort gezegd – een rechter bij een overdrachtsbesluit niet mag toetsen of indirect refoulement aannemelijk is wanneer deze rechter niet vaststelt dat er in de aangezochte lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Nu de minister heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk, zal de rechtbank daarom niet op deze beroepsgrond ingaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de asielaanvraag van eiseres terecht niet in behandeling is genomen. Eiseres krijgen geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.