RECHTBANK DEN HAAG
4 [verweerders sub 4] B.V., te [vestigingsplaats 4] ,
beschikking
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/ 682973 / HA RK 25-167
Beschikking van 18 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster,
advocaat mr. T.F.W. Overdijk, te Amsterdam,
tegen:
verweerders,
advocaat mr. C.N. van den Heuvel, te Rotterdam,
en
verweerster,
advocaat mr. P.E. Mazel, te Amsterdam.
Partijen worden hierna afzonderlijk [verzoekster] , [verweerders sub 1] , [verweerders sub 2] , [verweerders sub 3] en [verweerders sub 4] genoemd. [verweerders sub 1] , [verweerders sub 2] en [verweerders sub 3] worden hierna gezamenlijk [verweerders] genoemd. [verweerders] en [verweerders sub 4] worden hierna gezamenlijk gerekwestreerden genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 1 december 2025 (hierna: de tussenbeschikking);
- de brief van [verzoekster] van 22 december 2025, met productie EP16;
- het verweerschrift van [verweerders] , met productie GP03;
- het verweerschrift van [verweerders sub 4] .
Ten slotte is een datum bepaald voor de beschikking.
2. De verdere beoordeling
In de tussenbeschikking heeft de rechtbank [verzoekster] in de gelegenheid gesteld een aangepast verzoek in te dienen, omdat [verzoekster] in haar verzoekschrift van een veel bredere zoekslag is uitgegaan dan de rechtbank toewijsbaar acht. [verzoekster] is verzocht toe te lichten welke gegevens met betrekking tot de 750.000 bollen die [verweerders sub 1] in 2022 heeft verhandeld voor haar relevant zijn en van welke partij(en) zij deze gegevens wil verkrijgen.
[verzoekster] heeft geen aangepast verzoekschrift ingediend omdat zij het op twee punten oneens is met de beslissingen van de rechtbank. Allereerst acht [verzoekster] onjuist dat de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen dat voor toewijzing van het inzageverzoek aannemelijk moet zijn dat een inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt (hierna: de maatstaf). Volgens [verzoekster] geldt onder het nieuwe bewijsrecht de lagere drempel dat zij aannemelijk moet maken dat zij voldoende belang heeft bij de verzochte inzage. Bij toepassing van die maatstaf zou volgens [verzoekster] een andere beslissing op het verzoekschrift zijn genomen.
Daarnaast heeft [verzoekster] kritiek op de beslissing dat de maatstaf van overeenkomstige toepassing is op de door [verzoekster] gestelde tekortkomingen onder de licentieovereenkomst en de afstandsverklaring omdat deze contracten strekken tot handhaving van het kwekersrecht. Volgens [verzoekster] bieden de contracten een zelfstandig controle- en inzagerecht, dat niet afhankelijk is van de vraag of er sprake is van inbreuk op het kwekersrecht.
Deze standpunten van [verzoekster] vat de rechtbank op als verzoeken tot het terugkomen van bindende eindbeslissingen. Hierop kan alleen in uitzonderlijke gevallen worden teruggekomen. De rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, is hieraan in beginsel gebonden in het verdere verloop van de procedure. Deze regel geldt echter niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om op de bindende eindbeslissingen terug te komen. Wat betreft de te hanteren maatstaf voor zaken betreffende intellectuele eigendom volgt uit de Memorie van Toelichting dat onder het nieuwe bewijsrecht geen lagere drempel is gaan gelden. Wat [verzoekster] verder heeft aangevoerd komt neer op een motiveringsklacht die evenmin aanleiding vormt om op de in de tussenbeschikking zonder voorbehoud genomen bindende eindbeslissingen terug te komen.
[verzoekster] heeft weliswaar geen aangepast verzoek ingediend, maar wel aangegeven van welke bescheiden zij nog inzage of afschrift wil verkrijgen als de rechtbank vasthoudt aan de tussenbeschikking bedoelde zoekslag. Die zoekslag is beperkt tot het jaar 2022 en de 750.000 bollen die [verweerders sub 1] in dat jaar heeft verhandeld. Het gaat volgens [verzoekster] om het volgende:
a. a) stukken waarin is vermeld voor welke prijzen en tegen welke bijkomende voorwaarden deze bollen zijn verhandeld;
b) alle communicatie die [verweerders] en [verweerders sub 4] over deze 750.000 bollen hebben gehad, met elkaar en met derden (in het bijzonder schriftelijk en per e-mail), over de teelt voor de verkrijging ervan en de verschillende leveringen van deze 750.000 bollen, waaronder:
i. i) communicatie over deelleveringen;
ii) communicatie over besmettingen en BKD monsteruitslagen en
iii) alle communicaties (schriftelijk en per email) waarin de rasnaam ‘Zambesi’ is vermeld;
c) alle stukken met betrekking tot teeltactiviteiten, behandeling, transport, opslag en verhandeling van deze 750.000 bollen, waaronder schuurbrieven, facturen en afleverbonnen;
d) alle stukken die informatie bevatten over wat de plantgoedopbrengst van deze 750.000 bollen is geweest en wat er met dit plantgoed is gebeurd;
e) alle stukken aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of en in hoeverre de door [verweerders sub 4] ingebrachte verklaring (handgeschreven verklaring die als bijlage 1 is gevoegd bij het verweerschrift van de advocaat van [verweerders sub 4] van 31 augustus 2025) wordt ondersteund door bescheiden die zich in de administratie van [verweerders sub 4] bevinden.
Behalve de bescheiden sub e) gaat het om stukken die zich volgens [verzoekster] (vermoedelijk) bij beide gerekwestreerden bevinden, zodat [verzoekster] inzage wenst te nemen in de kopieën van de in bewijsbeslag bij beide gerekwestreerden genomen administraties.
Volgens [verweerders] heeft [verzoekster] nagenoeg al deze gegevens al in bezit gekregen en zijn deze bij verweerschrift als productie GP1 overgelegd. [verweerders] noemen hierbij:
- de factuur van [verweerders sub 4] aan [verweerders sub 1] van 16 januari 2023 voor de verkoop en levering bollen Zambesi aan [verweerders sub 1] , oogst 2022;
- de koopovereenkomsten BHB, BW Bulbs en CNB tussen [verweerders sub 1] (verkoper) enerzijds en [kopers] (kopers) anderzijds (hierna: de koopovereenkomsten);
- diverse afleveringsnota’s van de werkelijke aantallen afgeleverde bollen Zambesi;
- het “overzicht werkelijke verkopen Zambesi” (hierna: het overzicht van verkopen) , waarin volgens [verweerders] per abuis bij Ceraco Bulbi afleveringsnota 907 wordt genoemd, dat moet afleveringsnota 908 zijn.
Volgens [verweerders] blijkt uit het overzicht van verkopen voor welke prijzen de 750.000 bollen zijn verkocht. De (gebruikelijke) voorwaarden waartegen de bollen zijn verhandeld blijken uit de koopovereenkomsten. Waarom [verzoekster] belang heeft bij de onder b) bedoelde communicatie is niet toegelicht. De onder c) bedoelde gegevens blijken nagenoeg allemaal uit de eerder door [verweerders] en thans bij verweerschrift overgelegde stukken. De onder d) en e) bedoelde inzage strekt volgens [verweerders] verder dan de rechtbank heeft beoogd toe te staan. Ten slotte hebben [verweerders] nog aangevoerd dat het verzoek niet voldoet aan het bepaaldheidsvereiste en dat [verzoekster] kennelijk uitsluitend van [verweerders sub 1] en [verweerders sub 4] gegevens verlangt. [verweerders sub 4] heeft zich bij deze verweren van [verweerders] aangesloten.
De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] reeds beschikt over de koopovereenkomsten met betrekking tot de 750.000 bollen, de afleverbonnen en het overzicht van verkopen, nu deze stukken al eerder door [verweerders] zijn overgelegd. In deze stukken zijn ook prijzen vermeld.
[verzoekster] heeft niet toegelicht waarom deze stukken voor haar ontoereikend zouden zijn. [verzoekster] heeft evenmin toegelicht waarom zij naast deze stukken belang heeft bij de door haar onder b), c), d en e) bedoelde stukken. Dat had wel van haar mogen worden verwacht.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom is dat het verzoek wordt afgewezen.
[verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. [verweerders sub 4] maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. Deze zaak valt onder het toepassingsbereik van artikel 1019 Rv, maar [verweerders sub 4] heeft geen specificatie van haar proceskosten in het geding gebracht. Daarom zal de rechtbank kosten conform het toepasselijke liquidatietarief toewijzen. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [verweerders] en [verweerders sub 4] , als volgt:
- griffierecht: € 714,00
- salaris advocaat: € 1.959,00 (drie punten à € 653,00, volgens tarief II)- nakosten € 189,00 (met de onder de beslissing bedoelde verhoging)
Totaal: € 2.862,00
3. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek af;
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure:
- aan de zijde van [verweerders] tot op heden begroot op € 2.862,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [verzoekster] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
- aan de zijde van [verweerders sub 4] tot op heden begroot op € 2.862,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [verzoekster] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.