RECHTBANK Den Haag
Team Handel
zaak- / rolnummer: 09/653170 / HA ZA 23-777
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser] , te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: mr. drs. T.G.L.M. Meevis,
tegen
1. DE STAAT DER NEDERLANDEN, te Den Haag,
2. MARK RUTTE, te Den Haag,
gedaagden,
advocaat: mr. S. Heeroma te Den Haag.
Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’, ‘de Staat’ en ‘Rutte’ genoemd.
1. Waar gaat deze zaak over?
[eiser] geeft aan dat hij de rechten van tien slachtoffers van de kinderopvangtoeslagaffaire overgedragen heeft gekregen middels een cessie en dat de Staat en voormalig minister-president Rutte jegens hen aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen om dit vast te kunnen stellen. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
2. De procedure
Het procesdossier bestaat – voor zover dat voor de inhoudelijke beoordeling van de zaak van belang is - uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 11 april 2023 met producties 1 tot en met 4;
de conclusie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering tot verwijzing naar de sector civiel;
het vonnis van de kantonrechter van 24 augustus 2023 waarbij de zaak is verwezen naar de rechtbank Den Haag, Team Handel;
de akte wijziging van eis van 9 december 2024 met producties 5 tot en met 7;
de akte van de Staat en Rutte van 8 januari 2025 waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de eiswijziging, met producties 1 tot en met 3;
het bericht van [eiser] van 14 mei 2025 waarin hij aangeeft dat de eiswijziging moet worden toegelaten;
de akte overlegging producties van [eiser] van 4 maart 2026 met producties 8 tot en met 11.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Partijen hebben
hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen.
3. De feiten
Op 19 mei 2020 heeft mr. H.J.Th. Biemond, verbonden aan het advocatenkantoor Allen & Overy LLP, advies uitgebracht aan het ministerie van Financiën (hierna ‘de minister’) over het doen van strafrechtelijke aangifte naar aanleiding van de kinderopvangtoeslagaffaire (de toeslagenaffaire). De inleiding van dit advies houdt onder meer in:
“(…) De aanleiding voor dit advies is de toezegging van de minister van Financiën tijdens het Vragenuur in de Tweede Kamer van 14 januari 2020 om een second opinion uit [te, rb.] laten voeren, waarbij die second opinion betrekking heeft op de vraag of de minister van Financiën, in het kader van het ‘kinderopvangtoeslagdossier’, “op basis van de [hem] ter beschikking staande informatie gehouden zou zijn aangifte te doen van het vermoeden van (ambts)misdrijven”.
Het advies hield op pagina 6 in:
“De publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden komt op basis van heersende jurisprudentie algehele strafrechtelijke immuniteit toe. Dat geldt dus ook voor de Belastingdienst/Toeslagen, zodat het niet in de rede ligt dat de aangifteplicht van artikel 162 lid 1 Sv zich uitstrekt tot de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Belastingdienst/Toeslagen als onderdeel van de publiekrechtelijke rechtspersoon De Staat der Nederlanden (los van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van eventuele natuurlijke personen). Voor feiten gepleegd door ambtenaren van de Belastingdienst/Toeslagen ligt dit genuanceerder. Ten aanzien van dergelijke ambtenaren kan sprake zijn van strafrechtelijke immuniteit, maar hun handelen kan ook zelfstandig vervolgbaar zijn.”
De conclusie van dit advies luidt als volgt:
“In dit memorandum adviseren wij over de vraag of op de Bewindpersonen op basis van artikel 162 lid 1 Sv de plicht rust om aangifte te doen. De maatstaf voor het ontstaan van deze plicht is of naar objectieve maatstaven een ‘redelijk vermoeden’ bestaat dat een misdrijf is gepleegd […]. Met inachtneming van deze maatstaf en de informatie in de Documenten, is ons advies dat op de bewindspersonen de plicht rust om aangifte te doen ter zake van de misdrijven knevelarij (artikel 366 Sr) en beroepsmatige discriminatie (artikel 137g Sr).
Wij benadrukken nogmaals dat uit het hiervoor opgenomen advies niet kan worden geconcludeerd dat ambtenaren van de Belastingdienst/Toeslagen daadwerkelijk misdrijven hebben gepleegd (…). Dat kan slechts worden geconcludeerd na een onderzoek zoals voorzien in het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast sluit ons advies niet uit dat andere misdrijven dan knevelarij en beroepsmatige discriminatie zijn gepleegd. Bovendien brengen wij in herinnering dat als er daadwerkelijk sprake blijkt te zijn van gepleegde misdrijven, de individuele betrokken ambtenaren mogelijk strafrechtelijke immuniteit toekomt (…).”
Op 19 mei 2020 hebben de staatssecretarissen van Financiën in lijn met voormeld advies bij het Openbaar Ministerie (het OM) aangifte gedaan tegen de Belastingdienst naar aanleiding van de toeslagenaffaire (hierna ‘de aangifte’). Rutte was minister-president in de periode oktober 2010-juli 2024.
Het OM heeft op basis van de aangifte een feitenonderzoek uit laten voeren door de Rijksrecherche.
Het OM heeft vervolgens geconcludeerd dat geen sprake was van een strafbare verdenking van knevelarij of beroepsmatige discriminatie, dat de Belastingdienst immuun is voor strafrechtelijke vervolging en dat dit ook geldt voor de ambtenaren voor zover die uitvoering hebben gegeven aan het beleid van de Belastingdienst. Omdat geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking, heeft het OM de zaak (samen met vijf andere aangiften tegen de Belastingdienst) op 7 januari 2021 geseponeerd.
Tegen deze sepotbeslissing hebben 155 klagers beklag ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag (hierna: ‘het Hof’) op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: ‘Sv’).
Het Hof heeft bij beschikking van 13 juli 2022 één klager niet-ontvankelijk verklaard en de klacht van de overige klagers afgewezen. Zijn uitspraak houdt onder meer in:
“Eindconclusie
Het hof stelt voorop dat de Toeslagenaffaire veel leed heeft veroorzaakt bij ouders en hun kinderen en dat de impact op hun levens groot is (geweest). Door harde regelgeving, strikte wetsuitleg en het ontbreken van de menselijke maat is hun ongekend onrecht aangedaan.
Het kabinet, de Tweede Kamer, de Nationale ombudsman en de Autoriteit Persoonsgegevens hebben vastgesteld dat de Belastingdienst onbehoorlijk en onrechtmatig heeft gehandeld. De verantwoordelijke staatssecretaris is van oordeel dat daarbij sprake is geweest van ‘institutioneel racisme’. Naar het oordeel van het hof is in elk geval in de periode 2013-2019 sprake geweest van een redelijke verdenking van strafbare beroepsmatige discriminatie.
Het hof heeft hierboven evenwel vastgesteld dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een succesvolle vervolging. Van individueel strafbaar handelen door leidinggevenden of medewerkers van de Belastingdienst is niet gebleken. Voor zover sprake is geweest van beroepsmatige discriminatie door de Belastingdienst, gepleegd vóór 2016, is vervolging wegens verjaring niet mogelijk. Mocht – hoewel dat door het hof niet is vastgesteld – de Belastingdienst zich na 2016 hieraan jegens een of meer gedupeerden hebben schuldig gemaakt, dan staat aan de Belastingdienst een beroep op strafrechtelijke immuniteit open.
Het hof komt dan ook niet toe aan de beantwoording van de vraag of een vervolging niet alleen mogelijk maar ook opportuun zou zijn, en is van oordeel dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om ten aanzien van de klagers op wier aangifte een sepotbeslissing is gevolgd, geen strafrechtelijke vervolging in te stellen op goede gronden is genomen.”
Uit een interview met Rutte in de Telegraaf van 29 juni 2024 blijkt onder meer het volgende:
“Had u de affaire Groningen en de toeslagenaffaire kunnen voorkomen?
Over de toeslagen hadden we, ik dus ook, wél de alarmbellen van de ombudsman in 2017 kunnen zien. Dat is gemist. Tot in 2019.”
Veel mensen geven u de schuld dat het zo ver heeft kunnen komen. Vindt u dat terecht?
“Nou ja. Eh… Ik ben de baas. Ik ben in ieder geval verantwoordelijk. Het is niet zo dat ik zelf de knop heb ingedrukt van we gaan nu duizenden mensen in de problemen brengen.
Maar vóelt u zich ook verantwoordelijk.
“Ja. Ik sprak vorig jaar september weer een groep ouders die zwaar getroffen is. Zonder pers, helemaal informeel. Een van de vele keren. Het is el-le-ke keer lood-zwaar. Niet voor mij persoonlijk, het gaat om het leed van die mensen. Dat doet iets met je, dat doet iets met je. Je wil niet een overheid hebben die mensen zo in de shit brengt.” (…)”
4. Het geschil
[eiser] vordert - na eiswijziging - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat de Staat en Rutte in de toeslagenaffaire onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] , gelet op de onderhandse akten van gedupeerden die [eiser] heeft ingebracht, met vergoeding van de daardoor ontstane schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
de Staat en Rutte veroordeelt in de proceskosten.
De Staat en Rutte voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De rechtbank zal achtereenvolgens (i) het bezwaar van de Staat en Rutte tegen de laatste eiswijziging door [eiser] , (ii) de vordering van [eiser] tegen de Staat, (iii) de vordering van [eiser] tegen Rutte en (iv) de proceskosten bespreken.
Het bezwaar van de Staat en Rutte tegen de eiswijziging
In de inleidende dagvaarding vorderde [eiser] – samengevat - dat voor recht werd verklaard dat Rutte en de Staat onrechtmatig hebben gehandeld in de toeslagenaffaire en dat zij zouden worden veroordeeld tot betaling van € 25.000,- schadevergoeding aan de, door [eiser] aan te wijzen, (erkende) gedupeerden van de toeslagenaffaire.
[eiser] heeft zijn eis laatstelijk gewijzigd bij akte van 9 december 2024. Hij vordert nu dat voor recht wordt verklaard dat de Staat en Rutte in de toeslagenaffaire onrechtmatig hebben gehandeld jegens hem, [eiser] , gelet op de onderhandse akten van gedupeerden die [eiser] heeft ingebracht, met vergoeding van de daardoor ontstane schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [eiser] heeft daarbij tien onderhandse akten in het geding gebracht en heeft aangegeven dat hij in een later stadium meer onderhandse akten in zal brengen.
De Staat en Rutte hebben zich in de akte van 8 januari 2025 op het standpunt gesteld dat deze eiswijziging in strijd is met de goede procesorde, omdat niet duidelijk is wat [eiser] bedoelt met de bijzin ‘gelet op de onderhandse akten van gedupeerden die [eiser] heeft ingebracht’. Zij hebben er daarbij op gewezen dat de door [eiser] ingebrachte akten uit lijken te gaan van zowel een cessie als een procesvolmacht. Daarnaast voeren zij aan dat, indien de eiswijziging wordt toegelaten, voor hen onduidelijk is jegens welke specifieke personen [eiser] meent dat zij onrechtmatig hebben gehandeld. Ook zou [eiser] op ieder moment de reikwijdte van de procedure kunnen aanpassen, door nieuwe onderhandse akten in het geding te brengen.
De rechtbank laat de eiswijziging van 9 december 2024 toe. De reden daarvoor is dat de Staat en Rutte ter zitting gemotiveerd verweer hebben gevoerd tegen deze gewijzigde eis. Daarnaast is van belang dat [eiser] , anders dan aangekondigd, geen nieuwe onderhandse akten in het geding heeft gebracht en de door de Staat en Rutte verwachte aanpassing van de reikwijdte van de procedure aldus achterwege is gebleven. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen goede reden meer is om de eiswijziging buiten beschouwing te laten.
De vordering van [eiser] tegen de Staat
[eiser] heeft gesteld dat hij vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad van tien slachtoffers van de toeslagenaffaire overgedragen heeft gekregen middels een cessie. De Staat en Rutte hebben in de akte van 8 januari 2025 aangegeven dat zij de door [eiser] ingebrachte tien akten telkens aldus begrijpen dat de persoon die in de kop van de bewuste akte is genoemd een gepretendeerde vordering aan [eiser] heeft overgedragen. De rechtbank zal er bij de beoordeling van de vordering van [eiser] dan ook van uitgaan dat met de door [eiser] ingediende akten in de eerste plaats een cessie is beoogd.
[eiser] heeft – samengevat – gesteld dat de gedupeerden van de toeslagenaffaire opzettelijk zijn misleid, omdat de aangifte van de minister van Financiën van 19 mei 2020 een aangifte ‘voor de bühne’ betrof. De reden daarvoor is dat de Rijksrecherche een samenwerkingsverband heeft met de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), die op haar beurt deel uitmaakt van de Belastingdienst. Daardoor is het onderzoek van de Rijksrecherche onvoldoende onafhankelijk geweest en stond op voorhand al vast dat de aangifte nergens toe zou leiden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Dat aan de slachtoffers van de toeslagenaffaire ernstig leed is toegebracht, is evident. Echter, de rechtbank moet in deze procedure beoordelen of [eiser] voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om vast te kunnen stellen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens de tien specifieke personen die hun vordering aan hem, [eiser] , hebben overgedragen. Het spreekt vanzelf dat als de rechtbank niet kan vaststellen dat, uitgaande van de grondslag van de vordering van [eiser] (zie r.o. 5.7), de Staat jegens deze tien personen onrechtmatig heeft gehandeld en hierdoor schade is ontstaan, zij ook geen hierop gegronde vordering tot schadevergoeding op de Staat aan [eiser] hebben kunnen overdragen.
Bij de beoordeling is verder van belang dat de rechtbank zich in deze procedure - als burgerlijke rechter - niet nogmaals mag buigen over de vraag of het OM terecht geen opvolging heeft gegeven aan de aangifte, maar de zaak heeft geseponeerd. Het hof heeft immers de sepotbeslissing al in het kader van een artikel 12 Sv-procedure in volle omvang getoetst. Het hof had daarbij zo nodig de officier van justitie kunnen bevelen alsnog vervolging in te stellen. Artikel 12 Sv biedt een bijzondere, met voldoende waarborgen omklede, rechtsgang om tegen het niet (verder) vervolgen op te komen. De rechtbank moet hierom in dit geding van de juistheid van de sepotbeslissing uitgaan.
De rechtbank kan ook niet vaststellen dat de (aan het sepot voorafgegane) aangifte door de minister van Financiën slechts ‘voor de bühne’ is geweest. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat de aangifte is gedaan in navolging van het (hiervoor onder 3.1 voor zover nodig geciteerde) advies van mr. Biemond. Bovendien kan pas na een opsporingsonderzoek worden vastgesteld of deze misdrijven ook gepleegd zijn. Dat opsporingsonderzoek is uitgevoerd door de Rijksrecherche, waarna het OM heeft geconcludeerd dat er geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking. Het enkele gegeven dat de Rijksrecherche tevens een samenwerkingsverband heeft met de FIOD, een onderdeel van de Belastingdienst, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de minister op voorhand zou hebben geweten dat de aangifte in een sepot zou eindigen.
Tot slot is van belang dat, zelfs als ervan wordt uitgegaan dat de tien personen die hun vordering aan [eiser] hebben overgedragen slachtoffers zijn van de toeslagenaffaire, [eiser] niet duidelijk heeft gemaakt welke schade ieder van hen heeft geleden ten gevolge van de door hem gestelde ‘opzettelijke misleiding’ door de minister en van het feit dat de aangifte (niet in strafvervolging maar) in een sepot is geëindigd.
De vordering van [eiser] tegen de Staat zal dus worden afgewezen.
De vordering van [eiser] tegen Rutte
[eiser] heeft zijn vordering tevens ingesteld tegen voormalig minister-president Rutte in persoon. Echter, nu niet is komen vast te staan dat er onrechtmatig is gehandeld in het kader van de aangifte, kan ook niet worden geconcludeerd dat Rutte in dat opzicht onrechtmatig heeft gehandeld, laat staan dat het voor toerekening aan Rutte in persoon benodigde persoonlijke verwijt hiervoor aanwezig is. De omstandigheid dat Rutte in het interview in de Telegraaf van 29 juni 2024 samengevat heeft verklaard zich verantwoordelijk te voelen voor de toeslagenaffaire, zoals [eiser] heeft benadrukt, maakt het oordeel van de rechtbank – gelet op al het voorgaande – niet anders.
Ook de vordering van [eiser] tegen Rutte zal worden afgewezen.
Proceskosten
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat en Rutte worden begroot op:
- griffierecht € 2.837,00
- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten X tarief II ad € 653,00)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.321,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen, zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat en Rutte, tot op heden begroot op € 4.321,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na het in deze te wijzen vonnis. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart de kostenveroordeling in 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.