ECLI:NL:RBDHA:2026:900

ECLI:NL:RBDHA:2026:900, Rechtbank Den Haag, 19-01-2026, NL25.55979

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-01-2026
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer NL25.55979
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Dublin, Kroatië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dv, ongegrond.

Uitspraak

[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1], eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen,

[naam kind 1] , v-nummer: [nummer 2]

[naam kind 2] , v-nummer: [nummer 3]

[naam kind 3] , v-nummer: [nummer 4]

[naam kind 4] , v-nummer: [nummer 5]

[naam kind 5] , v-nummer: [nummer 6], en

[eiseres 2] , v-nummer: [nummer 7], eiseres, en

[eiser] , v-nummer: [nummer 8], eiser

(gemachtigde: mr. N.A.P. Heesterbeek),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 14 november 2025 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvragen van eisers terecht niet in behandeling heeft genomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van de besluiten

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.

Mag de minister ten aanzien van Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

5. Eisers betogen dat ten aanzien van Kroatië niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In Kroatië is sprake van een onvoldoende kwalitatieve asielprocedure en van het risico op indirect refoulement. Eisers vrezen dat zij vanuit Kroatië uitgezet zullen worden naar Rusland of Tsjetsjenië. Eisers zijn in Kroatië slachtoffer geweest van onmenselijke en vernederende behandeling. Gelet op de algemeen bekend zijnde informatie en hun eenduidig afgelegde verklaringen is er geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van eisers. Gezien de al lang bestaande gebreken in de asielprocedure en opvangvoorzieningen kan niet meer gesproken worden van incidenten. Eisers zijn van mening dat klagen bij de Kroatische autoriteiten geen zin heeft. Zij hebben namelijk geklaagd bij de medewerkers van de opvang, maar toen is hen verteld dat ze naar een gesloten opvanglocatie gebracht zouden worden. Ook hebben eisers geen advocaat aangeboden gekregen. Ter onderbouwing van het voorgaande wijzen eisers op twee stukken van Asylum Information Database (AIDA).

De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat zij in Kroatië te maken krijgen met een onmenselijke of vernederende behandeling. Als blijkt dat er sprake is van structurele tekortkomingen dan moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om onder het bereik van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest te vallen. De minister stelt terecht dat zij hier niet in zijn geslaagd. Wat eisers hebben verklaard over wat zij eerder hebben meegemaakt in Kroatië is onvoldoende om een reëel risico op een slechte behandeling en ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen aannemelijk te maken. De minister wijst er terecht op dat uit de verklaringen van eisers niet blijkt dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het Jawo-arrest is behaald. De minister heeft hierbij terecht betrokken dat de Kroatische overheid met het claimakkoord heeft aangegeven dat eisers verzoeken om internationale bescherming in behandeling zullen worden genomen en dat hun asielverzoeken zullen worden beoordeeld in lijn met de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat Kroatië zich niet aan haar internationale verplichtingen houdt. Als eisers van mening zijn dat dit wel het geval is dan kunnen zij hierover klagen bij de Kroatische autoriteiten. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eisers niet hebben aangetoond dat de Kroatische autoriteiten hen niet willen of kunnen helpen. De enkele verklaringen van eisers dat zij geen advocaat aangeboden gekregen hebben in Kroatië maakt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. Hierbij heeft de minister zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eisers maar enkele dagen in Kroatië verbleven hebben en de asielprocedure daar niet hebben doorlopen. Het beroep op de stukken van AIDA leidt naar het oordeel van de rechtbank ook niet tot een andere conclusie. De AIDA briefing on Asylum is namelijk gebaseerd op de AIDA-rapporten van verschillende landen, waaronder Kroatië, van 2024. De rechtbank is van oordeel dat dit rapport over Kroatië geen wezenlijk ander beeld schetst dan het eerdere rapport van AIDA over 2023. Uit dat rapport, dat onder meer aan de orde is geweest in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2024, blijkt niet dat voor Kroatië niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast blijkt uit de AIDA statistical update dat een aantal landen vreemdelingen om verschillende redenen de afgelopen jaren niet hebben overgedragen aan Kroatië. Zonder nadere onderbouwing waarom deze gevallen op eisers van toepassing zijn of vergelijkbaar zijn met de situatie van eisers kan hieruit niet de conclusie volgen dat voor Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Tot slot volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat een risico op indirect refoulement wegens verschil in beschermingsbeleid tussen lidstaten binnen de Dublinprocedure niet ter toetsing voor ligt.

Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?

6. Eisers betogen dat de minister, gelet op hun verklaringen over hun eigen ervaringen in Kroatië, toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Ook is overdracht zonder opvang volgens eiser in strijd met artikel 3 van het EVRM. Van een Dublinoverdracht moet worden afgezien als er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eisers een risico zullen lopen op schending van artikel 4 van het Handvest bij de overdracht of als gevolg daarvan. Hiervan is sprake en dit is dan ook de reden dat Nederland de asielverzoeken van eisers in behandeling moet nemen.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Uit hetgeen eisers naar voren hebben gebracht blijkt niet dat een overdracht aan Kroatië leidt tot onevenredige hardheid. Uit hetgeen de rechtbank hierover onder 5.1 heeft overwogen in het kader van het interstatelijke vertrouwensbeginsel volgt dat er in de situatie van eisers geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de minister de asielaanvraag van eisers in behandeling zou moeten nemen. Deze manier van beoordelen is toegestaan door de Afdeling.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvragen van eisers terecht niet in behandeling heeft genomen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.W.B. Heijmans

Griffier

  • mr. T.M.T. Brandsma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?