Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/698820 / KG ZA 26-114
Vonnis in kort geding van 3 maart 2026
in de zaak van
[de vader] te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. R.G. Jagesar te ‘s-Gravenhage,
tegen:
[de moeder] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. S. Acikgoz te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
- de op 17 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt.
Op de zitting zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat en op verzoek van de voorzieningenrechter [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
Na de zitting heeft de moeder een eiswijziging ex artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) ingediend, waartegen de vader bezwaar heeft gemaakt.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van 13 januari 2016 tot 11 april 2018. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 augustus 2017 in de daarvoor bestemde registers. Partijen zijn de ouders van [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats 1] (hierna: [de minderjarige 1] ) en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] (hierna: [de minderjarige 2] ). De ouders zijn, (anders dan waarvan de ouders uit gaan en anders dan in na te melden vonnis van 18 november 2025 is vermeld), gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen, nu beide kinderen zijn geboren tijdens het huwelijk. De kinderen hebben hun gewone verblijfplaats bij de moeder.
Bij vonnis in kort geding van 18 november 2025 is, voor zover nu nog van belang, bepaald dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig op de volgende dagen bij de vader zullen verblijven:
- vanaf zaterdag 29 november 2025 om het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur,
waarbij de vader de kinderen zal ophalen bij het huis van oma (moeders zijde) en de kinderen daar ook weer zal terugbrengen.
Sinds 11 januari 2026 wordt de zorgregeling tussen de vader en de kinderen door de moeder niet meer nagekomen.
3. Het geschil
in conventie
De vader vordert – zakelijk weergegeven – nakoming van de zorg- en contactregeling zoals opgenomen in genoemd kort geding vonnis van 18 november 2025, onder oplegging van een dwangsom en de moeder te veroordelen in de kosten van het geding.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De moeder dient zich te houden aan de inhoud van genoemd vonnis en op haar rust een wettelijke verplichting om de zorg- en contactregeling na te komen. Er is geen enkel objectief verifieerbare concrete omstandigheid die maakt dat de omgang dient te worden ontzegd aan de vader. Door de omgang te belemmeren zullen de kinderen vervreemden van de vader, met als gevolg dat de kinderen zowel op korte termijn als op latere leeftijd de negatieve gevolgen hiervan zullen ondervinden. Daarbij ligt ouderverstoting op de loer.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De moeder vordert – zakelijk weergegeven – opschorting van de zorgregeling, zolang het politieonderzoek naar het vermeende misbruik van [de minderjarige 1] gaande is, en de vader zolang te verbieden contact te hebben met de kinderen. Daarnaast vordert de moeder vervangende toestemming te verlenen voor een doorverwijzing van [de minderjarige 1] naar [organisatie] [plaats] via de huisarts en de vader te veroordelen in de kosten van het geding.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. Er ligt een aangifte tegen de vader wegens vermeend sexueel misbruik van [de minderjarige 1] , op basis waarvan er momenteel een politieonderzoek loopt waarbij nog een getuigenverhoor zal gaan plaatsvinden en ook een onderzoek door Veilig Thuis. Zolang de uitkomsten daarvan niet bekend zijn, kan niet worden uitgesloten dat voortzetting van omgang risico’s meebrengt, zodat een hernieuwde belangenafweging aangewezen is. De kinderen voelen zich bovendien onveilig omdat de vader de kinderen regelmatig alleen laat.
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
Omdat de vorderingen van de ouders nauw met elkaar samenhangen worden ze hierna gezamenlijk besproken.
Eiswijziging ex artikel 130 Rv
De voorzieningenrechter laat de eiswijziging van de moeder, die is ingediend na de zitting, buiten beschouwing, nu de vader hiertegen terecht bezwaar heeft gemaakt. Het indienen van een eiswijziging nadat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden is in strijd met een goede procesorde.
Zorgregeling
In geschil is of het contact van de vader met de kinderen moet worden hervat en zo ja hoe.
De vader wil nakoming van de eerder in kort geding vastgestelde zorgregeling, maar volgens de moeder kan er geen contact zijn tussen de vader en de kinderen zolang de uitkomsten van het politieonderzoek en het onderzoek door Veilig Thuis niet bekend zijn. De voorzieningenrechter gaat niet mee in het standpunt van de moeder en oordeelt daartoe als volgt.
Uitgangspunt is dat een vonnis waarbij een zorgregeling is vastgesteld, moet worden nagekomen. De Raad heeft op de zitting naar voren gebracht dat de Raad bij voldoende ingebouwde veiligheden het liefst ziet dat er direct weer contact is tussen de vader en de kinderen. Voor de Raad is wel duidelijk dat de onderzoeken moeten plaatsvinden en dat de onderste steen boven moet komen. De Raad stelt zich daarbij op het standpunt dat contact tussen de vader en de kinderen niet aan de onderzoeken in de weg staat. Anders dan de moeder meent de Raad dat voor beïnvloeding van de kinderen door contact, hangende de onderzoeken, niet hoeft te worden gevreesd en dat dit dus geen reden is om de zorgregeling niet door te laten gaan. Zo er al sprake is van beïnvloeding van de kinderen dan heeft deze volgens de Raad al kunnen plaatsvinden. De voorzieningenrechter volgt de Raad in zijn standpunt en gaat ervan uit dat hervatting van contact tussen de vader en de kinderen niet aan de onderzoeken in de weg staat. Wel zal de veiligheid van de kinderen gewaarborgd moeten zijn. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dit het geval zal zijn als de kinderen hangende de onderzoeken enkel overdag bij de vader verblijven, dus zonder overnachting. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige zorgregeling vaststellen, waarbij de kinderen bij de vader zullen zijn eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur na het eten, waarbij de vader de kinderen zal ophalen bij het huis van oma (moeders zijde) en de kinderen daar ook weer zal terugbrengen. Op deze manier wordt recht gedaan aan het belang van de vader bij contact met de kinderen maar ook rekening gehouden met de veiligheid van de kinderen. Ook wordt zo het bezwaar van de moeder weggenomen dat de vader te lang op bed ligt als de kinderen bij hem zijn, nu de vader de kinderen moet ophalen bij oma. Voor het overige gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de vader overdag goed voor de kinderen zal zorgen en hen niet alleen zal laten. De vordering van de vader tot nakoming van de zorg- en contactregeling c.q. omgangsregeling, zoals opgenomen in genoemd kort geding vonnis van 18 november 2025, wordt hiermee deels toegewezen.
Deze voorlopige zorgregeling zal gelden zolang het politieonderzoek en het onderzoek van Veilig Thuis nog niet is afgerond. Vervolgens dienen partijen in onderling overleg te bezien of de oude zorgregeling kan worden hervat of een andere regeling kan worden overeengekomen. Indien partijen niet tot overeenstemming komen is het aan de meest gerede partij om een procedure te starten tot nakoming, c.q. een wijzigingsverzoek te doen.
Op de zitting heeft de vader nog naar voren gebracht dat hij een (voorlopige) ondertoezichtstelling aangewezen acht, maar de voorzieningenrechter ziet hiervoor onder de huidige omstandigheden onvoldoende aanleiding.
Dwangsom
De voorzieningenrechter acht oplegging van een dwangsom aan de moeder, als stimulans tot nakomen van de te geven beslissing, op dit moment aangewezen, nu de moeder de zorgregeling tussen de vader en de kinderen eenzijdig heeft stopgezet en zij, zoals ter zitting is gebleken, voorlopig fel gekant is tegen contact tussen de vader en de kinderen. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding de op te leggen dwangsom te matigen tot een bedrag van € 100,-- per dag dat de moeder deze voorlopige zorgregeling niet nakomt en de dwangsom te maximeren op een bedrag van € 7.500,--.
Vervangende toestemming doorverwijzing
De voorzieningenrechter zal de vordering van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor een doorverwijzing van [de minderjarige 1] naar [organisatie] [plaats] aan de huisarts afwijzen wegens gebrek aan spoedeisend belang, te meer nu nog niet duidelijk is wat er precies aan de hand is. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de vader ter zitting heeft aangegeven dat hij, als hem duidelijk is waarvoor de hulp wordt ingezet, wel toestemming wil verlenen, tenzij de doorverwijzing te maken heeft met het vermeende misbruik van [de minderjarige 1] . De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de ouders in overleg gaan om te kijken of ze hier samen uit kunnen komen en als dit niet het geval is zij zo nodig een artikel 1:253a BW-procedure zullen starten.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
bepaalt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in afwijking van de zorgregeling zoals vastgelegd in het vonnis van 18 november 2025 voorlopig (totdat de onderzoeken van de politie en Veilig Thuis zijn afgerond) bij de vader zullen verblijven eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur na het eten, waarbij de vader de kinderen zal ophalen bij het huis van oma (moederszijde) en de kinderen daar ook weer zal terugbrengen;
bepaalt dat de moeder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor iedere dag dat zij deze voorlopige zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 7.500,-;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
wijst af de vorderingen van de moeder;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
PL