ECLI:NL:RBDHA:2026:9017

ECLI:NL:RBDHA:2026:9017

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer NL25.18088
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aanvraag mvv terecht afgewezen. Toets BEVA heeft plaatsgevonden in bestreden besluit. Geen beoordeling hechte persoonlijke banden. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister alle door eisers naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, ook in samenhang bezien, heeft betrokken bij zijn beoordeling van de familieband tussen referent en zijn moeder en referent en zijn broer. Ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1] , de moeder van referent,

de Minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.18088

[eiseres 2] , de zus van referent,

[eiser] , de broer van referent,

hierna samen aangeduid als eisers

V-nummers: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),

en

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de door referent, [broer en zoon] , voor eisers ingediende aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.

De minister heeft de aanvragen mogen afwijzen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 22 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een mvv met als

verblijfsdoel ‘familie- en gezinsleven’. Referent is van Syrische nationaliteit. Eisers wensen verblijf bij referent.

De minister heeft de aanvragen van eisers afgewezen omdat volgens hem

geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eisers en referent. Het jongvolwassenenbeleid is niet van toepassing. Ook is er geen sprake van meer dan de gebruikelijke afhankelijkheid tussen eisers en referent (geen bijkomende elementen van afhankelijkheid). Omdat geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eisers en referent, hoeft volgens de minister geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te worden gemaakt. De minister heeft in dit verband verwezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een

verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan

hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep ingediend namens Lana Anqah

3. Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft de minister aan zus een mvv verleend met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [de man] ’. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat de zus geen belang meer heeft bij een uitspraak op het beroep voor zover dat ziet op afwijzing van haar 8-EVRM aanvraag en dat het beroep voor zover dat op haar ziet, wordt ingetrokken. Waar hierna over eisers wordt gesproken, wordt dan ook gedoeld op de moeder en de broer.

Jongvolwassenbeleid

4. Dat wat namens eisers is aangevoerd in het beroepschrift over het jongvolwassenenbeleid heeft de gemachtigde ter zitting ingetrokken. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen bespreking meer.

Bestaat tussen referent en zijn moeder en referent en zijn broer familie- of gezinsleven?

5. In het beroepschrift, gelezen in samenhang met de daarop op zitting gegeven toelichting, stellen eisers dat vanwege de medische beperkingen van de moeder en de broer van referenten de mate waarin zij hulp nodig hebben van referent voldoende bijkomende elementen van afhankelijkheid vormen om familie- en gezinsleven aan te nemen tussen referent en hen. Daarnaast draagt het gemis van de vader bij aan de zwaarte van de bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rol van referent in het gezin is sinds de vermissing van zijn vader een andere geworden. Referent is nu verantwoordelijk voor de verzorging van zijn moeder en broer. Eisers hebben verder aangevoerd dat de ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ in hun geval voor een belangrijk deel zijn gelegen in de emotionele afhankelijkheid en binding tussen hun en referent.

6. Tussen referent en zijn minderjarige broer, bestaat alleen familie- of gezinsleven als sprake is van hechte persoonlijke banden. Dit is een begrip van feitelijke aard en of hiervan sprake is moet worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Een omstandigheid die kan duiden op hechte persoonlijke banden is bijvoorbeeld samenwoning. Ook als de relatie de gebruikelijke omgang ontstijgt, kan dit duiden op hechte persoonlijke banden. Een normale band tussen broers, die niet de gebruikelijke omgang ontstijgt, maakt niet dat sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister neemt familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige vreemdelingen, dus tussen referent en zijn moeder, aan als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het gaat er vooral om of sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Het gaat dus niet alleen om de vraag of de relatie in emotioneel opzicht uitstijgt boven dat wat tussen volwassen familieleden gebruikelijk is. De minister moet een beoordeling maken van de vraag of bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Elementen zoals samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst kunnen bij de beoordeling hiervan relevant zijn. Het is aan de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan.

De beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid of hechte persoonlijke banden is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of bijkomende elementen van afhankelijkheid of hechte persoonlijke banden bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit alleen het criterium ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ gebruikt en niet dat van ‘hechte persoonlijke banden’. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister alle door eisers naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, ook in samenhang bezien, heeft betrokken bij zijn beoordeling van de familieband tussen referent en zijn moeder en referent en zijn broer. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is omstandigheden op grond waarvan tussen referent en zijn moeder of broer gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM moet worden aangenomen. De minister heeft alle door eisers naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, ook in samenhang bezien, bij zijn beoordeling betrokken en heeft zijn standpunt dat geen sprake is van een zodanige familieband dat sprake is van familie- of gezinsleven in het bestreden besluit uitvoerig en voldoende gemotiveerd. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat het feit dat de zus inmiddels niet meer bij de moeder en broer van referent woont, de beoordeling niet verandert.

Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat enkel het samenwonen als gezin niet voldoende is om familie- of gezinsleven aan te nemen. Ook de mate van financiële afhankelijkheid is door de minister terecht in de besluitvorming betrokken. Daarbij heeft de minister mogen vinden dat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn moeder en broer financieel afhankelijk waren van referent en dat nu ook nog zijn. Toen referent nog in Syrië was, was zijn vader kostwinner en dat is hij gebleven tot aan zijn vermissing. Vanaf dat moment heeft referent zich verantwoordelijk gevoeld en heeft hij wanneer mogelijk het gezin in Syrië zoveel mogelijk ondersteund. Nu is het voor referent niet meer mogelijk het gezin financieel te ondersteunen omdat hij niet genoeg geld overhoudt. De minister heeft rekening gehouden met het feit dat zijn moeder ook niet in staat is om te werken. Het gezin krijgt echter nu hulp van de kerk. Daarbij heeft de minister ook kunnen betrekken dat indien referent op enig moment meer geld om handen heeft, hij zijn moeder en broer op afstand financieel kan ondersteunen en het niet nodig is dat zij naar Nederland komen. De minister heeft tevens mogen betrekken dat niet gebleken is van materiële (praktische) afhankelijkheid. De moeder en de broer krijgen hulp van de kerk en kunnen zich vanwege die hulp staande houden. Bovendien helpt de broer zijn moeder in de huishouding en is er ook nog familie van referents vader in beeld die enige verantwoordelijkheid ten aanzien van referents moeder en zus heeft genomen. Ook van de andere zus van referent - die op geringe afstand woont van haar - mag worden verwacht dat zij de helpende hand biedt in geval van nood.

Over de medische situatie van de moeder heeft de minister mogen vinden dat haar medische problematiek niet van dien aard is dat zij exclusief van referent afhankelijk is en dat de benodigde zorg in Syrië voorhanden is. Weliswaar is blijkens een verklaring van een specialist van 4 maart 2025 elektrofysiologisch onderzoek geadviseerd dat niet aanwezig is in Syrië, maar ook is gebleken dat de moeder het zonder dit onderzoek gered heeft. De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat elektrofysiologisch onderzoek ook niet als van levensbelang wordt geadviseerd door de cardioloog en dat ook niet is gebleken dat de moeder dagelijks medische zorg nodig heeft. Wat betreft de medische situatie van de broer heeft de minister mogen vinden dat hij zich redt met de hulp van de moeder. Evenmin is gebleken dat hij dagelijkse zorg nodig.

Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat de moeder en de broer al hun hele leven in Syrië wonen en sterke banden hebben met dat land. Dit in tegenstelling tot hun banden met Nederland, waar zij nog nooit zijn geweest.

De minister heeft referent niet ten onrechte niet aangemerkt als ‘vader’ van het gezin. De minister heeft in dit verband mogen vinden dat referent nimmer de kostwinner is geweest binnen het gezin en al 4,5 jaar gescheiden woont van eisers. Bovendien heeft de minister terecht gesteld dat niet vaststaat dat referents vader niet meer in leven is. De rechtbank begrijpt dat referent zich verantwoordelijk voelt voor zijn moeder en broer en voor hen wil zorgen, maar dat betekent niet dat daarmee sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Dat moet in objectieve zin gebleken zijn, waarvan in dit geval geen sprake is. De beroepsgrond slaagt niet.

Belangenafweging

7. Gelet op wat in 6.2. tot en met 6.6. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen belangenafweging meer hoeft plaats te vinden. Gelet op de onder voetnoot 3 tot en met 5 aangehaalde uitspraken van de Afdeling hoeft de minister namelijk geen belangenafweging te maken wanneer hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Zij krijgen daarom het griffierecht niet terug. Eisers krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?