RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58216 en NL25.58220
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker], met V-nummer: [V-nummer], verzoeker
[verzoekster] , met V-nummer: [V-nummer], verzoekster, tezamen: verzoekers
(gemachtigde: mr. C. Hansum) en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de verzoeken van verzoekers om vergoeding van hun proceskosten.
Verzoekers hebben beroepen ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op de aanvragen van verzoekers voor een verblijfsvergunning (hierna: de aanvragen).
Op 30 december 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvragen.
Naar aanleiding hiervan hebben verzoekers hun beroepen ingetrokken. Zij hebben daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft op de verzoeken gereageerd, waarbij hij stelt dat er sprake is van samenhangende zaken. De minister is bereid de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van
€ 233,50. Daartoe heeft hij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 1 december 2025.1
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.3
1. ECLI:NL:RBDHA:2025:22665, r.o. 6.2.
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoekers. De minister heeft immers alsnog een besluit op de aanvragen van verzoekers genomen.
4. De verzoeken worden als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoekers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van verzoeken tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. De rechtbank volgt niet de verwijzing door de minister naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 1 december 2025, waarin een wegingsfactor van 0,25 wordt gehanteerd. Die uitspraak heeft betrekking op een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen. Het beroep van verzoekster betreft echter een eerste beroep wegens niet tijdig beslissen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Volgens artikel 3 van het Bbp zijn samenhangende zaken (onder andere en voor zover hier van belang) door meer belanghebbenden ingestelde beroepen, die door de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin (door een derde beroepsmatig verleende) rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarvan is in dit geval sprake. Het betroffen immers in beide gevallen beroepen tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvragen. De gemachtigde van verzoekers heeft die beroepen op dezelfde dag ingediend en het betreft familieleden. Gelet op deze omstandigheden blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van
€ 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.