RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58385
(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990. De minister heeft met het asielbesluit van 20 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.Eiser dient Nederland onmiddellijk te verlaten.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het asielbesluit.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht twee weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is een kledingwinkel gestart in Algerije samen met twee mannen, [persoon1] en [persoon2] (hierna: de schuldeisers). Nadat de winkel was stukgelopen wilden de twee mannen hun geld terug. Omdat eiser de schuldeisers niet kon terugbetalen, hebben zij bij de politie aangifte gedaan tegen eiser van diefstal. Volgens eiser hebben de twee mannen de politie omgekocht om hem op te pakken. Eiser daarop gevlucht naar Spanje. Hij vreest bij terugkeer naar Algerije gevangen te worden gezet. In Algerijnse gevangenissen vinden mishandelingen en verkrachtingen plaats. In Spanje heeft eiser een van de schuldeisers ontmoet, die hem met de dood heeft bedreigd. Eiser is daarna via Frankrijk, Duitsland, België en Italië naar Nederland gevlucht.
Het asielbesluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met de investeerders van zijn kledingwinkel.
De minister stelt zich op het standpunt dat eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn, maar dat zijn identiteit ongeloofwaardig is. De minister acht de problemen van eiser met de investeerders van zijn kledingwinkel ongeloofwaardig, omdat eiser zijn verklaringen niet met documenten heeft onderbouwd en zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
4. Niet in geschil is dat eiser zijn gestelde identiteit en zijn verklaringen over zijn problemen met zijn investeerders niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister terecht beoordeeld of eiser voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. In dit geval heeft de minister dit beoordeeld aan de hand van onderdeel b, c en e van dit artikellid en de Werkinstructie ‘WI 2024/6’.
Heeft de minister niet ten onrechte de identiteit van eiser ongeloofwaardig geacht?
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn identiteit ongeloofwaardig heeft gevonden. Eiser heeft in alle landen dezelfde geboortedatum en dezelfde naam opgegeven, wat de minister in positieve zin had moeten meewegen bij het oordeel over de geloofwaardigheid van zijn identiteit.
De minister heeft tijdens de zitting niet langer tegengeworpen dat eisers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn (artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000). De minister heeft wel het standpunt gehandhaafd dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd zonder goede reden (onder b) en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd (onder e).
De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers gestelde identiteit niet geloofwaardig is.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser voor het niet overleggen van identiteitsdocumenten, geen goede verklaring heeft gegeven. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat aan eiser niet wordt tegengeworpen dat hij documenten heeft gehad waaruit zijn identiteit blijkt, gelet op zijn verklaring dat hij die tijdens zijn reis op zee is kwijtgeraakt. Hiermee heeft eiser een verschoonbare verklaring gegeven voor het ontbreken van relevante identiteitsdocumenten. Volgens de minister heeft eiser echter geen oprechte inspanningen heeft geleverd om zijn identiteit te staven, omdat hij bij de autoriteiten in Algerije (in zowel binnen- of buitenland) kon vragen om nieuwe identiteitsdocumenten. Dat volgt de rechtbank niet. Aangezien eiser asiel heeft aangevraagd, kan de minister niet van eiser verlangen dat hij documenten opvraagt bij de autoriteiten waartegen hij bescherming zoekt. Dat de minister eisers asielproblemen ongeloofwaardig heeft bevonden, leidt niet tot een ander oordeel omdat dit nog niet onherroepelijk vaststaat. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet van eiser kan verlangen dat hij zich wendt tot de Algerijnse autoriteiten voor het aanvragen van nieuwe identiteitsdocumenten. De minister heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw.
Het standpunt van de minister dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw, volgt de rechtbank evenmin. Van het gebruik van verschillende aliassen is geen sprake. Het standpunt van de minister dat eiser vanaf zijn aankomst in Europa onlogische keuzes heeft gemaakt door alleen in Duitsland asiel te vragen en niet in Spanje of Frankrijk, maakt ook niet dat eisers identiteit daarom ongeloofwaardig is. De rechtbank ziet niet wat het rondreizen in Europa zonder asiel aan te vragen, zegt over iemands identiteit. Daarbij is onderdeel e een overkoepelende bepaling die volgens paragraaf C1/4.3.2.5 van de Vc 2000 ziet op de vraag of de afgelegde verklaringen dusdanig ongeloofwaardig zijn dat die de geloofwaardigheid van de vreemdeling in het algemeen aantasten. Eiser heeft over zijn identiteit niet wisselend verklaard en de rechtbank acht de enkele omstandigheid dat eiser eerder in Duitsland wel en in Spanje en Frankrijk geen asiel heeft aangevraagd onvoldoende voor het oordeel dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden geschouwd. De minister heeft geen andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit dit zou volgen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze bepaling in dit geval niet van toepassing.
Uit het voorgaande volgt dat de minister artikel 31, zesde lid, onder b en onder e, van de Vw ten aanzien van eisers identiteit ten onrechte heeft tegengeworpen. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser ten aanzien van zijn gestelde identiteit daarom het voordeel van de twijfel had moeten geven door te concluderen dat deze identiteit geloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt.
Heeft de minister niet ten onrechte eisers asielrelaas ongeloofwaardig geacht?
Investering versus lening
Eiser voert aan dat de minister de correcties en aanvullingen op het nader gehoor, waarin is toegelicht dat het gaat om een investering en niet om een lening, ten onrechte niet heeft gevolgd.
De minister stelt zich op het standpunt dat deze correctie op het nader gehoor niet gevolgd kan worden, omdat eiser zowel in het aanmeldgehoor als in het nader gehoor heeft verklaard dat het een lening is en pas na het nader gehoor voor het eerst de correctie dat het gaat om een investering naar voren heeft gebracht, zonder dat hij daarvoor een verklaring heeft gegeven.
De rechtbank overweegt als volgt. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij aan de twee schuldeisers een voorstel heeft gedaan om een kledingwinkel te starten en heeft voorgesteld wat en hoeveel ze in de kledingwinkel zouden kunnen verkopen. Verder heeft eiser verklaard dat hij niet genoeg geld had om zelf een handel te starten en dat hij geen geld kon lenen en geen andere mogelijkheid had om aan geld te komen. Eiser heeft gezegd dat ze een bedrag van € 10.000,- bij elkaar hebben gedaan, waarvan € 3000,- of € 4000,- afkomstig was van eiser, en dat de schuldeisers daarmee akkoord gingen. Toen bleek dat de kledingwinkel was mislukt, heeft eiser dat de schuldeisers verteld. Deze werden toen boos en gaven eiser de schuld en eisten hun geld terug, anders zouden ze eiser problemen bezorgen, aldus eisers verklaring.
Weliswaar heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor en tijdens het nader gehoor verklaard dat hij geld heeft geleend, maar de rechtbank leidt uit wat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard, af dat de oorzaak van zijn problemen niet het gevolg is van het feit of het geld in de kledingwinkel was geleend of geïnvesteerd, maar dat de twee zakenpartners van eiser hun geld terugeisten en dat eiser dat niet kon terugbetalen. De strekking van zijn problemen is dus dat eiser zijn schuldeisers geld is verschuldigd en dat hij dat geld moet terugbetalen, maar dat eiser dat niet kan en hij daarom is gevlucht. De vraag of het geld is geleend of geïnvesteerd is daarom niet relevant voor de geloofwaardigheid van dit asielmotief. De minister heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers problemen met zijn investeerders.
Verklaringen in grote lijnen niet geloofwaardig
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich wel op het standpunt heeft mogen stellen dat is komen vast te staan dat eiser over zijn problemen met zijn investeerders in grote lijnen niet geloofwaardig heeft verklaard. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij onvoldoende inspanningen heeft verricht om zijn problemen met zijn investeerders met documenten te onderbouwen. Hoewel eiser al sinds 2021 in Europa verblijft, heeft hij slechts eenmaal geprobeerd om aan documenten te komen. Eiser heeft bij zijn nader gehoor verklaard dat, als hij de tijd zou krijgen, hij weer aan zijn moeder om een bewijs of document zou kunnen vragen, waarin staat dat hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf. Eiser heeft geen goede verklaring gegeven waarom hij dat bewijs of document niet heeft kunnen overleggen. Dat de Algerijnse autoriteiten corrupt zijn, heeft de minister als onvoldoende van de hand mogen wijzen. De minister heeft daarom terecht aangenomen dat niet is voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw. Eiser heeft dat niet betwist.
De minister heeft eiser ook mogen tegenwerpen dat hij over de duur van zijn werkzaamheden in de kledingwinkel wisselend heeft verklaard. Zo heeft eiser in het aanmeldgehoor gezegd dat hij de laatste twee jaar voordat hij naar Europa kwam in de kledingwinkel heeft gewerkt, terwijl hij in het nader gehoor heeft gezegd daar ongeveer vijf maanden te hebben gewerkt. De minister heeft deze verklaringen niet samenhangend en aannemelijk mogen vinden, waarmee niet is voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Ook dat heeft eiser niet betwist.
De minister heeft verder mogen tegenwerpen dat eiser zich niet heeft gewend tot de autoriteiten in Algerije voor zijn problemen met de schuldeisers. Eisers verklaring dat hij dat niet heeft gedaan, omdat hij ervan uitging dat de schuldeisers de politie hadden omgekocht, heeft de minister hiervoor onvoldoende mogen vinden. Eiser heeft dat ook niet onderbouwd.
Tenslotte heeft de minister mogen betrekken dat eiser vanaf zijn aankomst in 2021 in Europa heeft rondgereisd in Europa, maar dat hij alleen in 2024 in Duitsland asiel heeft aangevraagd. De minister heeft mogen tegenwerpen dat het feit dat eiser in Spanje en Frankrijk geen asiel heeft aangevraagd, zich niet verenigt met zijn noodzaak voor internationale bescherming.
Tussenconclusie
7. De minister heeft zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b, c en e, van de Vw 2000. Daarom heeft hij de verklaringen over zijn problemen met investeerders in de kledingwinkel in Algerije en op goede gronden ongeloofwaardig geacht.
Terugkeerbesluit en vertrektermijn
8. Eiser heeft op zitting zijn beroepsgrond dat het asielbesluit niet vermeld naar welk land hij moet terugkeren, laten vallen.
Eiser voert aan dat hij het Franse terugkeerbesluit niet aan hem bekend is gemaakt en hij niet op de hoogte was van dat terugkeerbesluit. Verder voert eiser aan dat hem ten onrechte een vertrektermijn is onthouden en dat de minister die termijn ook niet heeft gemotiveerd.
De rechtbank overweegt dat in het voornemen staat dat de Franse autoriteiten op 7 juni 2024 aan eiser een terugkeerbesluit hebben opgelegd dat geldig is tot 7 juni 2029. In het asielbesluit staat ook dat aan eiser een terugkeerbesluit van Nederland wordt opgelegd en dat hij Nederlandse onmiddellijk moet verlaten. Op zitting is toegelicht dat dit terugkeerbesluit ten overvoede is genomen en dat de minister hiermee niet heeft beoogd een nieuw terugkeerbesluit op te leggen. Nu het voornemen in het asielbesluit is overgenomen, moeten beide in onderlinge samenhang worden gelezen. De rechtbank neemt daarom aan dat de minister in het asielbesluit heeft verwezen naar het Franse terugkeerbesluit.
De rechtbank is het met de minister eens dat hij gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat de Franse autoriteiten het terugkeerbesluit op de juiste wijze bekend hebben gemaakt. Eiser heeft geen argumenten aangedragen waaruit wat anders blijkt. De enkele stelling van eiser dat hij niet van de het terugkeerbesluit op de hoogte was, is daarvoor onvoldoende. Nu eiser niet heeft voldaan aan het Franse terugkeerbesluit, heeft de minister hem terecht een vertrektermijn onthouden en terecht een inreisverbod opgelegd. Van een onvoldoende gemotiveerde vertrektermijn is daarom geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond, omdat de minister identiteit van eiser ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. De rechtbank vernietigt daarom het asielbesluit. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van dat besluit in stand. Dit omdat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas over de gestelde problemen ongeloofwaardig is. Dat betekent dat eiser geen asielvergunning krijgt.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het asielbesluit van 20 november 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.