RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.13902 en NL26.13911
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1], met V-nummer: [V-nummer] ,
[eiser 2] , met V-nummer: [V-nummer] , hierna gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. G. van Reemst), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen).
Overwegingen
Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk?
1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
3. De minister heeft de aanvragen op 29 januari 2025 ontvangen. De minister moet in beginsel uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvragen beslissen.3
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2025/4 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2025 weer een beslistermijn van zes maanden.
4. Eisers komen uit Iran. Met ingang van 24 maart 2026 geldt voor Iran een besluitmoratorium.4 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht is, beslist de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.5
5. Eisers hebben de minister op 23 oktober 2025 in gebreke gesteld. Eisers hebben op 12 maart 2026, meer dan twee weken na de ingebrekestelling, beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen. De rechtbank stelt vast dat het besluitmoratorium nog niet van kracht was toen eisers de ingebrekestellingen en de beroepen instelden. De ingebrekestellingen en de beroepen zijn tijdig ingediend. De beroepen zijn dus ontvankelijk.
6. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium.6 De aanvragen van eisers vallen onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium.
7. De minister dient uiterlijk op 29 juli 2026 te beslissen op de aanvragen
(29 januari 2025 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). De beslistermijn is derhalve nog niet verstreken. Hieruit vloeit voort dat de beroepen kennelijk ongegrond zijn.
8. Aangezien zich geen situatie voordoet waarin de minister te laat op de aanvragen heeft beslist, is er geen aanleiding om te oordelen dat de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurt.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn kennelijk ongegrond. Eisers hebben hun beroepen aanvankelijk terecht ingesteld. Toen zij dat deden, was het moratorium immers nog niet van kracht. Om die reden krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen beroepschriften in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
10. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn echtgenoten, zij hebben hun aanvragen, ingebrekestelling en beroep gelijktijdig ingediend en zij hebben dezelfde advocaat. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.7
4 Stcrt 2026, 11864.
5 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van het Besluit tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Iran.
6 Vgl. ECLI:NL:RVS:2025:3082 en ECLI:NL:RVS:2019:3600, r.o. 5.3.
7 Artikel 3 van het Bpb.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 april 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.