[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 5 januari 2026 bij Slovenië een verzoek om terugname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek 7 januari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert - samengevat - aan dat hij in Slovenië geen zorgvuldige asielprocedure kan krijgen, waardoor hij zijn asielaanspraken niet waar kan maken en hij na overdracht aan Slovenië doorgeleid dreigt te worden naar zijn land van herkomst. Ook meent eiser dat hij daar niet de mogelijkheid zal krijgen om tegen een afwijzende asielbeschikking een effectief rechtsmiddel in te stellen. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 10 oktober 2025 betoogt eiser dat er in Slovenië een recente wijziging heeft plaatsgevonden in de bepalingen van de “International Protection Act” over nieuwe gronden voor ontslag van de vluchtelingenadviseurs. Deze wijziging vormt een bedreiging voor onafhankelijke en vertrouwelijke rechtsbijstand en ondermijnt een effectief rechtsmiddel voor asielzoekers. Ook voert eiser aan dat hij in Slovenië geen behoorlijke opvang en toegang tot medische voorzieningen zal krijgen, wat vervolgens zal leiden tot een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Daarnaast betoogt eiser dat hij als overgedragen asielzoeker drie tot twintig dagen moet wachten voordat hij een asielaanvraag kan indienen. Eiser vreest dat hij in die periode geen opvang zal krijgen. Ook doet eiser een beroep op het arrest Jawo. De daarin genoemde drempel wordt bij dakloosheid wel degelijk bereikt, nu hij in Slovenië als alleenstaande immigrant geen sociaal netwerk heeft dat hem kan opvangen of helpen. Bij een leven op straat zal eiser dan ook niet kunnen voorzien in zijn basisbehoeften, waardoor een mensonwaardige situatie zal ontstaan.
De rechtbank oordeelt dat de Sloveense autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Slovenië systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt.
De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling in de uitspraken van 8 september 2022, 21 maart 2023 en 9 januari 2026 heeft geoordeeld dat de minister ten aanzien van Slovenië mag uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Slovenië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Slovenië niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Slovenië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Sloveense autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Slovenië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen in dit kader.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Uit het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (update 2024) van juli 2025 volgt dat Dublinclaimanten geen problemen ondervinden met betrekking tot toegang tot de asielprocedure en dat zij vanaf het moment van terugkeer naar Slovenië als asielzoekers worden beschouwd. Ook blijkt uit voornoemd rapport dat Dublinclaimanten, zodra de asielaanvraag is ingediend, dezelfde rechten hebben als andere asielzoekers en dat zij worden ondergebracht in een asielzoekerscentrum. Eiser wordt gevolgd in zijn standpunt dat in dezelfde alinea ook staat dat Dublinclaimanten net als andere asielzoekers drie tot twintig dagen moeten wachten om hun asielaanvraag in te dienen vanwege achterstanden. De rechtbank stelt vast dat het AIDA-rapport echter ook vermeld dat opvang wordt geboden vanaf het moment dat een asielzoeker (en daarmee naar het oordeel van de rechtbank ook een Dublinclaimant) kenbaar maakt dat hij een asielaanvraag wil indienen. Uit het AIDA-rapport blijkt niet dat eiser in het geheel verstoken zal zijn van opvang. De omstandigheid dat eiser mogelijk een aantal dagen geen opvang zal hebben, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een dusdanige tekortkoming dat de drempel uit het hiervoor genoemde Jawo-arrest wordt gehaald of overschreden. Ook met betrekking tot de medische zorg in Slovenië heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een structurele tekortkoming als bedoeld in het Jawo-arrest.
Ten aanzien van de rechtsbijstand in Slovenië oordeelt de rechtbank als volgt. Het door eiser naar voren gebrachte punt uit het hiervoor genoemde AIDA-rapport, namelijk de vermelde ontslaggronden van de vluchtelingenadviseurs, staat al vermeld in de AIDA-rapporten van 2021 (update 2022), van 2022 (update 2023) en van 2023 (update 2024). Het AIDA-rapport van 2021 (update 2022) was al bekend ten tijde van de hiervoor onder 5.2. genoemde Afdelingsuitspraak van 8 september 2022. De rechtbank ziet in het meest recente AIDA-rapport van 2024 (update 2025) geen wezenlijk ander beeld van de situatie ten aanzien van de rechtsbijstand dan eerder is betrokken. Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen de bestuurlijke besluitvormingsfase en de (hoger) beroepsfase. Op grond van de Procedurerichtlijn zijn lidstaten gehouden om rechtsbijstand te voorzien voor die laatste fase. Daaraan voldoet Slovenië. Daarbij komt dat ook uit het meest recente AIDA-rapport niet blijkt dat vreemdelingen in zijn geheel geen mogelijkheid hebben om rechtsbijstand te verkrijgen in de bestuurlijke besluitvormingsfase in Slovenië. Mocht eiser daarmee toch problemen ondervinden, dan dient hij zich te wenden tot de (hogere) Sloveense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk of bij voorbaat zinloos zou zijn.
Artikel 17 van de Dublinverordening
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.
Paragraaf C2/5. van de Vc bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Voor zover eiser meent dat zijn jarenlange trauma een reden is om de asielaanvraag toch in Nederland te behandelen, oordeelt de rechtbank dat hij niet heeft onderbouwd dat hij hiervoor behandeling ondergaat. Ook heeft eiser niet aangetoond dat Nederland het meest aangewezen land is om hem hiervoor te behandelen.
Indirect refoulement
7. Voor zover eiser heeft beoogd te betogen dat hij bij overdracht aan Slovenië vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024. Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 5.3. en 5.4. is overwogen kan ten aanzien van Slovenië nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Slovenië een risico is op indirect refoulement.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en mag worden overgedragen aan Slovenië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.