ECLI:NL:RBDHA:2026:910

ECLI:NL:RBDHA:2026:910, Rechtbank Den Haag, 22-01-2026, 09-026356-25 en 09-049055-24 (ttz. gev.)

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-01-2026
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer 09-026356-25 en 09-049055-24 (ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Jeugdstrafrecht, heropening onderzoek ter terechtzitting, diefstal in vereniging met valse sleutels (pinpassen en pincodes, bankhelpdeskfraude), vordering benadeelde partij toegewezen met wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 09-026356-25 en 09-049055-24 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 22 januari 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ;

verblijfsadres: [adres 2] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 8 januari 2026 en op die dag gesloten. Op 13 januari 2026 is het onderzoek ter terechtzitting heropend en geschorst tot 22 januari 2026. De rechtbank is hiertoe overgegaan omdat zij tijdens de beraadslagingen constateerde dat de tweede door de benadeelde partij ING Bank ingediende vordering (van 22 december 2025) door de raadsvrouw van de verdachte niet in haar verweer lijkt te zijn betrokken. Deze gang van zaken is op 12 januari 2026 aan de officier van justitie en de raadsvrouw aangekondigd en zij zijn in staat gesteld om tot 20 januari 2026 schriftelijk hun standpunten met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij ING Bank van 22 december 2025 in te nemen. De rechtbank heeft per e-mail reacties van de raadsvrouw van de verdachte (op 14 januari 2026) en de officier van justitie (op 15 januari 2026) ontvangen. Op 22 januari 2026 is het onderzoek ter terechtzitting voortgezet en vervolgens (op dezelfde dag) opnieuw gesloten.

De officier van justitie in deze zaak is mr. D. Kortekaas en de raadsvrouw van de verdachte is mr. H. Oldenhof te ‘s-Gravenhage. De verdachte is op de terechtzitting van 8 januari 2026 verschenen.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdachte wordt er (kort en feitelijk weergegeven) van beschuldigd:

Dagvaarding I (09-026356-25)

Feit 1: dat hij op 9 januari 2025 in Den Haag samen met iemand anders geld heeft gestolen van mw. [naam 1] door gebruik te maken van een pinpas en pincode die niet van hem waren;

Feit 2: dat hij op 10 december 2024 in Den Haag samen met iemand anders geld heeft gestolen van [naam 2] door gebruik te maken van een pinpas en pincode die niet van hem waren;

Feit 3: dat hij op 10 december 2024 in Den Haag samen met iemand anders geld heeft gestolen van [naam 3] door gebruik te maken van een pinpas en pincode die niet van hem waren;

Feit 4: dat hij op 11 december 2024 in Den Haag samen met iemand anders geld heeft gestolen van [naam 4] door gebruik te maken van een pinpas en pincode die niet van hem waren;

Feit 5: dat hij op 11 december 2024 in Den Haag samen met iemand anders geld heeft gestolen van [naam 5] door gebruik te maken van een pinpas en pincode die niet van hem waren;

Feit 6: dat hij op 6 januari 2025 in Den Haag samen met iemand anders geld heeft gestolen van [naam 6] door gebruik te maken van een pinpas en pincode die niet van hem waren;

Feit 7: dat hij op 24 januari 2025 in Den Haag niet-openbare gegevens bij zich heeft gehad, namelijk PaysafeCards, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen.

Dagvaarding II: 09-049055-24

dat hij op 11 februari 2024 in Tilburg een kunststof speelgoed pistool bij zich heeft gehad.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I onder 1 tot en met 6 en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden en dat de verdachte vrijgesproken moet worden van feit 7.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen bewezenverklaring van de bij dagvaarding onder 1 tot en met 6 en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten. De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 7 ten laste gelegde feit.

Vrijspraak

De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 7 ten laste gelegde feit, net als de officier van justitie en verdediging, van oordeel dat dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen is. De verdachte zal daarom zonder nadere motivering worden vrijgesproken van dit feit.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal onderzoeksnummer DH2R024105 van de politie eenheid Den Haag, District Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 201).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Dagvaarding I

Feiten 1 tot en met 6

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 8 januari 2026;

Feit 1

2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 24 januari 2025 (p. 88-101);

Feit 2

3. Het proces verbaal van aangifte, opgemaakt op 13 december 2024 (p. 65-68);

Feit 3

4. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 10 december 2024 (p. 45-48);

Feit 4

5. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 12 december 2024 (p. 77-80);

Feit 5

6. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 24 januari 2025 (p. 111-120);

Feit 6

7. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 16 januari 2025 (p. 183-185).

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met met nummer PL2000-2024036860 van de politie eenheid Zeeland-West Brabant, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 37).

Dagvaarding II

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 8 januari 2026;

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 februari 2024 (p. 5-7);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 februari 2024 (p. 21-24).

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I (09-026356-25)

1

hij op 9 januari 2025 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

een geldbedrag, dat aan mw. [naam 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2

hij op 10 december 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een geldbedrag, dat aan [naam 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s)

dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel door gebruik te maken van een pinpas en pincode waartoe hij/zij niet gerechtigd was/waren en daarmee dit voorgenoemde geldbedrag op te nemen;

3

hij op 10 december 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een geldbedrag, dat aan [naam 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) zich dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel door gebruik te maken van een pinpas en pincode waartoe hij/zij niet gerechtigd was/waren en daarmee dit voorgenoemde geldbedrag op te nemen;

4

hij op 11 december 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een geldbedrag, dat aan [naam 4] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel door gebruik te maken van een pinpas en pincode waartoe hij/zij niet gerechtigd was/waren en daarmee dit voorgenoemde geldbedrag op te nemen;

5

hij op of omstreeks 24 januari 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een geldbedrag, dat aan [naam 5] , toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel door gebruik te maken van een pinpas en pincode waartoe hij/zij niet gerechtigd was/waren en daarmee dit voorgenoemde geldbedrag op te nemen;

6

hij op 6 januari 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

een geldbedrag, dat aan [naam 6] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel door gebruik te maken van een pinpas en pincode waartoe hij/zij niet gerechtigd

was/waren en daarmee dit voorgenoemde geldbedrag op te nemen;

Dagvaarding II: 09-049055-24

hij op 11 februari 2024 te Tilburg, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een kunststof speelgoed pistool zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De op te leggen straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 240 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 139 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren onder de voorwaarden zoals zij zijn geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de straf.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft samen met (een) ander(en) geld gestolen van meerdere bejaarden. Daarbij heeft een medeverdachte de bejaarden gebeld en zich voorgedaan als een medewerker van de bank die vertelde dat ze onder andere hun pinpas en pincode moesten afgeven aan een koerier (de verdachte) die later langs zou komen. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het goede vertrouwen van oudere mensen, die dachten dat zij het goede deden, bijvoorbeeld omdat hen aan de telefoon verteld was dat er mogelijk gefraudeerd was met hun rekeningen. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij puur voor het geld op deze manier misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare groep mensen. De rechtbank neemt daarnaast mee dat de verdachte in Tilburg een nepwapen bij zich droeg dat geschikt was om mee te dreigen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 december 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een vergelijkbaar strafbaar feit.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) van 23 december 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico (gevaar voor herhaling van strafbare feiten) gemiddeld tot laag wordt geacht. Risico’s voor de verdachte zijn vooral het gebrek aan werk, het gebrek aan positieve vrijetijdsbesteding, het blowen van verdachte, zijn financiën en zijn impulsiviteit. De Raad is positief over het feit dat de verdachte ter zitting de aan hem verweten strafbare feiten heeft bekend en daarmee verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. De Raad denkt dat het niet passend is om naast een deels voorwaardelijke jeugddetentie ook een werkstraf op te leggen. Het is wenselijk dat de verdachte een baan vindt, zodat hij een eerder opgelegde boete kan afbetalen en eventueel de schade van de slachtoffers in deze strafzaak kan vergoeden. De Raad denkt wel dat het noodzakelijk is dat de verdachte ook de komende periode nog begeleid blijft worden. Daarom adviseert de Raad kort gezegd om als voorwaarden op te leggen een meldplicht bij de jeugdreclassering, behandeling bij de Waag, begeleiding door een coach, een avondklok met elektronische monitoring (enkelband) en dat de verdachte een zinvolle dagbesteding moet hebben (in de vorm van school of werk of een positieve vrijetijdsbesteding).

Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank vindt, gelet op al het bovenstaande, alleen een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie passend. Het is de verdachte eerder niet gelukt om een leerstraf uit te voeren en inmiddels is er ook al veel andere ondersteuning (van de Waag en van een coach) bij de verdachte betrokken. De rechtbank weegt daarnaast in positieve zin mee dat de verdachte op de zitting heeft bekend dat hij de feiten heeft gepleegd en daarvoor verantwoordelijkheid heeft genomen. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een jeugddetentie opleggen voor de duur van 200 dagen, waarvan 96 voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht (104 dagen). Dat betekent dat de verdachte niet meer terug hoeft naar de jeugdgevangenis. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden opleggen zoals die door de Raad zijn geadviseerd.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 1.006,18 aan materiële schade (€ 600,- cash geld en € 406,18 opgenomen geld van de bankrekening).

ING Bank N.V., vertegenwoordigd door [naam 7] , heeft zich op 30 april 2025 en nogmaals op 22 december 2025 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De rechtbank gaat er vanuit dat de nieuwere vordering van ING Bank (die van 22 december 2025) de oude vervangt, nu de vorderingen die zien op feiten op de tenlastelegging zoals die zijn opgenomen in de vordering van 30 april 2025 ook – en vollediger - zijn opgenomen in de vordering van 22 december 2025. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 4.982,18 aan materiële schade (€ 4.046,18 coulancevergoedingen aan slachtoffers en € 936,- onderzoekskosten).

ABN AMRO N.V., vertegenwoordigd door [naam 8] en [naam 9] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 14.158,29 aan materiële schade en € 840,- aan proceskosten.

[naam 10] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 2.550,- aan materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert op de zitting van 8 januari 2026 tot afwijzing van de vorderingen van ABN AMRO en [naam 10] . De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vorderingen van [naam 1] en de ING Bank. De officier vindt de door de ING Bank gestelde onderzoekskosten redelijk. De officier van justitie vraagt voor zowel de vordering van [naam 1] als de vordering van de ING bank om de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft op 15 januari 2026 per e-mail laten weten dat zij haar standpunt niet wijzigt ten opzichte van haar eerder ingenomen standpunt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft tijdens de zitting van 8 januari 2026 verzocht om de vordering van ABN AMRO niet-ontvankelijk te verklaren, omdat die ziet op andere slachtoffers. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de ING deels niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, omdat het gaat om deels andere personen dan in de tenlastelegging staan vermeld, en omdat de onderzoekskosten ook berekend zijn op basis van andere dossiers. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de schadevergoedingsmaatregel niet opgelegd zou moeten worden ten behoeve van de ING Bank. De raadsvrouw heeft daarnaast verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren op grond van 6:166 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, omdat de billijkheid vraagt om een andere verdeling van de schadevergoeding (dan een verdeling in gelijke delen onder de mededaders).

De raadsvrouw heeft zich in haar e-mail van 14 januari 2026 schriftelijk op het standpunt gesteld dat de vordering(en) van ING Bank niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Daarnaast zouden de onderzoekskosten gebaseerd moeten zijn op 5 dossiers en niet op 6.

Het oordeel van de rechtbank

ABN AMRO N.V. en [naam 10]

De rechtbank zal de benadeelde partijen ABN AMRO en [naam 10] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, omdat aan deze benadeelde partijen niet rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten.

[naam 1]

De vordering, voor zover die betrekking heeft op de post cash geld (€ 600,-) is door de benadeelde partij voldoende (met stukken) onderbouwd en de verdachte heeft erkend dat hij € 600,- van de benadeelde heeft meegenomen. Daarom kan vastgesteld worden dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering voor zover die ziet op de post ‘opgenomen geld van bankrekening’ (€ 406,18). Dit bedrag is al vergoed door de bank, zo blijkt ook uit het door de benadeelde partij ingevulde schadeformulier.

De rechtbank zal de vordering van [naam 1] dan ook toewijzen tot een bedrag van € 600,-, bestaand uit materiële schade en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.

[naam 1] – Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

ING Bank N.V. - Onevenredige belasting van het strafproces

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de behandeling van de vordering van ING Bank een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en daarom niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De ING Bank heeft eerst op 30 april 2025 en daarna opnieuw op 22 december 2025 een vordering ingediend. Zoals hiervoor overwogen gaat de rechtbank er vanuit dat de tweede vordering de eerste vervangt. De officier van justitie en de raadsvrouw hebben eerst op de zitting en na heropening van het onderzoek schriftelijk de gelegenheid gehad om op de vorderingen te reageren. De behandeling van de vordering is daarmee geen onevenredige belasting van het strafproces.

ING Bank N.V. - Inhoudelijke behandeling

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘coulancevergoedingen 5 ING-slachtoffers’ (€ 4.046,18) is door de verdediging niet voldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en de door ING Bank aangevoerde stukken kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 1, 2, 3, 4, en 6 ten laste gelegde feiten. De ING Bank heeft namelijk de door de verdachte en zijn medeverdachte(n) gestolen bedragen aan zijn klanten vergoed.

De vordering, voor zover deze ziet op de post ‘onderzoekskosten’ is door de verdediging niet voldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Onder de rechtstreekse schade van ING Bank kan namelijk ook worden verstaan de kosten die zijn gemaakt om de strafbare feiten aan het licht te brengen. In de berekening van de onderzoekskosten is de ING Bank uitgegaan van 6 dossiers, waar de rechtbank uitgaat van 5 dossiers (de slachtoffers van feiten 1, 2, 3, 4 en 6). De rechtbank volgt daarom het standpunt van de raadsvrouw en zal de onderzoekskosten naar rato verminderen en komt uit op onderzoekskosten van € 780,- (zijnde 5/6 deel van € 936,- aan onderzoekskosten). De rechtbank zal de ING Bank voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank zal de vordering van ING Bank N.V. dan ook toewijzen tot een bedrag van € 4.826,18 bestaand uit materiële schade en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.

ING Bank N.V.- Wettelijke rente

De schade van ING Bank is ontstaan op verschillende data. De coulancebetalingen aan de benadeelden hebben plaatsgevonden in de periode van 13 december 2024 tot 28 februari 2025. Het is aannemelijk dat ook de onderzoekskosten in die periode zijn gemaakt. De rechtbank zal daarom de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 januari 2025, in het midden van die periode, omdat de schade (gemiddeld genomen) op die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vorderingen gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen ( [naam 1] en ING Bank) tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een (van de) mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partijen ( [naam 1] en ING Bank) heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen. De rechtbank gaat hierbij voorbij aan het standpunt van de raadvrouw dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard op grond van 6:166 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, omdat de billijkheid vraagt om een andere verdeling van de schadevergoeding (dan een verdeling in gelijke delen onder de mededaders).

[naam 1] - Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [naam 1] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

ING Bank N.V. - Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de raadsvrouw heeft verzocht, de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen omdat van een rechtspersoon verwacht mag worden dat zij zelf hun vorderingen incasseren. Op grond van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering wordt een rechtspersoon (zoals de bank) met het slachtoffer gelijk gesteld. Ook een bank wordt, als de schadevergoedingsmaatregel niet zou worden opgelegd, belast met problemen rondom het innen van de schadevergoeding bij de veroordeelde. De ING Bank omschrijft ook zelf dat het incasseren van zulke vorderingen niet behoort tot de dagelijkse bedrijfsvoering en dat de bank daarvoor extra kosten zal moeten maken. De rechtbank zal daarom ook ten behoeve van ING Bank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Nu de verdachte ten opzichte van ING Bank naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag € 4.826,18, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van ING Bank. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8. Het inbeslaggenomen voorwerp

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voorts dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

(beslaglijst) onder 1 genummerde voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over het inbeslaggenomen voorwerp.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 (het imitatiewapen) genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit is begaan.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel gegrond op de artikelen:

- 36 b, 36c, 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 300, 311 van het Wetboek van Strafrecht;

- 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

12. De beslissing

De rechtbank:

vernietigt de strafbeschikking van 2 mei 2024;

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

dagvaarding I:

feit 1

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feiten 2, 3, 4, 5 en 6

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

dagvaarding II:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 200 DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (104 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, 96 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht en zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering;

2. gedurende de eerste 6 maanden van de proeftijd op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen aanwezig is op zijn verblijfsadres: [adres 2] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde;

3. zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de Waag of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling te geven;

4. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach van [instelling] of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;

5. gedurende de proeftijd onderwijs volgt of andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding (waaronder ook een positieve vrijetijdsbesteding) heeft;

geeft opdracht aan Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen

aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden

toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek

van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de

jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,

daaronder begrepen.

de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

ABN AMRO N.V. en [naam 10]

verklaart de benadeelde partijen ABN AMRO N.V. en [naam 10] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

[naam 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 600,- aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting dat bedrag te betalen aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

ING Bank N.V.

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ING Bank N.V. van 22 december 2025 gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 4.826,18 aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting dat bedrag te betalen aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partijen ( [naam 1] en ING Bank), zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vorderingen;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen ( [naam 1] en ING Bank N.V.) gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam 1] te betalen € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

legt aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij ING Bank N.V. te betalen € 4.826,18, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen ( [naam 1] en ING Bank N.V.), waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), ook geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd;

onttrekking verkeer

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:

1 STK Imitatiewapen;

het bevel tot voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.G. de Boer, kinderrechter, voorzitter,

mr. S. van der Harg, kinderrechter,

en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2026.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I (09-026356-25)

1

hij op of omstreeks 9 januari 2025 te 's-Gravenhage

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan mw. [naam 1] ,

in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed

onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van valse sleutel

door gebruik te maken van een pinpas en/of pincode waartoe hij niet gerechtigd

was en daarmee dit voorgenoemde geldbedrag op te nemen;

2

hij op of omstreeks 10 december 2024 te 's-Gravenhage

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 2] ,

in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed

onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van valse sleutel

door gebruik te maken van een pinpas en/of pincode waartoe hij niet gerechtigd

was en daarmee dit voorgenoemde geldbedrag op te nemen;

3

hij op of omstreeks 10 december 2024 te 's-Gravenhage

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 3] ,

in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed

onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van valse sleutel

door gebruik te maken van een pinpas en/of pincode waartoe hij niet gerechtigd

was en daarmee dit voorgenoemde geldbedrag op te nemen;

4

hij op of omstreeks 11 december 2024 te 's-Gravenhage

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 4] ,

in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed

onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van valse sleutel

door gebruik te maken van een pinpas en/of pincode waartoe hij niet gerechtigd

was en daarmee dit voorgenoemde geldbedrag op te nemen;

5

hij op of omstreeks 24 januari 2025 te 's-Gravenhage

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 5] , in

elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed onder

zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van valse sleutel

door gebruik te maken van een pinpas en/of pincode waartoe hij niet gerechtigd

was en daarmee dit voorgenoemde geldbedrag op te nemen;

6

hij op of omstreeks 6 januari 2025 te 's-Gravenhage

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 6]

, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed

onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van valse sleutel

door gebruik te maken van een pinpas en/of pincode waartoe hij niet gerechtigd

was en daarmee dit voorgenoemde geldbedrag op te nemen;

7

hij op of omstreeks 24 januari 2025 te 's-Gravenhage,

niet-openbare gegevens, te weten een of meer PaysafeCard(s)heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en/of het

voorhanden krijgen van deze gegevens wist of redelijkerwijs had moeten

vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen

Dagvaarding II: 09-049055-24

hij op of omstreeks 11 februari 2024 te Tilburg, een wapen van categorie IV, onder 7

van de Wet wapens en munitie, te weten een kunststof speelgoed pistool zijnde een

voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd

aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel

aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?