RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] ,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2183
V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en
(gemachtigde: mr. D. Post).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard Eritrea te zijn ontvlucht omdat zijn vader op een gegeven moment tegen hem zei dat het niet meer veilig voor hem was vanwege de militaire dienstplicht. Eisers vader heeft toen geregeld dat hij met een mensensmokkelaar meekon. Zo is eiser het land illegaal uitgereisd. Eiser vreest bij terugkeer in de gevangenis te worden gezet vanwege het ontduiken van de dienstplicht.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
5. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Ook in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig geacht. De minister stelt dat eiser onvoldoende documenten heeft aangeleverd en eiser heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. Ook vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Daarbij kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn, stelt de minister zich op het standpunt dat een verdere beoordeling van het asielrelaas niet kan worden verricht.
De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning regulier en geen uitstel van vertrek om medische redenen. Eiser krijgt een terugkeerbesluit waarin staat dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Ook krijgt eiser een inreisverbod van twee jaar.
De identiteit, nationaliteit en herkomst
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.
Documenten
7. Eiser voert aan dat hij niet in het bezit is van documenten en hem dat niet verweten kan worden. Hij verkeert in bewijsnood. Eiser verwijst naar twee paragrafen uit het Algemeen ambtsbericht Eritrea (AAB) 2025 waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de ontwikkeling van het geboorteregister gebrekkig is, waardoor de wettelijke verplichting om geboorten, huwelijken en overlijdens tijdig te registreren in de praktijk niet wordt gehandhaafd. Mede hierom is het lastig om een concreet en eenduidig beeld te verkrijgen van de afgifte, het bezit en gebruik van documenten. Bovendien is de registratie van gebeurtenissen zoals geboortes en huwelijken niet consistent en betrouwbaar. Eiser voert aan dat de minister aan de hand van een taalanalyse en vragen over de herkomst van eiser kan vaststellen of eiser uit Eritrea afkomstig is.
De rechtbank overweegt dat de minister eiser niet enkel heeft tegengeworpen dat hij geen identiteitskaart heeft, maar dat hij geen enkel document heeft overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen. Uit het AAB van december 2023 (p. 27 t/m 30) blijkt dat minderjarigen in het bezit kunnen zijn van verschillende identiteitsdocumenten zoals een family residence card, een doopakte en een geboorteakte. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet voor hem geldt en hij in bewijsnood verkeert. De rechtbank stelt vast dat in het AAB 2025, naast de door eiser aangehaalde passages, ook is toegelicht dat uit de geraadpleegde bronnen het beeld naar voren komt dat het tijdens de verslagperiode, zoals voorheen, in de praktijk lastig was om in Eritrea te functioneren zonder in het bezit te zijn van enige vorm van identificatie. Daarbij mocht de minister aan eiser tegenwerpen dat hij onvoldoende inspanning heeft geleverd om wel aan documenten te komen. Van eiser mag worden verwacht dat hij tenminste pogingen onderneemt om aan documenten te komen die zijn identiteit, nationaliteit en herkomst onderbouwen. Het voorgaande geldt te meer omdat eiser heeft verklaard dat het mogelijk is dat zijn naam vermeld staat op de family residence card. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting verder toegelicht dat eiser heeft verteld gevaccineerd te zijn en dat hij daarom ook een vaccinatiebewijs had kunnen opvragen en overleggen, omdat uit het AAB 2025 blijkt dat ook aan vaccinatiebewijzen bewijswaarde wordt toegekend. Eiser voert aan dat Eritreeërs altijd in de rechterarm worden gevaccineerd en dat daarom uit zijn littekens kan worden afgeleid dat hij Eritrees is. De minister kent hier niet ten onrechte geen waarde aan toe, omdat dit niet blijkt uit het AAB. Daarbij blijkt uit eisers verklaringen dat hij via een contactpersoon nog contact heeft met zijn moeder in Eritrea en via haar in beroep stukken heeft overgelegd. Eiser heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij gevaar loopt door stukken bij autoriteiten, zoals het ziekenhuis, over hemzelf op te vragen en dat daarom niet heeft gevraagd. De in beroep overgelegde stukken die volgens eiser betrekking hebben op zijn vader en moeder, zeggen niets over de identiteit van eiser. De minister heeft er dan ook op mogen wijzen dat eiser geen blijk heeft gegeven van pogingen en gerichte inspanningen om gezins- of familieleden te vragen om informatie over de documenten te vergaren. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aan te tonen en dat hij ter onderbouwing van dit asielmotief verwijtbaar geen documenten heeft overgelegd.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister ook geen aanleiding heeft hoeven zien om een taalanalyse uit te voeren. Het is aan eiser om zijn nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Zoals onder 7.1. is geconcludeerd, is eiser hierin niet geslaagd. Een taalanalyse biedt in dit geval ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het resultaat ervan een wezenlijke bijdrage kan leveren aan het vaststellen van de herkomst en nationaliteit van eiser, nu de door eiser gesproken talen niet alleen in Eritrea worden gesproken.
Ongerijmde en vage verklaringen van eiser
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister in het bestreden besluit niet ten onrechte heeft overwogen dat het ongerijmd is dat eiser tijdens het aanmeldgehoor de dienstplicht niet heeft genoemd als asielmotief. Hoewel het aanmeldgehoor niet bedoeld is om uit te weiden over het asielmotief, wordt wel gevraagd het motief beknopt weer te geven. Het antwoord van eiser op de vraag wat de reden was om Eritrea te verlaten was: “Ik weet het niet. Mijn vader heeft mij weggestuurd.” Eiser heeft in de correcties en aanvullingen toegelicht dat de dienstplicht de reden was, maar de minister heeft dit ongerijmd mogen achten. Ook mocht de minister in zijn overwegingen meenemen dat eiser op sommige vragen over Eritrea vaag verklaarde. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat het feit dat eiser niet naar school is geweest en als herder heeft gewerkt, geen afdoende verklaring is voor het ontbreken van kennis over Eritrese nummerborden en het netnummer. Ook heeft de minister het ongerijmd mogen achten dat eisers halfbroer en halfzus niet voor de militaire dienst zijn opgeroepen, omdat uit het ambtsbericht blijkt dat de nationale dienstplicht geldt voor alle Eritreeërs tussen de 18 en 48 jaar, ongeacht of men wel of niet naar school gaat.
Leeftijdsschouw en registratie in Italië
8. Eiser voert aan dat van de door hem opgegeven leeftijd uitgegaan dient te worden. Hij kan zich niet verenigen met de leeftijdsschouw. Hij verwijst naar een aantal internetfora waaruit blijkt dat bepaalde mannelijke kenmerken zich ook al op jonge leeftijd kunnen voordoen. Eiser voert daarnaast aan dat hij in Italië heeft verklaard meerderjarig te zijn, enkel om te kunnen doorreizen. Het is eerder regel dan uitzondering dat minderjarige Eritreeërs die aankomen in Italië opgeven dat zij meerderjarig zijn, zodat zij kunnen doorreizen. Eiser bestrijdt daarom de stelling dat er sprake is van misleiding.
De rechtbank overweegt dat de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat naar aanleiding van de door AVIM verrichte leeftijdsschouw wordt getwijfeld aan eisers minderjarigheid. Er is twijfel ontstaan over de opgegeven leeftijd vanwege een samenstel van kenmerken. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over zijn leeftijd. Daarom heeft de minister geconcludeerd dat eiser niet wordt gevolgd in zijn gestelde minderjarige leeftijd. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat de schouw niet inzichtelijk en concludent is, omdat niet is uitgelegd waarom bepaalde kenmerken typerend zijn voor een meerderjarige en niet voor minderjarige. Dit betekent dat er sprake is van een motiveringsgebrek. Het gebrek geeft de rechtbank aanleiding om het beroep tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren en het besluit te vernietigen. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
Omdat de leeftijdsschouw niet inzichtelijk en concludent is, mocht de minister de schouw niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die eiser heeft opgegeven. Dat neemt echter niet weg dat de minister met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van eiser. De minister moet daarbij uitgaan van de minderjarigheid van eiser en het is aan hem om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. De minister heeft nader onderzoek gedaan naar de registratie van de gegevens van eiser in Italië. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat de registratie van persoonsgegevens van vreemdelingen plaatsvindt volgens standaardprocedures die voorschrijven dat vreemdelingen hun persoonsgegevens persoonlijk moeten verstrekken en kunnen corrigeren.
Uit het onderzoek van de minister is het volgende gebleken. In Italië heeft eiser [datum] als geboortedatum opgegeven, terwijl hij in Nederland [datum] als geboortedatum heeft opgegeven. Als reden hiervoor heeft eiser verklaard dat hij anders in Italië zou worden tegengehouden en niet zou kunnen doorreizen. De minister heeft dit geen verschoonbare verklaring mogen achten voor het moedwillig verstrekken van valse informatie. Uit het onderzoek is verder gebleken dat eiser in Italië een andere naam heeft opgegeven te weten [naam] . In Nederland heeft eiser de naam [naam] opgegeven. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de verschillen tussen deze twee namen te groot zijn om aan te nemen dat het ging om een kennelijke schrijffout of communicatiefout. Eiser heeft zelf evenmin een verklaring gegeven voor dit verschil en zegt niet te weten waardoor het komt. Daarnaast heeft eiser in Italië de Soedanese nationaliteit opgegeven, terwijl hij in Nederland heeft verklaard dat hij de Eritrese nationaliteit heeft. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien waarom de Italiaanse autoriteiten hebben geregistreerd dat eiser de Soedanese nationaliteit heeft, enkel omdat hij met een groep Soedanezen heeft gereisd. Niet is gebleken dat eiser pogingen heeft gedaan om de in Italië vastgelegde informatie te corrigeren. Ook heeft eiser geen documenten aangeleverd die aantonen dat de registratie in Italië onjuist is. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat het eisers eigen verantwoordelijkheid is om correcte en consistente gegevens aan te leveren. Alle feiten en omstandigheden in samenhang bekeken heeft de minister het vermoeden van minderjarigheid wel ontzenuwd. De minister mag dus aannemen dat eiser is geboren op [datum] en dus meerderjarig is.
Inhoudelijke beoordeling
9. Uit het voorgaande volgt dat de minister het asielmotief over eisers identiteit, nationalist en herkomst niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Hieruit vloeit voort dat eiseres andere asielmotieven, over de dienstplicht en de illegale uitreis, niet inhoudelijk beoordeeld konden worden. Asielmotieven hebben immers slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en van een vreemdeling.
Kennelijk ongegrond, terugkeerbesluit en inreisverbod
10. De rechtbank oordeelt dat de minister de asielaanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Daarom moet eiser Nederland onmiddellijk verlaten. Omdat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, was de minister gehouden om een inreisverbod op te leggen. In het geval van eiser is een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, wat betekent dat hij als hij gevolg heeft gegeven aan zijn terugkeerverplichting gedurende deze periode niet mag terugkeren naar Nederland en een aantal andere Europese landen. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die raken aan zijn belang om deze landen in te reizen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet, zoals opgenomen onder 8.3., wel aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond:
-vernietigt het bestreden besluit;
-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.