RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] ,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2600
V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en
(gemachtigde: mr. D. Post).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 januari 2026 de herhaalde asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft op 5 maart 2019 voor het eerst een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk was voor de afhandeling daarvan. Het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling is op 12 augustus 2019 ongegrond verklaard. Er heeft geen overdracht plaatsgevonden omdat eiser na de uitspraak met onbekende bestemming is vertrokken.
Eiser heeft op 2 maart 2023 een herhaalde aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 3 juni 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Wel heeft eiser uitstel van vertrek gekregen in afwachting van een onderzoek door BMA. Bij beschikking van 25 augustus 2025 is het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw afgewezen en is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Het bezwaar dat eiser hiertegen heeft ingediend loopt nog.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Bij uitspraak van 3 september 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de aanvraag van eiser.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij Kameroen in augustus 2017 heeft verlaten, omdat de vrienden bij wie hij woonde zijn beschoten door de Kameroense politie. Zijn vrienden zijn daarbij overleden. Zijn vrienden werden ervan verdacht voor Boko Haram te werken. Eiser heeft verklaard ook beschoten te zijn en dat hij een kogel in zijn bil heeft gekregen. Eiser is naar Nigeria gevlucht en heeft daarbij hulp gehad van een man op een motor die hij onderweg tegenkwam. Eiser vreest bij terugkeer naar Kameroen te worden gedood.
Eiser heeft ten behoeve van zijn asielaanvraag een identiteitskaart van het consulaat van Kameroen te Parijs overgelegd.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- De problemen met de politie.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Het asielmotief is vervolgens niet alsnog geloofwaardig geacht. Eiser voldoet volgens de minister niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c en d van de Vw. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd en hij heeft daarvoor geen goede verklaring. De minister verwijst naar het onderzoek van Bureau Documenten. Daarnaast vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister verwijst in dit verband naar de uitkomst van het herkomstonderzoek. Tot slot heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. De minister heeft het asielrelaas daarom vervolgens niet inhoudelijk getoetst.
De minister heeft opnieuw de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft de minister de motivering van zijn standpunt, waarom het herkomstonderzoek van eiser negatief is uitgevallen, aangevuld. De minister betrekt hierbij het referentiekader van eiser. De minister legt eiser ook een terugkeerbesluit op waarin staat dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Ook krijgt eiser een inreisverbod van twee jaar.
Heeft de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig kunnen vinden?
6. In dit verband stelt de rechtbank voorop dat het van belang is dat het aan eiser is om zijn herkomst en nationaliteit aannemelijk te maken en niet aan de minister om het tegendeel aannemelijk te maken.
Het herkomstonderzoek
7. Eiser voert aan dat de minister (wederom) onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze er rekening is gehouden met het referentiekader van eiser en psychische problemen gedurende het herkomstonderzoek. Miskend is dat hij ten tijde van het aanmeldgehoor al te kampen had met zijn psychische klachten en ook is in de aanvullingen en correcties op het aanmeldgehoor al aangegeven dat eiser last had van concentratieproblemen bij het gesprek.
Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. In de werkinstructie (WI) 2024/6 staat ook dat in het kader van de geloofwaardigheidstoets allereerst een oordeel moet worden gevormd over de geloofwaardigheid van de verklaringen ten aanzien van de nationaliteit, identiteit en herkomst van de vreemdeling. Volgens de Afdeling moet de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling rekening houden met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. Dit blijkt ook uit de WI 2024/6 waarin staat dat kenbaar rekening moet worden gehouden met wat in zijn algemeenheid van een vreemdeling verlangd mag worden. Daarbij speelt het referentiekader van de vreemdeling een rol. Aspecten die daarbij van belang kunnen zijn, zijn: leeftijd, geslacht, opleiding, land/gebied van herkomst, cultuur, maar ook aspecten zoals het werk dat hij deed, hoe groot zijn leefgebied was en of hij bijvoorbeeld toegang had tot internet, (social) media en dergelijke.
De WI 2022/4 bevat handvatten voor het herkomstonderzoek in asielzaken. Ook in deze WI is vastgelegd dat rekening gehouden moet worden met het referentiekader van de vreemdeling. Dit betekent dat de vragen die in het kader van het herkomstonderzoek gesteld worden, afgestemd moeten worden op de verklaringen over onder meer opleiding, gender gerelateerde omstandigheden, leeftijd, maatschappelijke participatie en de dagelijkse leefomgeving. Het verschilt per persoon wat voor antwoorden er verwacht mogen worden over de onderwerpen die bevraagd worden bij het betreffende onderzoek.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd op welke wijze er in de beoordeling rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser niet naar school is geweest en niet kan lezen, schrijven en rekenen niet betekent dat eiser niets zou weten en kunnen en er dus niets van hem verwacht mag worden. In de beoordeling heeft de minister betrokken dat eiser via verschillende landen van Kameroen naar Nederland is gereisd. Nadat eiser vier maanden in Spanje was verbleven, heeft hij besloten vervolgens zelf door te reizen naar Nederland. Eiser heeft een tussenstop gemaakt in Frankrijk om aan genoeg geld te komen om de rest van zijn reis te financieren. De minister heeft daarom niet ten onrechte gesteld dat eiser in staat was om informatie te verwerken en een weloverwogen keuze te maken om naar Nederland te reizen. Ook voor wat betreft de windrichtingen waarmee eiser niet bekend zou zijn, heeft de minister niet ten onrechte gewezen op het nader gehoor waarin eiser, zonder dat ernaar is gevraagd, windrichtingen aangeeft om een beschrijving te geven van de ligging van plaatsen en kenmerken. Gelet op voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser een bepaald niveau van ontwikkeling bezit en daarom in staat mag worden geacht om te kunnen vertellen en/of onderbouwen wie hij is en waar hij vandaan komt. De minister heeft bij zijn beoordeling mogen betrekken dat eiser heel weinig weet van de omgeving waar hij naar eigen zeggen als herder twintig jaar lang heeft rondgelopen, dat hij de lokale taal niet spreekt, maar alleen Frans, niets weet van de etniciteit en maar een paar algemene dingen van het Kameroen. De minister heeft uit het feit dat eiser social media-accounts heeft, mogen afleiden dat er sprake is van enige mate van intellect en geletterdheid. Dat zijn accounts door een ander worden beheerd is niet nader onderbouwd.
Verder oordeelt de rechtbank dat de minister uitgebreid heeft gemotiveerd waarom hij op basis van de door eiser overgelegde document niet kan uitgaan van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en dat eisers verklaringen hierover evenmin bijdragen de onderbouwing ervan. Zo heeft eiser niets kunnen verklaren over zijn eigen etniciteit, en heeft hij beperkt verklaard over het herkomst gebied. De minister heeft hierbij wederom mogen betrekken dat van eiser verondersteld mag worden dat hij de nabije omgeving goed kent, omdat hij daar naar eigen zeggen ongeveer twintig jaar lang schapen heeft gehoed. De juiste antwoorden van eiser waarbij hij blijk geeft kennis van het land te hebben, doen vanwege de algemene aard aan voorgaande niet af en maken niet dat de minister tot een andere conclusie had moeten komen. De stelling van eiser dat hij het leeuweninsigne van de Kameroense politie goed heeft beschreven, heeft de minister niet als dusdanig zwaar hoeven wegen dat dit maakt dat eiser hiermee zijn identiteit heeft kunnen onderbouwen.
De rechtbank volgt eisers standpunt niet dat tijdens het aanmeldgehoor onvoldoende rekening is gehouden met de door eiser gestelde medische beperkingen. De vragen die in het kader van het herkomstonderzoek tijdens het aanmeldgehoor gesteld zijn, zijn van een andere aard van de verklaringen over het asielrelaas tijdens het nader gehoor. Dat eiser volgens het medisch onderzoek aanvankelijk dus niet voor een nader gehoor kon worden uitgenodigd vanwege (psychische) problemen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser niet goed heeft kunnen verklaren tijdens het aanmeldgehoor. Het is de rechtbank niet gebleken dat tijdens het aanmeldgehoor geen rekening is gehouden met het referentiekader of de psychische problematiek van eiser. De minister heeft voldoende tijd genomen voor het gehoor met een pauze. Eiser had ook de mogelijkheid om extra pauzes aan te geven, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Evenmin is uit de correcties aan aanvullingen gebleken dat zijn concentratieproblemen invloed hebben gehad op de juistheid van zijn antwoorden.
De minister heeft kenbaar en navolgbaar gemotiveerd op grond waarvan het herkomstonderzoek negatief is uitgevallen. De beroepsgrond slaagt niet.
Afwijzing als kennelijk ongegrond
8. Eiser stelt onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling dat zijn aanvraag niet op grond van artikel 31, eerste lid, Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond had kunnen worden afgewezen. De rechtbank overweegt dat voor het inroepen van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 vereist is dat de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, die maken dat alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een asielvergunning. Van een situatie als bedoeld in de door eiser aangehaalde uitspraak is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In de situatie die tot die uitspraak leidde had de minister namelijk alle relevante elementen van het asielrelaas geloofwaardig geacht. In dit geval is hiervan geen sprake. De minister heeft mogen stellen dat eiser verklaringen heeft afgelegd die duidelijk onwaarschijnlijk en tegenstrijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst. De minister heeft gewezen op het door eiser overgelegde identiteitsdocument waarvan uit onderzoek is gebleken dat het hoogstwaarschijnlijk niet echt is. Bovendien heeft eiser wisselend verklaard over de manier waarop hij de, volgens hem aan het consulaat van Kameroen getoonde, originele geboorteakte is kwijtgeraakt. Ook heeft de minister hierbij mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat hij nooit een paspoort heeft gehad, maar desalniettemin een identiteitskaart heeft kunnen verkrijgen, terwijl dit strijdig is met openbare informatie van het Kameroense consulaat. De rechtbank verwijst hierbij naar haar eerdere uitspraak van 3 september 2025.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.