RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,geboren op [geboortedatum], van Indiase nationaliteit, V-nummer: [nummer],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45213
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Procesverloop
1. Bij brief van 15 september 2025 heeft de minister eiser laten weten dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025 en is aan eiser meegedeeld dat hij Nederland binnen 4 weken moet verlaten. In deze brief is verder uitgelegd wat dit voor eiser betekent.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van de minister van 15 september 2025.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft ingediend tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag van 30 augustus 2023. Ook heeft eiser geen beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 27 augustus 2024, waarin zijn bezwaar tegen het jegens hem genomen terugkeerbesluit van 21 februari 2024 niet ontvankelijk is verklaard. Deze besluiten staan daarom in rechte vast.
In de brief waarin de minister de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 beëindigt, is opgenomen dat de groep derdelanders die geen beroep hebben ingesteld tegen de terugkeerbesluiten, geen nieuwe terugkeerbesluiten zullen ontvangen. Nu eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de onder rechtsoverweging 2 genoemde besluiten, valt eiser onder deze groep. Uit de brief volgt ook dat deze groep per brief geïnformeerd wordt over de gevolgen van het eindigen van de bevriezingsmaatregel. Deze gevolgen zijn onder meer dat personen die tot deze groep behoren vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd hebben om Nederland zelfstandig te verlaten. Gedurende deze tijd bestaat er nog recht op opvang en (gemeentelijke) voorzieningen, maar mag de derdelander niet meer werken.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 15 september 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat hierin geen rechtsgevolgen zijn gelegen. De facultatieve tijdelijke bescherming voor de groep derdelanders is immers al per 4 maart 2024 geëindigd. Thans is de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 geëindigd, maar hierin ligt gelet op het voorgaande geen op rechtsgevolg gerichte beslissing. Het rechtsgevolg vloeit immers al voort uit de beëindiging per 4 maart 2024. Ook in de mededeling dat eiser moet terugkeren is geen rechtsgevolg gelegen, omdat dat al volgt uit het in rechte vaststaande terugkeerbesluit dat eerder aan eiser is opgelegd.
Nu de brief van 15 september 2025 geen rechtsgevolgen teweeg brengt, is er geen sprake van een besluit als bedoeld in 8:1 in samenhang met artikel 1:3. eerste lid, van de Awb. Daarom is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Conclusie en gevolgen
3. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.