ECLI:NL:RBDHA:2026:9106

ECLI:NL:RBDHA:2026:9106

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer NL25.44592
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Informerende brief is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, omdat er geen rechtsgevolgen in zijn gelegen. Daarom is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [geboortedatum], van Marokkaanse nationaliteit, V-nummer: [nummer],

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.44592

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),

en

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Procesverloop

1. Bij brief van 15 juli 2025 heeft de minister eiser laten weten dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025 en dat hij Nederland binnen 4 weken moet verlaten. In deze brief is verder uitgelegd wat dit voor eiser betekent.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van de minister van 15 juli 2025.

De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser het aan deze procedure verbonden verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft ingediend tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag van 31 mei 2023 en de jegens hem genomen terugkeerbesluiten van 23 augustus 2023 en 21 februari 2024. Deze besluiten staan daarom in rechte vast.

3. In de brief waarin de minister de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 beëindigt, is opgenomen dat de groep derdelanders die geen beroep hebben ingesteld tegen de terugkeerbesluiten, geen nieuwe terugkeerbesluiten zullen ontvangen. Nu eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de onder rechtsoverweging 2 genoemde besluiten, valt eiser onder deze groep. Uit de brief volgt ook dat deze groep per brief geïnformeerd wordt over de gevolgen van het eindigen van de bevriezingsmaatregel. Deze gevolgen zijn onder meer dat personen die tot deze groep behoren vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd hebben om Nederland zelfstandig te verlaten. Gedurende deze tijd bestaat er nog recht op opvang en (gemeentelijke) voorzieningen, maar mag de derdelander niet meer werken.

De rechtbank is van oordeel dat de brief van 15 september 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat hierin geen rechtsgevolgen zijn gelegen. De facultatieve tijdelijke bescherming voor de groep derdelanders is immers al per 4 maart 2024 geëindigd. Thans is de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 geëindigd, maar hierin ligt gelet op het voorgaande geen op rechtsgevolg gerichte beslissing. Het rechtsgevolg vloeit immers al voort uit de beëindiging per 4 maart 2024. Ook in de mededeling dat eiser moet terugkeren is geen rechtsgevolg gelegen, omdat dat al volgt uit het in rechte vaststaande terugkeerbesluit dat eerder aan eiser is opgelegd.

Eisers verwijzing naar de uitspraak van 23 april 2025 van de Afdeling treft geen doel, omdat eiser tegen de jegens hem genomen terugkeerbesluiten geen beroep heeft ingesteld waardoor deze besluiten onherroepelijk zijn geworden. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat uit de genoemde Afdelingsuitspraak de onrechtmatigheid van de terugkeerbesluiten jegens eiser volgt en dat de terugkeerbesluiten daarom niet langer zouden bestaan.

Nu de brief van 15 september 2025 geen rechtsgevolgen teweeg brengt, is er geen sprake van een besluit als bedoeld in 8:1 in samenhang met artikel 1:3. eerste lid, van de Awb. Daarom is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

De rechtbank overweegt tot slot dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft meegedeeld dat eiser over een verblijfsvergunning in Spanje beschikt. Nu de rechtbank ex tunc toetst en onbevoegd is om van het onderhavige beroep kennis te nemen, bestaat in deze procedure geen mogelijkheid om hierop in te gaan.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?