RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],van Turkse nationaliteit, V-nummer: [nummer],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26271
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom hij eisers gestelde seksuele gerichtheid niet geloofwaardig vindt en heeft eisers asielaanvraag kunnen afwijzen als ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij biseksueel is en vreest bij terugkeer gedood te worden door leden van een bepaalde stam. Eiser heeft vastgezeten omdat hij veroordeeld is voor afpersing met vrijheidsberoving van een lid van deze stam. Deze persoon is lid van een grote Koerdische stam en omdat er bloed heeft gevloeid, is er sprake van een bloedvete. Tussen eiser en de stamleden hebben meerdere incidenten plaatsgevonden. Volgens eiser worden in Turkije bloedvetes beslecht door mensen van beide families met elkaar te laten trouwen. Daarom is toen besloten dat eiser moest trouwen met een vrouw van deze stam. Later is eiser door zijn verloofde aangevallen en is hij vanwege dit incident veroordeeld tot twee maanden cel. Eiser vreest dat hij bij terugkeer opnieuw de gevangenis in moet, omdat hij het voorwaardelijke deel van zijn eerdere straf alsnog moet uitzitten.
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit, herkomst; 2. Seksuele geaardheid; 3. Problemen met de familie van [persoon].
De minister vindt asielmotieven 1 en 3 geloofwaardig, maar asielmotief 2, de seksuele geaardheid van eiser, niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen hierover niet onderbouwd met objectieve documenten. Verder verklaart eiser summier over zijn privéleven, gevoelens en zijn kennis van de LHBTI gemeenschap in Turkije en Nederland. Na verdere beoordeling van de geloofwaardig gevonden asielmotieven wijst, de minister de aanvraag van eiser af. Eisers vrees om door de stamleden om het leven te worden gebracht, is volgens de minister niet aannemelijk. Eiser is in 2016 voorwaardelijk vrijgelaten en heeft daarna nog vele jaren in Turkije doorgebracht zonder noemenswaardige incidenten tussen hem en de betreffende familie. Er doet zich volgens de minister dan ook geen asielgrond voor als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet (Vw).
De seksuele geaardheid
5. Eiser voert aan dat de minister zijn seksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig vindt. De minister heeft ten onrechte overwogen dat eiser summier heeft verklaard over zijn privéleven en gevoelens. Hoewel hij het niet gewend is hierover te spreken, is volgens eiser geen sprake van summiere verklaringen, gelet op zijn verklaringen dat hij er rond de puberteit achter kwam dat hij meer gevoelens heeft voor mannen dan voor vrouwen. Wel heeft hij af en toe seksueel contact met een vrouw en daarom omschrijft hij zichzelf als biseksueel. Niet valt in te zien waarom dit geen adequate beschrijving is van zijn biseksualiteit. Verder heeft eiser zowel in Turkije als in Nederland relaties met mannen (gehad) en heeft hij hier ook over verklaard. Zo heeft eiser over zijn eerste homoseksuele relatie in Turkije gezegd dat het een goed, kalm en geduldig persoon was en dat hij er lekkere gevoelens van kreeg. In de zienswijze vult eiser dit aan met dat zij samen mooie dingen hebben ervaren en dat hij veel van hem hield. Eiser geeft aan niet te weten hoe hij het nog meer kan verwoorden. Om zijn huidige relatie in Nederland te onderbouwen, heeft eiser een foto van hem met deze man overgelegd. Daarnaast voert eiser aan dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij summier verklaart over zijn kennis van de LHBTI-gemeenschap in Turkije en Nederland. Eiser heeft tenslotte verklaard dat er in de LHBTI facebookgroep in Turkije met elkaar kennis wordt gemaakt en wordt verteld over de problemen die mensen hebben vanwege hun geaardheid. Verder heeft hij verklaard te weten dat in Nederland homoseksuelen veel rechten hebben en dat zij kinderen kunnen krijgen.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers seksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eiser somt op wat hij heeft verklaard over zijn gerichtheid in de verhoren, maar onderbouwt niet waarom de motivering van de minister dat hij te summier heeft verklaard, niet toereikend is. Verder heeft de minister eiser niet hoeven volgen in zijn stelling dat hij summier verklaarde omdat hij niet gewend is te spreken over zijn gevoelens en relaties. Eiser heeft namelijk zelf verklaard dat hij er zonder problemen over kan praten. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat van eiser verwacht mag worden dat hij meer kan vertellen over zijn eerste homoseksuele relatie in Turkije. Dat eiser dat onvoldoende heeft gedaan mag hem worden tegengeworpen. Het is immers aan eiser om met zijn verklaringen zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Dat eiser in de zienswijze met nieuwe informatie komt, verandert de geloofwaardigheid van het asielmotief niet. De minister heeft mogen overwegen dat eisers verklaringen in dit verband ongeloofwaardig zijn. Ook heeft de minister mogen vinden dat de door eiser overgelegde foto niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde biseksualiteit. Uit de foto is immers niet op te maken wie de persoon op de foto is en wat de relatie van eiser met deze persoon is. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser te weinig weet te verklaren over de LHBTI situatie in Turkije en Nederland. Eiser blijft algemeen en maakt de gevoelens niet concreet en persoonlijk.
De problemen met de stamleden
6. Eiser voert aan dat de minister zijn vrees om bij terugkeer door de stamleden te worden gedood, ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht. De grote Koerdische stam waarmee hij in een bloedvete verwikkeld is, weet hem overal te vinden. Zo hebben ze eiser ook bedreigd in de gevangenis en zijn nieuwe huisadres achterhaald. Om de bloedvete te beslechten is besloten dat eiser moest trouwen met een vrouw van deze stam. Eiser wilde niet met haar trouwen, maar werd gedwongen. Hij had continu ruzie met zijn verloofde en is ook een keer door haar aangevallen. Eiser heeft meerdere malen geprobeerd bescherming te krijgen van de lokale autoriteiten, maar stelt dat de overheid hem niet wil of kan beschermen tegen de stamleden. Bij de politie kreeg hij geen gehoor en werd hij niet serieus genomen vanwege zijn antecedenten.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister eisers problemen met de stamleden (asielmotief 3) geloofwaardig vindt, maar eisers vrees om bij terugkeer door de stamleden te worden gedood niet aannemelijk acht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op dit standpunt gesteld. Allereerst heeft de minister kunnen overwegen dat eiser niet heeft aangetoond dat de personen met wie hij problemen had in de gevangenis, daadwerkelijk leden van deze stam zijn. Hierbij heeft de minister ook mogen betrekken dat eiser in 2016 voorwaardelijk is vrijgelaten en daarna nog vele jaren in Turkije heeft verbleven zonder noemenswaardige incidenten tussen hem en de stamleden. Tot slot heeft de minister er op kunnen wijzen dat de Turkse rechtsstaat kan voorzien in eisers behoefte om aangifte te doen tegen de stamleden en eventuele schuldigen kan vervolgen en bestraffen. Nergens blijkt uit dat de Turkse autoriteiten eiser niet willen of kunnen beschermen. Eiser heeft dit ook niet wezenlijk betwist. Commuun delict
7. Nu eiser vanwege het incident met zijn verloofde een straf opgelegd heeft gekregen, zal hij bij terugkeer het voorwaardelijke deel van zijn straf voor de afpersing en vrijheidsberoving alsnog moet uitzitten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden overwogen dat dit niet betekent dat hij moet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Internationale bescherming kan niet worden verleend om aan een straf die is opgelegd vanwege het plegen van een commuun delict te ontkomen. Dat kan anders zijn als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij op disproportionele of discriminatoire gronden wordt vervolgd. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat dit bij hem het geval zal zijn. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op basis van zijn persoonlijke situatie een zwaardere straf krijgt dan ieder ander voor het door hem beschreven delict in Turkije en op goede gronden eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het terugkeerbesluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.