RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47814
(gemachtigde: mr. T. Volckmann),
en
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de voogd van eiser niet hoeven inlichten over het nader gehoor. Eiser heeft geen verschoonbare reden opgegeven waardoor hij niet is verschenen op de gesprekken voor het medisch advies, waardoor de minister geen medisch advies kon opstellen. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van adequate opvang bij terugkeer van eiser naar Marokko. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat een beschrijving van het asielrelaas en onder 4 waarom de minister de asielaanvraag heeft afgewezen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 18 mei 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld en de zaak toen aangehouden. De rechtbank heeft op 15 december 2025 de zaken weer op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 2008 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. In Marokko werd eiser door zijn vader structureel mishandeld. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Marokko als een slaaf voor zijn vader moet werken, anders is hij bang dat zijn vader hem zal doden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met vader.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De identiteit van eiser is niet geloofwaardig geacht, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en hiervoor geen goede verklaring heeft. Ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. De minister beoordeelt de geloofwaardigheid van het tweede relevante element niet op grond van paragraaf C1/4.1, vijfde en zesde lid, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Hierbij stelt de minister zich op het standpunt dat ook wanneer het tweede relevante element geloofwaardig wordt geacht, dit motief hoe dan ook geen aanleiding geeft tot het verlenen van een asielvergunning, omdat zijn vrees onvoldoende zwaarwegend is. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Had de minister de voogd van eiser de gelegenheid moeten geven om bij het nader gehoor aanwezig te zijn?
5. Eiser betoogt dat de minister de voogd van eiser ten onrechte niet op de hoogte heeft gesteld van het nader gehoor van eiser. Het nader gehoor van eiser is afgenomen toen eiser in detentie zat. Gezien het feit dat het hier een gedetineerde minderjarige in een afhankelijke positie betreft weegt het zwaar dat de voogd van eiser niet in de gelegenheid is gesteld om bij het nader gehoor aanwezig te zijn. Hierbij verwijst eiser naar de Werkinstructie (WI) 2025/1 van de minister, waaruit volgt dat Nidos nadrukkelijk de ruimte wordt geboden om bij het aanmeld- en schouwgehoor aanwezig te zijn, hetgeen naar analogie moet worden toegepast bij een nader gehoor. Eiser stelt dat tevens artikel 25 van de Procedurerichtlijn en artikel 22 van het IVRK een grondslag biedt voor zijn standpunt dat Nidos uitgenodigd moest worden voor het nader gehoor.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat op hem geen verplichting rust om de voogd van eiser uit te nodigen voor het nader gehoor. De WI legt enkel de verplichting op om de voogd van een minderjarige uit te nodigen voor het schouw- en aanmeldgehoor. Tijdens het aanmeldgehoor is een medewerker van Nidos aanwezig geweest. De door eiser gestelde omstandigheden, waaronder zijn referentiekader, zijn achtergrond en problematiek, maakt het voorgaande oordeel niet anders, waarbij de rechtbank tevens meeneemt dat de minister terecht heeft gesteld dat het feit dat eiser is gehoord in een detentiecentrum niet betekent dat de procedurele waarborgen zijn geschonden. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat hij ook op grond van artikel 25 van de Procedurerichtlijn, zoals uitgewerkt in artikel 4.109d, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), niet verplicht is Nidos uit te nodigen voor het nader gehoor. Uit artikel 25 lid 1 onder b van de Procedurerichtlijn volgt dat de vertegenwoordiger en/of juridische adviseur of andere raadsman op de hoogte dient te worden gesteld dat er een nader verhoor wordt gehouden en dat de minderjarige wordt voorbereid op dit gehoor, wat in dit geval (onbetwist) is gebeurd. Uit deze bepaling volgt derhalve niet dat iedere bij eiser betrokken partij, waaronder Nidos, dient te worden geïnformeerd. De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij ook niet op grond van artikel 22 van het IVRK (verder uitgewerkt in General Comment nr. 6) verplicht is om Nidos uit te nodigen voor het nader verhoor. Deze bepalingen werken niet rechtstreeks, nu ze te algemeen zijn geformuleerd.
Is er ten onrechte geen medisch advies opgesteld?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen medisch advies heeft laten opstellen. Het is niet aan eiser te verwijten dat hij niet is verschenen bij de afspraken voor het medisch onderzoek, omdat eiser toen in strafrechtelijke detentie zat. Gezien het verloop van de strafrechtelijke procedure was eiser ook al in strafrechtelijke detentie op het moment dat de uitnodigingen aan hem zijn verzonden. Eiser heeft daarom geen gehoor kunnen geven aan de oproepen voor het medisch onderzoek.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat geen medisch advies is opgesteld omdat eiser niet is verschenen op de afspraken bij MedTadvies en dat het zijn verantwoordelijkheid is om op afspraken te verschijnen. Aan eiser is namelijk op 3 januari 2025 een uitnodiging verstuurd voor een afspraak bij MedTadvies op 20 januari 2025, waarbij eiser niet is verschenen. Voorts is op 6 februari 2025 een uitnodiging aan hem verstuurd voor een afspraak op 24 februari 2025, waarbij eiser ook niet is verschenen. Uit de door de minister bij briefverweer overgelegde justitiële documentatie van eiser blijkt dat eiser vanaf 27 februari 2025 gedetineerd was, hetgeen op zitting door zijn gemachtigde niet is betwist. Dat betekent dat eiser ten tijde van de eerste afspraak op 20 januari 2025 en de uitnodiging voor de tweede afspraak niet in strafrechtelijke detentie verbleef. Eiser heeft verder geen verschoonbare reden aangedragen waarom hij niet is verschenen op de afspraken.
Mocht de minister Marokko als veilig land van herkomst aanmerken?
7. Eiser betoogt dat de minister Marokko niet kan aanmerken als een veilig land van herkomst, waardoor aan eiser hoe dan ook geen terugkeerbesluit naar Marokko kon worden opgelegd.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het betoog van eiser dat Marokko ten onrechte als veilig land van herkomst is aangemerkt in dit kader niet van belang is. Dit staat namelijk los van de vraag of aan eiser een terugkeerbesluit naar Marokko mocht worden opgelegd. Ook is dit niet ten grondslag gelegd aan de afdoening van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat sprake is van adequate opvang voor eiser bij terugkeer naar Marokko?
8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de adequate opvang van eiser bij terugkeer naar Marokko. Eiser verwijst hierbij naar het arrest TQ van het Hof van Justitie. Het enkele feit dat eiser contact heeft met zijn moeder is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van adequate opvang. De moeder van eiser verblijft nu bij haar ouders, waarvan eiser expliciet heeft aangegeven dat hij daar niet welkom is. Aangezien de vader van eiser heeft gedreigd om hem te vermoorden kan een verblijf van eiser bij zijn vader niet worden gezien als adequate opvang. Eiser verwijst in dit kader naar een rapport, waaruit volgt dat er een geringe protectie tegen huiselijk geweld tegen vrouwen en kinderen is in Marokko.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat voor eiser sprake is van adequate opvang bij terugkeer naar Marokko. Vanaf de asielaanvraag van eiser heeft de minister onderzoek gedaan naar eventuele opvangmogelijkheden voor eiser in Marokko. Tijdens het aanmeldgehoor is gebleken dat eiser twee dagen voor het gehoor nog contact had met zijn moeder. Tijdens het nader gehoor heeft eiser aangegeven dat hij dagelijks contact met zijn moeder heeft via Whatsapp. Eiser heeft bovendien aangegeven dat zijn moeder in Fez woont. Eiser heeft niet betwist dat zijn moeder inmiddels weg is uit de gewelddadige situatie met de vader van eiser en daarom geen adequate opvang kan bieden. Voorts heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser enkel heeft gesteld dat hij niet welkom is in Marokko, maar dit standpunt niet heeft onderbouwd, zodat de minister daar niet van uitgaat. Ook heeft de minister in reactie op de verwijzing naar het TQ-arrest mogen stellen dat niet is gebleken van een bijzondere kwetsbaarheid. De minister heeft, gezien bovenstaande bevindingen, dusdanig onderzoek gedaan om vast te kunnen stellen dat eiser contact heeft met zijn moeder, zodat eiser zijn moeder kan bellen om te vragen waar zij verblijft. Om die reden is voor eiser adequate opvang aanwezig in Marokko. Ten aanzien van het betoog van eiser over de bescherming tegen huiselijk geweld in Marokko heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat Marokko het Verdrag inzake de rechten van het kind heeft ondertekend en dat Marokko aldus verplicht is tot het nemen van maatregelen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.