RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaken tussen
[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.57550 en NL25.57555
[eiseres], v-nummer: [nummer 2], eiseres,
mede namens haar kinderen:
[naam kind 1], v-nummer: [nummer 3],
[naam kind 2], v-nummer: [nummer 4],
[naam kind 3], v-nummer: [nummer 5]
(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),
en
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 20 november 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaken
Eerdere asielaanvragen
3. Eisers stellen van Oekraïense nationaliteit te zijn. Zij hebben op 26 december 2023 voor het eerst asiel aangevraagd. Zij stellen dat zij zijn gevlucht vanwege de oorlog in Oekraïne. Deze aanvragen zijn op 27 mei 2024 buiten behandeling gesteld, omdat eisers met onbekende bestemming zijn vertrokken. Aan eisers is een terugkeerbesluit opgelegd met de aanzegging dat zij Nederland onmiddellijk moeten verlaten. Daarbij is ook een inreisverbod uitgevaardigd aan eisers.
Op 24 december 2024 hebben eisers opnieuw asiel aangevraagd. Deze aanvraag is op 6 februari 2025 niet inhoudelijk behandeld, omdat eisers de asielaanvraag hebben ingetrokken.
Eisers hebben vervolgens op 18 april 2025 voor de derde keer asiel aangevraagd. Op 16 juni 2025 is verder het eerder opgelegde terugkeerbesluit alsmede het inreisverbod opgeheven. Op 24 juni 2025 heeft de minister de aanvraag van eisers buiten behandeling gesteld, omdat zij met onbekende bestemming zijn vertrokken.
Huidige asielaanvragen
Op 3 september 2025 hebben eisers hun huidige (vierde) asielaanvraag ingediend. Zij hebben verklaard dat zij de Oekraïense nationaliteit hebben en tot de Moldavische dan wel Oekraïense bevolkingsgroep behoren. Zij hebben verder verklaard dat zij Oekraïne hebben verlaten vanwege de algemene oorlogssituatie en nadat hun huis is gebombardeerd. Eisers kunnen door de oorlog niet meer terug. Daarnaast stelt eiseres, ondanks haar Moldavische partner, niet naar Moldavië te kunnen, omdat zij daar niets heeft.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister het volgende asielmotief:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het asielmotief geloofwaardig is. De minister stelt zich echter op het standpunt dat eisers geen vluchtelingen zijn, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Volgens de minister blijkt uit de verklaringen van eiseres niet dat eisers een gegronde vrees voor vervolging hebben. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eisers een reëel risico op ernstige schade lopen. Eisers hebben namelijk de Moldavische nationaliteit, aangezien de ouders van eiseres de Moldavische nationaliteit hebben. De minister heeft de asielaanvragen afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister ervan mogen uitgaan dat eisers de Moldavische staatsburgerschap kunnen verkrijgen?
Moldavisch staatsburgerschap
5. Eisers betogen dat de minister ten onrechte ervan uitgaat dat zij de Moldavische nationaliteit kunnen verkrijgen. Volgens hen is het ius sanguinis-beginsel niet op eiseres van toepassing, omdat zij in Oekraïne is geboren en de Oekraïense nationaliteit heeft. Eiseres kan het Moldavisch staatsburgerschap niet van rechtswege verkrijgen. Verder baseert de minister zich ten onrechte op artikel 12 lid 1 van de Wet op het staatsburgerschap. Eiseres valt niet onder de eerste optie van dat artikel omdat, hoewel haar ouders beiden over de Moldavische nationaliteit beschikken, op geen enkele wijze uit het dossier duidelijk is waar haar ouders, op welk moment, hebben gewoond voor 28 juni 1940. Daar komt bij dat eiseres nooit in Moldavië is geweest, waardoor het onmogelijk is dat zij en haar ouders op 5 juni 1991 op het grondgebied van Moldavië woonachtig waren. De minister stelt verder ten onrechte dat eiseres het Moldavisch staatsburgerschap zou kunnen verkrijgen op basis van artikel 12 lid 2 van de Wet op het Staatsburgerschap, omdat dat artikel vereist dat de ouders van eiseres in Moldavië geboren zijn en niet duidelijk is op welke wijze de ouders van eiseres hun Moldavische nationaliteit hebben verkregen. De bewijslast ligt volgens eisers bij de minister. Tot slot voeren eisers aan dat eiser geen echtgenoot van eiseres is, waardoor eiseres wel de Moldavische nationaliteit zou kunnen verkrijgen.
Uit het Thematisch ambtsbericht staatsburgerschap- en vreemdelingenwetgeving in Moldavië en Oekraïne van juni 2024 (ambtsbericht) blijkt dat op grond van artikel 11, eerste lid, onder a, van de Wet op de staatsburgerschap een kind geboren uit minimaal één Moldavische ouder van rechtswege het Moldavisch staatsburgerschap verkrijgt (ius sanguinis). Volgens artikel 12 van de Wet op het staatsburgerschap kan het Moldavisch staatsburgerschap worden verkregen door vaststelling op basis van territoriale binding. Het gaat hierbij om mensen die zelf zijn geboren in Moldavië (artikel 12, eerste lid) of hun (in het buitenland geboren en daar verblijvende) nazaten tot aan de derde generatie (artikel 12, tweede lid). Ook mensen die kunnen aantonen in een bepaalde periode in Moldavië te hebben gewoond, kunnen in aanmerking komen voor het Moldavisch staatsburgerschap, evenals hun nakomelingen.
De rechtbank stelt vast dat in ieder geval de moeder van eiseres en de partner van eiseres de Moldavische nationaliteit hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres de Moldavische nationaliteit kan laten vaststellen. Uit artikel 12, eerste lid, van de Wet staatsburgerschap volgt dat het mogelijk is om het Moldavisch staatsburgerschap te laten vaststellen zonder dat hoofdverblijf in Moldavië vereist is. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat de moeder van eiseres de Moldavische nationaliteit bezit. Daarnaast geldt voor eiser dat hij al over de Moldavische nationaliteit beschikt. Verder is niet gebleken dat het voor eiseres niet mogelijk is om de Moldavische nationaliteit te verkrijgen, aangezien zij niet heeft geprobeerd om de Moldavische nationaliteit te laten vaststellen. Verder blijkt buiten artikel 12, eerste lid, van de Wet staatsburgerschap ook de mogelijkheid in het tweede lid voor vaststelling staatsburgerschap van wie tenminste één ouder, grootouder of overgrootouder is geboren op Moldavisch grondgebied. De enkele stelling dat niet duidelijk is waar de ouders van eiseres hebben gewoond en wanneer, maakt dat niet anders. Uit het ambtsbericht blijkt dat afwijzingsgronden voor verkrijging van het staatsburgerschap beperkt zijn tot bezwaren zoals openbare orde, het verstrekken van valse gegevens, het achterhouden van relevante gegevens of het anderszins niet voldoen aan de wettelijke vereisten. Niet is gebleken dat eisers op grond van het voorgaande zouden worden afgewezen bij een verzoek tot vaststelling van het Moldavisch staatsburgerschap. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseres twee mogelijkheden heeft om het Moldavisch staatsburgerschap te laten vaststellen op grond van artikel 12 van de Wet staatsburgerschap. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiseres in aanmerking kan komen voor de mogelijkheid om het Moldavisch staatsburgerschap te verkrijgen op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wet staatsburgerschap, zodat wat eisers aanvoeren in het kader van het overgangsrecht niet anders maakt dat zij de Moldavische staatsburgerschap kunnen verkrijgen op grond van het eerste lid van voorgenoemd artikel.
Sociaal netwerk
6. Eisers voeren verder aan dat de minister ten onrechte voorbij gaat aan de omstandigheid dat zij in Moldavië niet beschikken over een sociaal netwerk. Ook voert eiser aan dat de enkele situatie dat hij de Moldavische nationaliteit heeft, niet automatisch tot gevolg heeft dat hij voldoende binding zou hebben met Moldavië. De enige reden dat eiser de Moldavisch nationaliteit heeft, is om te voorkomen dat hij zou worden opgeroepen voor het leger in Oekraïne.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers onvoldoende onderbouwd hebben dat zij geen binding hebben met Moldavië. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser een Moldavisch staatsburger is en in het bezit is van een Moldavisch paspoort. Dat eiser daar geruime tijd niet heeft verbleven is onvoldoende om te concluderen dat hij geen binding heeft met Moldavië. Wat eiser hierover heeft verklaard, namelijk dat hij alleen een paspoort heeft, omdat hij niet het leger in wilde in Oekraïne en hij maar acht dagen in Moldavië heeft verbleven en dat hij verder geen familie, huisvesting of sociaal netwerk heeft in Moldavië, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat het voor eisers niet mogelijk is om zich te handhaven in Moldavië. De beroepsgronden slagen niet.
Heeft de minister de vrees van eisers dan wel het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Moldavië terecht niet aannemelijk geacht?
7. Eisers voeren – gelet op het voorgaande – aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat zij geen vluchtelingen zijn als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers hun vrees bij terugkeer voor ernstige schade dan wel vervolging niet aannemelijk hebben gemaakt. De verklaringen van eisers ten aanzien van de stelling dat zij Oekraïne hebben verlaten vanwege de algemene oorlogssituatie, heeft niet tot gevolg dat zij niet terug kunnen naar Moldavië. Bovendien zien de verklaringen van eiser op sociaal economische motieven. Wat eiser naar voren heeft gebracht, ziet niet op asielgerelateerde motieven. Daar komt bij dat eisers, gelet op wat hiervoor is overwogen, in aanmerking kunnen komen voor het Moldavisch staatsburgerschap. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers zich bij toekomstige problemen tot de Moldavische autoriteiten kunnen wenden voor hulp en/of bescherming. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.