ECLI:NL:RBDHA:2026:9149

ECLI:NL:RBDHA:2026:9149

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 09-286039-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Vrijspraak medeplegen poging doodslag en medeplegen zware mishandeling. Veroordeling medeplegen poging zware mishandeling. Verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 60 dagen met aftrek, waarvan 19 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Daarnaast oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr) voor de duur van 2 jaar, inhoudende een contact- en locatieverbod. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij. Gebruik Rotterdamse schaal bij bepalen immateriële schade. Opheffen geschorst bevel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09-286039-24

Datum uitspraak: 9 april 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 23 maart 2026. Het onderzoek ter terechtzitting is formeel gesloten op 26 maart 2026.

De officier van justitie in deze zaak is mr. D.F.R. de Vrught en de raadsman van de verdachte is mr. T. Kocabas te Zoetermeer. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er - kort gezegd - op neer dat de verdachte zich primair samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Subsidiair wordt de verdachte ervan verdacht dat hij zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling en meer subsidiair aan een poging daartoe.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 september 2024 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [aangever], opzettelijk van het leven te beroven die [aangever],- heeft getackeld, althans op de grond heeft geduwd en/of- meermalen op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of- meermalen op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt en/of geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 4 september 2024 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofdletsel en/of een (zware) hersenschudding, heeft toegebracht, door die [aangever]- te tackelen, althans op de grond te duwen en/of- meermalen op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of- meermalen op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 4 september 2024 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever],- heeft getackeld, althans op de grond heeft geduwd en/of- meermalen op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of- meermalen op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt en/of geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Voor zover relevant zullen de verweren van de raadsman hieronder nader worden besproken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde op de zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Tussen de aangever en de verdachten – en dan met name met [verdachte] – is al langere tijd sprake van ruzie en gedoe. Op 5 september 2024 zijn zij elkaar tegengekomen in de buurt van [schoolnaam] in Zoetermeer. De aangever en de verdachte voeren een kort gesprek, waarna een eerste klap wordt uitgedeeld door de verdachte, die een Gucci pet draagt. De aangever rent vervolgens weg door een tunneltje richting [schoolnaam] en wordt door drie jongens achtervolgd, waaronder de verdachte en de medeverdachte. De aangever komt vervolgens op de grond terecht. Terwijl hij op de grond in een foetushouding ligt en zijn hoofd probeert te beschermen, wordt hij door deze jongens tegen zijn hoofd en lichaam geschopt en geslagen. Een omstander ziet het incident gebeuren en schreeuwt dat de jongens moeten ophouden, waarna de jongens stoppen en wegrennen. De aangever blijft bewusteloos op de grond liggen en heeft letsel aan zijn gezicht en armen.

Vrijspraak poging doodslag

Anders dan de officier van justitie, vindt de rechtbank niet dat deze geweldshandelingen als poging tot doodslag kunnen worden gekwalificeerd en zal de verdachte daarvan vrijspreken. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat er meermaals tegen het hoofd van het slachtoffer is geschopt. Hoewel het beeld van schoppen tegen het hoofd indringend en heftig overkomt, zoals door de getuigen ook is beschreven als het ‘tegen een voetbal aantrappen, zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er een aanmerkelijke kans was op de dood van de aangever. Onduidelijk is bijvoorbeeld met welke kracht er door de verdachten is geschopt, terwijl wel vaststaat dat er met gympen en niet met hard schoeisel is geschopt. Daar komt bij dat het letsel van het slachtoffer een contra-indicatie vormt voor een aanmerkelijke kans op de dood, nu uit de medische verklaring blijkt dat bij het slachtoffer sprake was van licht hoofdletsel, namelijk een lichte hersenschudding en schaafwonden op de linkerwenkbrauw en lip. Weliswaar is het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam en zijn de hersenen een belangrijk orgaan die vitale functies van het menselijk lichaam, zoals de bloedsomloop en ademhaling, aansturen. Echter, juist om die reden worden de hersenen door een sterke schedel, met het gelaat als kreukelzone, op natuurlijke wijze beschermd tegen de meeste van buitenaf komende krachten. Bovendien zal een enkele beschadiging van de hersenen niet per definitie leiden tot de dood. De dood zal alleen dan intreden als het gehele orgaan uitvalt en de vitale functies niet vervangen kunnen worden. Op basis van het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat door het handelen van de verdachten sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Gelet op hierop, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Vrijspraak zware mishandeling

De rechtbank is daarnaast ook van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, hetgeen subsidiair ten laste is gelegd. Uit de medische verklaring blijkt dat het slachtoffer een lichte hersenschudding, schaafwonden bij zijn linkerwenkbrauw en lip, een kneuzing en een schaafwond aan zijn rechterelleboog en een kneuzing aan zijn linkeronderarm heeft opgelopen. Volgens die verklaring wordt volledig herstel binnen enkele weken tot maanden verwacht. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard van het letsel, het gebrek aan de noodzaak tot medisch ingrijpen en het volledig fysieke herstel, in samenhang bezien met de door de Hoge Raad (3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051) geformuleerde criteria voor zwaar lichamelijk letsel, voornoemd letsel niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde feit.

Poging zware mishandeling

De rechtbank is, anders dan door de raadsman betoogd, wel van oordeel dat de verdachte heeft geprobeerd om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en overweegt daartoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op grond van de inhoud van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Daarvoor is van doorslaggevend belang of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg, in dit geval het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, door zijn handelen zou intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en aan de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het slachtoffer meermaals heeft geschopt en geslagen tegen het hoofd en het lichaam, terwijl het slachtoffer (bewusteloos) op de grond lag en zich daartegen niet kon verweren. De getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] beschrijven ieder afzonderlijk dat er drie jongens achter het slachtoffer aanrennen en dat, zodra het slachtoffer op de grond ligt, deze drie jongens op het slachtoffer inschoppen en -slaan. Deze verklaringen zijn direct na het incident ter plaatse afgelegd, en komen, zeker waar het de geweldshandelingen betreft, grotendeels met elkaar overeen én met hetgeen het slachtoffer in zijn aangifte heeft verklaard. Daar komt bij dat het letsel van het slachtoffer, namelijk de schaafwonden in zijn gezicht en op zijn armen en elleboog, past bij de gepleegde geweldshandelingen, nu het slachtoffer tegen zijn hoofd is geschopt en hij zijn armen en ellebogen heeft gebruikt in een poging zijn hoofd daartegen te beschermen. Het gezicht – als onderdeel van het hoofd – is zoals hiervoor overwogen een kwetsbaar deel van het lichaam, waarbij er zwaar lichamelijk letsel, aan bijvoorbeeld de ogen of kaak, kan optreden. De hiervoor genoemde omstandigheden zijn volgens de rechtbank voldoende om vast te kunnen stellen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdachte heeft door zijn gedragingen, zoals hiervoor beschreven, die kans aanvaard en dus voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Medeplegen

Voor een bewezenverklaring van medeplegen dient volgens vaste rechtspraak vast komen te staan dat bij het begaan van het strafbare feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat sprake is van medeplegen kan niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat drie jongens (waaronder de verdachte) die elkaar kennen, achter het slachtoffer aanrennen en, zodra het slachtoffer op de grond ligt, dat er fors geweld wordt gebruikt door deze drie jongens. De geweldshandelingen volgen elkaar in zeer korte tijd op en bestaan uit slaan en schoppen tegen het hoofd en het lichaam van het slachtoffer. Uit niets in het dossier blijkt dat één van de jongens zich gedistantieerd heeft van het geweld of heeft geprobeerd het geweld te stoppen. Dit gebeurt pas als een omstander naar hen schreeuwt dat de jongens moeten stoppen. Dat er geen sprake geweest zou zijn van een gezamenlijk plan om het slachtoffer aan te vallen, doet volgens de rechtbank aan het gezamenlijk optreden van de drie jongens zoals hiervoor uiteen is gezet, niets af. De rechtbank is daarom, gelet op de gezamenlijke uitvoering, van oordeel dat verdachte nauw en bewust met de anderen heeft samengewerkt en hierbij een wezenlijke en substantiële bijdrage aan het toegepaste geweld heeft geleverd.

Conclusie

De rechtbank is met betrekking tot het meer subsidiaire ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 5 september 2024 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever], - meermalen op/tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en- meermalen op/tegen het hoofd en het lichaam heeft getrapt of geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De op te leggen straffen en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 80 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 39 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van een contactverbod met de aangever en een locatieverbod rondom [schoolnaam]. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf in de vorm van een werkstraf gevorderd van 80 uren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat in geval van een bewezenverklaring van een van de ten laste gelegde feiten er geen langere onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf dan de duur van het voorarrest dient te worden opgelegd. Daarnaast heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit De verdachte heeft zich als zeventienjarige schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft samen met twee anderen in de omgeving van [schoolnaam] op klaarlichte dag het slachtoffer geschopt en geslagen tegen zijn hoofd en lichaam, terwijl het slachtoffer weerloos (en bewusteloos) op de grond lag. Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van het gebeurde kunnen ondervinden. Bovendien zorgen dergelijke incidenten voor angst en onrust in de maatschappij, in het bijzonder bij de mensen die dit hebben zien gebeuren. Dat dit incident een psychische impact heeft gehad op aangever volgt ook uit zijn vordering tot schadevergoeding en uit zijn slachtofferverklaring, die ter terechtzitting door zijn moeder is voorgedragen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 september 2024 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dit heeft verder geen invloed op de strafoplegging, omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 23 februari 2026 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige op de zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de verdachte aan zijn leven in de afgelopen periode een positieve draai heeft gegeven: hij gaat naar school en naar zijn stage, hij heeft een bijbaan, hij is een eigen bedrijf gestart en hij maakt plannen voor een vervolgstudie. Daarnaast heeft de verdachte zich gedurende het reclasseringstoezicht begeleidbaar opgesteld, hij is de gemaakte afspraken nagekomen en heeft opengestaan voor feedback. De ouders van de verdachte zijn zeer betrokken en motiveren hem om te werken aan een goede toekomst. Het voorgaande maakt dat het recidiverisico laag is. Desondanks maakt de Raad zich zorgen over het feit dat de verdachte wordt verdacht van zo’n ernstig feit en welke gevolgen dat heeft voor zijn geweten als hij hiervoor eventueel wordt veroordeeld. De Raad ziet echter geen verdere begeleidingsdoelen meer en adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, en daarnaast een geldboete.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met ongeveer 2,5 maand overschreden, nu de termijn is gaan lopen op moment van aanhouding, zijnde 6 september 2024. De rechtbank zal volstaan met deze constatering en dit niet in strafmatigende zin meewegen, nu de overschrijding beperkt is.

Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen, waarin voor zware mishandeling door middel van schoppen/trappen drie maanden jeugddetentie als uitgangspunt is vermeld.

Gelet op de ernst van het feit en het aan het slachtoffer toegebrachte leed, is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie van enige duur en een taakstraf in de vorm van een werkstraf. De rechtbank zal een jeugddetentie opleggen van 60 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 19 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, omdat de rechtbank het belangrijk vindt dat de verdachte geen contact meer heeft met de aangever en niet in de omgeving van zijn school komt, mede gelet op de reeds langlopende ruzie. De vrijheidsbeperkende maatregel houdt in een contactverbod met de aangever en een locatieverbod van 500 meter rondom [schoolnaam], locatie Zoetermeer. De rechtbank legt deze maatregel op voor de duur van twee jaar en bepaalt dat de duur van de vervangende jeugddetentie van een week bedraagt voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden. Daarbij zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen van 80 uren, zodat de verdachte ervaart wat de consequenties zijn van zijn gedrag.

7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever], ter terechtzitting bijgestaan door mr. I.K. Oosterveen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 33.143,64, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 23.143,64 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht,.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met de opmerking dat zij zich kan voorstellen dat de vordering tot schadevergoeding een onevenredige belasting van het strafproces is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de kleding (behalve de rugtas), het eigen risico behorend bij de zorgverzekering over 2024 en 2025 en de taxikosten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het eigen risico over 2026 stelt de raadsman zich op het standpunt dat dat deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat dit toekomstige schade betreft. Ook de schoolkosten en de kosten ten aanzien van de studievertraging dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd en nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Tevens ontbreekt volgens de raadsman het causale verband tussen het incident en de gevorderde schade.

De raadsman stelt verder dat de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd en dat daarom ook dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair wordt verzocht de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 1.000,-.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Kleding

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Zijn kleding is als gevolg van het incident door het ambulancepersoneel opengeknipt, zodat hij medisch behandeld kon worden. Dit deel van de vordering is ook niet betwist door de verdediging. De vordering zal dus worden toegewezen tot een bedrag van € 348,-.

Ten aanzien van de rugtas, ter vergoeding waarvan een bedrag van € 40,- wordt gevorderd, overweegt de rechtbank dat uit de toelichting op de vordering niet blijkt dat de rugtas beschadigd dan wel onbruikbaar is geraakt door het incident. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

Taxikosten, eigen risico 2024 en 2025

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten taxikosten en het eigen risico 2024 en 2025, is namens de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag (taxikosten € 91,85, eigen risico 2024 € 265,70 en eigen risico 2025 € 10,84). Dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Eigen risico 2026

Ten aanzien van het eigen risico 2026 stelt de rechtbank vast dat op dit moment onduidelijk is of, en zo ja in welke omvang, die schade zich zal verwezenlijken en aan de verdachte zal kunnen worden toegerekend. Begroting van deze mogelijk toekomstige schade levert, bij gebrek aan onderbouwing en gelet op de betwisting, een te grote belasting op voor het strafproces en daarom zal dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schoolkosten en studievertraging

De rechtbank zal de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de schoolkosten en de studievertraging. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd, mede omdat onduidelijk is gebleven wat de belastbaarheid van de benadeelde partij was voor het incident. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het bovenstaande brengt met zich mee dat de rechtbank in totaal een bedrag van € 716,39 zal toewijzen als vergoeding van de materiële schade.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en zijn lichamelijke integriteit.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd wat de gevolgen van het strafbare feit zijn geweest. Uit de vordering tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde partij tot op heden zeer angstig is, niet alleen over straat durft en last heeft van nachtmerries en flashbacks. Daar komt bij dat hij is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) en in behandeling is (geweest) bij een psycholoog.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.

De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.

De Rotterdamse schaal bevat een richtlijn voor ‘PTSS’. De rechtbank neemt de binnen de categorie ‘PTSS’ genoemde bandbreedte van € 5.500 - € 16.000 als uitgangspunt. In dit geval blijkt uit de vordering tot schadevergoeding dat het leven van de benadeelde partij als gevolg van het incident deels stil is komen te liggen. Hij heeft zijn schooljaar niet volledig kunnen volgen en kampt nog steeds met psychische klachten. De benadeelde partij heeft behandeling gehad bij een psycholoog en is doorverwezen naar de specialistische GGZ.

Gelet op deze omstandigheden en de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 6.000,- billijk is. Het meer gevorderde wordt niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal de vordering van [aangever] toewijzen tot een bedrag van in totaal € 6.716,39, bestaande uit € 716,39 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 5 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan [aangever] is toegebracht.

De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.716,39, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 september 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever]. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 38v, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

medeplegen poging tot zware mishandeling;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straffen en maatregel

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 60 (ZESTIG) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 41 (eenenveertig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt de verdachte voorts tot;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, zijnde 19 (negentien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op een jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 80 (TACHTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (VEERTIG) DAGEN;

bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van twee jaar, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

met bevel dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor de duur van een week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij met betrekking tot de kleding (behalve de rugtas), het eigen risico van 2024 en 2025 en de taxikosten toe tot een bedrag van € 716,39 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover van 5 september 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever];

wijst af de vordering van de benadeelde partij voor zover deze ziet op de kosten voor de rugtas;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor zover de vordering ziet op het eigen risico 2026, de schoolkosten en de kosten ten aanzien van de studievertraging;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij met betrekking tot de gestelde immateriële schade gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 6.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover van 5 september 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever];

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 6.716,39, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

het bevel tot voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. van der Harg, kinderrechter, voorzitter,

mr. C.M. Koole, kinderrechter,

en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.M.C. Mulders

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?