RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55292
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).
Procesverloop
Bij besluit van 5 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL25.55293).
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Inleiding
Eiser is op [geboortedatum] 1989 in Nederland geboren en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
Op 23 november 1999 is eiser (met zijn moeder mee)genaturaliseerd tot Nederlander. Bij vonnis van 2 augustus 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:6384, is eiser door de strafrechter veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar wegens het medeplegen van deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Deze veroordeling is onherroepelijk. Bij besluit van 17 maart 2020 heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser ingetrokken. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 25 oktober 2021 ongegrond verklaard. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 10 juni 2022 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2094, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het door eiser ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank van 10 juni 2022 bevestigd. Hiermee staat de intrekking van eisers Nederlanderschap in rechte vast.
Bij besluit van eveneens 17 maart 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit, zonder vertrektermijn, en een inreisverbod voor de duur van twintig jaar opgelegd. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 25 oktober 2021 ongegrond verklaard. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 23 mei 2023 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 februari 2025, zaaknummer 202303881/1/V2, heeft de Afdeling het door eiser ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2023 bevestigd. Hiermee zijn het terugkeerbesluit en het inreisverbod in rechte komen vast te staan.
Op 11 september 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ op de grond dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Bij besluit van 19 augustus 2025 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De asielaanvraag
2. Eiser heeft op 7 oktober 2025 asiel aangevraagd. Aan zijn asielaanvraag heeft hij – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser kan niet terug naar Marokko. Ondanks al zijn medewerking en inspanningen, weigeren de Marokkaanse autoriteiten aan hem een papsoort of laissez-passer af te geven. Indien hij wel terug zou kunnen naar Marokko, geldt dat hij daar geen normaal leven zou kunnen leiden. Zijn mentaliteit past niet bij de Marokkaanse maatschappij en daardoor zal hij in Marokko in de problemen komen. Hij vreest dat hij door de Marokkaanse autoriteiten zal worden opgepakt en worden gedetineerd.
Het bestreden besluit
Verweerder heeft in het bestreden besluit vooropgesteld dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en het aan eiser opgelegde inreisverbod voor de duur van twintig jaar, om proceseconomische redenen niet aan eiser zijn tegengeworpen.
Verder heeft verweerder gesteld dat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen bevat:
identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
eisers mentaliteit past niet bij de Marokkaanse samenleving.
Verweerder heeft beide relevante elementen geloofwaardig geacht. Deze geloofwaardig geachte elementen leveren volgens verweerder evenwel geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Verweerder heeft verder bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, 3.6b of 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Hiertoe heeft verweerder gesteld dat uitzetting van eiser niet in strijd is met het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op familie- en privéleven. Verder voldoet eiser volgens verweerder niet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden. Hierbij heeft verweerder verwezen naar de aparte ‘buitenschuld-procedure’ (zie 1.4), die nog in de bezwaarprocedure loopt. Verder heeft verweerder gesteld dat niet is gebleken dat er sprake is van een schrijnende situatie en dat eiser ook niet in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op die grond, nu aan hem een inreisverbod met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw is opgelegd. Voorts heeft verweerder bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de daartegen door eiser aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank beoordeelt hierna eerst of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen grond voordoet voor asielverlening. Daarna beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen grond voordoet voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, 3.6b of 3.6ba van het Vb.
Gronden asielverlening
5. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen grond bestaat voor asielverlening. Eiser voert aan dat hij in de negatieve belangstelling staat dan wel zal komen te staan van de Marokkaanse autoriteiten. Hij stelt dat hij wel degelijk heeft geconcretiseerd waarom hij vanwege zijn mentaliteit niet past in de Marokkaanse samenleving en waarom hij daardoor in de problemen zal komen in Marokko. Bij terugkeer zal hij ook worden ondervraagd door de Marokkaanse geheime dienst. Als er onduidelijkheid bestond, had verweerder moeten doorvragen. Eiser stelt voorts dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan het gegeven dat Marokko weigert medewerking te verlenen aan zijn terugkeer naar Marokko. Hieruit volgt op zichzelf al dat de Marokkaanse autoriteiten een negatieve belangstelling voor eiser hebben. De weigering van de Marokkaanse autoriteiten om medewerking te verlenen aan eisers terugkeer heeft daarnaast tot gevolg dat eiser in Nederland in een situatie van ernstige materiële deprivatie verkeert, omdat hij ook in Nederland geen hulp en opvang krijgt. Ook hierin is een grond voor asielverlening gelegen. Ter vergelijking wijst eiser op de situatie voor mannelijke asielzoekers in België.
Mentaliteit
Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser een mentaliteit heeft – door eiser zelf omschreven als: ‘geen blad voor de mond nemen’ – die niet past bij de Marokkaanse samenleving, maar dit levert volgens verweerder geen grond voor asielverlening op. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Verweerder heeft namelijk terecht gesteld dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn mentaliteit te vrezen heeft voor vervolging door de Marokkaanse autoriteiten of een reëel risico loopt op ernstige schade in Marokko. Eiser heeft tijdens het nader gehoor namelijk niet concreet gemaakt, ondanks dat hem daartoe voldoende gelegenheid is geboden, waarover hij zich in Marokko zou willen uitlaten of uitspreken, op welke wijze hij dat zou willen doen en waarom dat voor hem belangrijk zou zijn. Daarnaast heeft hij niet met objectieve landeninformatie onderbouwd dat mensen in Marokko vanwege het uiten van hun mening een reëel risico lopen om in de gevangenis terecht te komen of om andere gewichtige problemen te krijgen. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat eiser, desgevraagd, ter zitting heeft verklaard dat hij niet van plan is om zich in Marokko, ook niet op het vliegveld, uit te laten of uit te spreken op een wijze waardoor hij in de problemen zou kunnen komen. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Negatieve belangstelling
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Marokkaanse autoriteiten staat. Uit de enkele omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten niet meewerken aan eisers vertrek naar Marokko kan niet zonder meer worden afgeleid dat eiser in de negatieve belangstelling van de Marokkaanse autoriteiten staat. Het niet meewerken aan vertrek en het hebben van negatieve belangstelling staan niet één op één aan elkaar gelijk. Eiser heeft verder geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten het op asielrechtelijke relevante wijze op hem hebben gemunt. Dat, zoals eiser stelt, de Marokkaanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn veroordeling vanwege een terroristisch misdrijf, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft geen objectieve landeninformatie aangedragen waaruit blijkt dat in het buitenland voor terrorisme veroordeelde Marokkanen, zoals hij, na terugkeer naar Marokko in de negatieve belangstelling staan van de Marokkaanse autoriteiten en problemen te duchten hebben van die autoriteiten. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Materiële deprivatie
De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn betoog dat de situatie waarin hij in Nederland is komen te verkeren, als gevolg van de weigerachtige houding van de Marokkaanse autoriteiten, tot asielverlening moet leiden. Hiertoe geldt dat asielrechtelijke bescherming niet wordt geboden vanwege de slechte leefsituatie waarin een vreemdeling in Nederland verkeert, maar slechts wordt verleend aan vreemdelingen die bij terugkeer naar hun land van herkomst te vrezen hebben voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico lopen op ernstige schade. Bovendien geldt, zoals verweerder ter zitting terecht heeft gesteld, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij thans in Nederland, buiten zijn eigen wil en keuzes om, in een toestand van verregaande materiële deprivatie verkeert. In dit verband is in de eerste plaats van belang dat eiser gedurende zijn asielprocedure gebruik kan maken van de van overheidswege verstrekte opvangvoorzieningen. Verder is van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor wat betreft onderdak geen gebruik kan maken van zijn in Nederland verblijvende netwerk (moeder, broer, zussen of vrienden/kennissen) dan wel de andere in Nederland beschikbare voorzieningen (zoals daklozenopvang, VBL of LVV). De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt dan ook evenmin.
Slotsom asiel
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw voordoet. Hetgeen meer of overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.
Gronden verblijfsvergunning regulier
6. Eiser betoogt verder dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Verweerder heeft zijn reguliere verblijfsaanspraken onvoldoende onderkend en beoordeeld. Het ligt op de weg van verweerder om de door eiser aangedragen feiten en omstandigheden in het juiste (juridische) kader te plaatsen en te beoordelen, zo stelt eiser.
De rechtbank stelt voorop dat de ambtshalve beoordeling van reguliere verblijfsaanspraken in een asielprocedure zijn grondslag vindt in artikelen 3.6a, 3.6b en 3.6ba van het Vb. De rechtbank zal hierna ingaan op de reguliere verblijfsgronden die in verbinding staan met de situatie van eiser en de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden, te weten: artikel 8 van het EVRM (artikel 3.6a, eerste lid, onder a, Vb), humanitaire gronden (artikel 3.6b, aanhef en onder a, Vb) en schrijnende omstandigheden (artikel 3.6ba, eerste lid, Vb).
Artikel 8 van het EVRM
Eiser heeft met betrekking tot artikel 8 van het EVRM in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft verricht maar zich ervan af heeft gemaakt met de stelling dat eiser niet heeft geconcretiseerd voor welke verblijfsvergunning hij in aanmerking wil komen (punten 20 en 21 gronden van beroep). De rechtbank volgt dit betoog niet. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder wel degelijk een concrete en individuele beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM, zowel ten aanzien van het recht op familieleven als ten aanzien van het recht op privéleven, verricht. De rechtbank verwijst in dit verband naar pagina’s 5 en 6 van het voornemen en pagina’s 4 en 5 van het bestreden besluit. Eiser heeft deze door verweerder verrichte ‘artikel 8 EVRM-beoordeling’ in beroep niet met concrete, inhoudelijke argumenten bestreden. In een ander kader heeft eiser nog wel aangevoerd dat hij geen gevaar voor de openbare orde vormt (punt 35 gronden van beroep). Voor zover dit zou moeten worden aangemerkt als een grond gericht tegen de door verweerder verrichte ‘artikel 8 EVRM-beoordeling’, treft die geen doel, nu delictvrij tijdsverloop van enige duur, gezien het terroristische misdrijf waarvoor eiser veroordeeld is, op zichzelf niet kan leiden tot het oordeel dat van eiser geen gevaar voor de openbare orde meer uitgaat (vgl. de Afdelingsuitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2591, r.o. 5.4). Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM en dat eiser daarom niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Humanitaire gronden
De rechtbank stelt vast dat de gronden voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op humanitaire gronden zijn neergelegd in artikel 3.48 van het Vb (tijdelijke humanitaire gronden) en artikel 3.51 van het Vb (niet-tijdelijke humanitaire gronden). Als de rechtbank de in deze artikelen opgenomen gronden naloopt en naast hetgeen eiser heeft aangevoerd legt, dan is de enige humanitaire vergunningsgrond die relevante raakvlakken heeft met de situatie van eiser de ‘buitenschuld’-grond, neergelegd in artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb. Eiser heeft echter op 11 september 2024 al een separate aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ op de grond dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Ten tijde van het bestreden besluit (en ook ten tijde van het sluiten van het onderzoek in deze zaak) liep deze separate ‘buitenschuld-procedure’ nog in de bezwaarfase (zie 1.4). Gelet hierop kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit volstaan met een verwijzing naar de nog lopende separate ‘buitenschuld-procedure’. Dit is door eiser verder ook niet betwist. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke dan wel niet-tijdelijke humanitaire gronden. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Schrijnende omstandigheden
Uit artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb volgt dat verweerder tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden, ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan verlenen onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb, als er sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Volgens eiser bestaan de schrijnende omstandigheden er in zijn geval (hoofdzakelijk) uit dat hij hier in Nederland, als gevolg van de weigerachtige houding van de Marokkaanse autoriteiten, in een situatie van verregaande materiële deprivatie verkeert. Hiervoor, onder 5.3, heeft de rechtbank echter al overwogen dat eiser, zoals verweerder terecht op zitting heeft gesteld, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hier in Nederland, buiten zijn eigen wil en keuzes om, in een toestand van verregaande materiele deprivatie verkeert. Hierin kan dan ook geen grond zijn gelegen voor ambtshalve vergunningverlening op grond van artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb. Van overige schrijnende omstandigheden in vorenbedoelde zin is niet gebleken. Bovendien geldt dat uit paragraaf B11/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat verweerder geen ambtshalve besluit neemt in de zin van artikel 3.6ba van het Vb indien er aan de vreemdeling een inreisverbod met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw is opgelegd. Een dergelijk inreisverbod is bij in rechte vaststaand besluit van 17 maart 2020 (zie 1.3.) aan eiser opgelegd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in de door eiser gestelde omstandigheden geen grond hoeven zien om aan eiser ambtshalve een verblijfsvergunning regulier op grond van schrijnende omstandigheden te verlenen. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt dan ook evenmin.
Openbare orde
Eiser heeft verder nog aangevoerd dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. Deze grond slaagt gelet op wat er onder 6.2. is overwogen niet. Bovendien geldt dat het gevaar voor de openbare orde geen zelfstandige reden is geweest voor de afwijzing van eisers asielaanvraag en evenmin voor de weigering om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verstrekken.
Slotsom regulier
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 3.6a, 3.6b of 3.6ba van het Vb. Hetgeen meer of overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
7. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.