[naam], eiser,
v-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. De minister heeft op 30 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is op het detentiecentrum Rotterdam verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Op de rechtbank is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, nu aan eiser op
18 oktober 2025 een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen is opgelegd. Deze beslissing staat in rechte vast; eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregelen van bewaring ten grondslag gelegde zware en lichte gronden niet heeft betwist. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Alle in de maatregel genoemde zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat eiser de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft gekozen voor een lichter middel. Eiser stelt dat hij bereid is mee te werken aan zijn terugkeer en dat de maatregel disproportioneel is, omdat geen sprake is van onttrekkingsgevaar. Verder stelt eiser dat zijn medische gezondheidstoestand is verslechterd sinds hij in bewaring is gesteld en dat de bewaring daarmee onevenredig bezwarend is geworden.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel kunnen dragen en dat daarmee het onttrekkingsgevaar al is gegeven. Dat eiser door middel van zijn gemachtigde aangeeft vrijwillig te willen terugkeren, maakt dit oordeel niet anders. Ook de stelling dat de bewaring eiser zwaar valt en dat zijn gezondheidstoestand is achteruitgegaan sinds de inbewaringstelling, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft deze stellingen niet nader onderbouwd of met medische stukken gestaafd.
De rechtbank stelt daarbij vast dat de medische omstandigheden van eiser, waaronder aids, tuberculose, een leveraandoening en een implantaat in zijn linkerbeen dat nog operatief verwijderd zal moeten worden, kenbaar zijn gemaakt en voldoende zijn betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser erop gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. In dat verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de vijfde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 3 april 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast is er reeds voor de huidige inbewaringstelling op 1 september 2025 een lp-aanvraag doorgezonden aan de Algerijnse autoriteiten, waarin het onderzoek nog loopt. Ten aanzien van deze lp-aanvraag worden regelmatig rappels verzonden, waarvan het laatste rappel dateert van 3 april 2026. De stelling van eiser dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld omdat geen lp-traject bij Marokko is opgestart, hoewel eiser thans stelt Marokkaans te zijn, volgt de rechtbank niet. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat eiser in de asielprocedure heeft verklaard Algerijn te zijn. Daarmee bestond naar het oordeel van de rechtbank een voldoende objectief aanknopingspunt om het lp-traject bij Algerije op te starten. Een aanknopingspunt voor het opstarten van een lp-aanvraag Marokko ontbreekt op dit moment. Eiser heeft zijn gestelde Marokkaanse nationaliteit niet met stukken onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de minister niet voldoende voortvarend handelt door enkel een lp-traject bij Algerije voort te zetten. De rechtbank merkt daarbij wel op dat in de beschikking van 16 oktober 2025 het terugkeerbesluit ziet op terugkeer naar Marokko. Als de minister nog steeds voornemens is uitsluitend een lp-traject bij Algerije te volgen, zal een aanvullend terugkeerbesluit moeten worden genomen.
Zicht op uitzetting
10. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.