RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.51299
V-nummer: [nummer]
geboren op [geboortedatum] , van Egypte nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
De minister heeft met het bestreden besluit van 17 december 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben meegedaan: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Laban als tolk in de taal Arabisch en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Asielrelaas
1. Eiser heeft op 4 november 2022 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij heeft deelgenomen aan meerdere protesten in Egypte en lid te zijn geweest van een politieke studentenvereniging. Eiser is in 2017 aangehouden door de veiligheidsdiensten en is in twee zaken veroordeeld tot gevangenisstraffen van drie en vijftien jaar.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen met de autoriteiten vanwege het bijwonen van protesten vindt de minister niet geloofwaardig. De politieke overtuiging van eiser wordt geloofwaardig geacht. Eiser komt volgens de minister echter niet in aanmerking voor een asielvergunning, omdat hij geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en ook geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Zo heeft eiser geen originele documenten ter onderbouwing van zijn asielrelaas overgelegd en kunnen de door hem overgelegde kopieën niet op echtheid worden gecontroleerd. Ook vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo is het ongerijmd dat eiser is toegelaten tot de militaire dienst terwijl hij tegelijkertijd al in de belangstelling van de autoriteiten zou staan. De verklaringen van eiser en de overgelegde documenten over zijn aanhouding spreken elkaar daarbij tegen.
Geloofwaardigheid
Het overleggen van documenten
3. Eiser stelt als eerste dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zonder goede verklaring onvoldoende documenten heeft overgelegd. Hij heeft verklaard dat het heel moeilijk is om aan documenten te komen en heeft zijn pogingen hiertoe onderbouwd met een geluidsopname van een advocaat en screenshots van gesprekken met advocaten uit Egypte.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers pogingen om aan meer originele documenten te komen onvoldoende zijn en wat er nog meer van eiser wordt verwacht. Eiser heeft tijdens de gehoren verklaard dat het lastig is om aan documenten te komen. Hiertoe heeft hij een geluidsopname van een advocaat uit Egypte overgelegd, die toelicht dat eiser 1000 Egyptische pond moet betalen om toegang tot de stukken te krijgen. Eiser verklaart dit bedrag betaald te hebben, maar dat het niet gelukt is om de documenten tot zijn beschikking te krijgen. Vervolgens heeft eiser contact opgenomen met twee advocaten in Egypte, die ook beide schrijven dat het zeer lastig is om aan documenten te komen. Ter onderbouwing van deze pogingen heeft eiser screenshots van de gesprekken overgelegd. Op de zitting heeft eiser bovendien verklaard dat het gevaarlijk is voor deze advocaten om hem te helpen. Het standpunt van de minister dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en hier geen goede verklaring heeft, volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt.
Beoordeling van de overgelegde documenten
4. Eiser stelt verder dat de minister alle overgelegde documenten afzonderlijk beoordeelt, terwijl de minister deze stukken moet beoordelen in onderlinge samenhang. Uit alle overgelegde stukken volgt namelijk dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke activiteiten is opgepakt en veroordeeld is door het Egyptische regime.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de overgelegde stukken van eiser onvoldoende in samenhang heeft bezien. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser een origineel vonnis, dat niet op echtheid gecontroleerd kan worden vanwege een gebrek aan vergelijkingsmateriaal, aangiftes van zijn ex-vrouw en moeder, een foto van eiser in de Egyptische rechtbank en facebookberichten over zijn vermissing heeft overgelegd. De minister heeft de documenten wel in samenhang met de verklaringen van eiser bekeken, maar niet kenbaar in onderlinge samenhang beoordeeld. Op zich zelf staand zijn de documenten niet doorslaggevend in de onderbouwing van eisers asielrelaas. In onderlinge samenhang bezien daarentegen, komt er toch meer gewicht aan toe omdat de overgelegde documenten de verklaringen van eiser wel degelijk ondersteunen. Zo heeft eiser verklaard in december 2017 te zijn opgepakt, heeft hij een foto van 2018 uit de rechtszaal overgelegd en zijn de facebookberichten over zijn vermissing van januari 2018, en de aangiftes van de ex-vrouw en moeder van eiser van 11 en 18 december 2017, en van 7 januari 2018. Deze tijdlijn is consistent met de verklaringen van eiser en niet onaannemelijk. Niet valt in te zien waarom ruim acht jaar geleden valse aangiftes zouden worden gedaan om het asielrelaas van eiser te onderbouwen. De beroepsgrond slaagt.
Zwaarwegendheid
Geloofwaardig geachte politieke overtuiging
5. Eiser stelt verder dat nu zijn politieke activiteiten geloofwaardig worden geacht, het onbegrijpelijk is dat de minister niet aanneemt dat eiser in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten staat. Eiser heeft ter onderbouwing vonnissen overgelegd, Facebookberichten over zijn vermissing en een foto van eiser in de rechtbank. Eiser wijst ook op het ambtsbericht over Egypte van november 2021 en op een brief van Vluchtelingenwerk van 19 september 2025, waaruit blijkt dat mensen die politiek actief zijn worden gemonitord door de Egyptische regering.
De minister acht de politieke overtuiging van eiser geloofwaardig, maar onvoldoende zwaarwegend nu eiser niet in de negatieve belangstelling staat of zal staan bij de Egyptische autoriteiten. De rechtbank volgt dit standpunt niet en overweegt hiertoe als volgt.
Uit de besluitvorming kan worden opgemaakt dat de minister ervan uitgaat dat eiser tot drie jaar is veroordeeld vanwege deelname aan demonstraties. Eiser heeft hierover consistent verklaard en de minister heeft het vonnis dat origineel is overgelegd door Bureau Documenten laten onderzoeken. Bureau Documenten heeft een neutraal advies afgegeven, omdat onvoldoende vergelijkingsmateriaal beschikbaar is. De minister heeft het vonnis niet laten vertalen en desgevraagd heeft de minister op zitting verklaard uit te gaan van wat er in dit vonnis staat. Naar het oordeel van de rechtbank is het een ongerijmde motivering van de minister om enerzijds uit te gaan van de inhoud van het vonnis, waaruit blijkt dat eiser is veroordeeld vanwege deelname aan demonstraties, en zich anderzijds op het standpunt te stellen dat eiser niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Dit vormt een gebrek in de besluitvorming.
Bij de beoordeling van de zwaarwegendheid is eveneens van belang welke politieke activiteiten eiser in Egypte dan wel in Nederland heeft verricht en hoe eiser zich bij terugkeer wenst te uiten. In Egypte hield eiser zich bezig met de organisatie van protesten, het maken van spandoeken en het onderhouden van contacten met gedetineerden en ziekenhuizen. Eiser heeft verklaard bij terugkeer naar Egypte weer te gaan demonstreren. Hij zou een politieke partij uitzoeken die bij hem past en politieke activiteiten uitvoeren. Daar komt bij dat uit het ambtsbericht van Egypte blijkt dat verschillende veiligheidsdiensten volgen wat mensen schrijven of plaatsen op sociale media. Eiser heeft in beroep verklaard een interview te hebben afgelegd in een podcast, waarin hij uitgebreid heeft verteld over zijn ervaringen in Egypte. Daarbij heeft eiser in Nederland gedemonstreerd, zoals onder andere blijkt uit de foto’s van eiser op de Dam in Amsterdam. Ook op dit punt heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten staat. De enkele stelling van de minister dat eiser zich niet heeft gedistantieerd van de dienstplicht en zich (nog) niet bij een politieke partij heeft aangesloten is hiervoor onvoldoende.
In het licht van bovenstaande bezien heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet in de negatieve belangstelling staat bij de Egyptische autoriteiten. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Hierbij dient rekening te worden gehouden met hetgeen in deze uitspraak staat. De minister krijgt hiervoor een termijn van zes weken.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Doling, rechter, in aanwezigheid van mr. K.J. Vos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.