RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17347
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 5 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.
Omdat eiseres de beoordeling van de geloofwaardigheid aan de hand van de WI 2024/6 aan de orde heeft gesteld en de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats op 8 augustus 2025 hierover een uitspraak heeft gedaan, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op die uitspraak.
De minister heeft op 4 september 2025 een reactie aan de rechtbank doen toekomen en eiseres heeft op 29 september 2025 gereageerd. Op 31 oktober 2025 heeft eiseres een brief van een rabbijn overgelegd. Daarin wordt door de rabbijn aangegeven dat eiseres joods is.
Eiseres is daarna door de minister aanvullend gehoord. Bij schrijven van 10 februari 2026 heeft de minister een aanvullend besluit genomen. Op 16 februari 2026 heeft de gemachtigde van eiseres op dat besluit gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat toen zij op de basisschool zat, zij heeft gehoord dat zij niet moslim is maar joods. Eiseres heeft dit in Irak altijd geheim gehouden. Nadat eiseres in Nederland bij haar zus was geweest, kwam zij bij terugkomst in Irak erachter dat haar man was vreemdgegaan. Vervolgens is eiseres gaan scheiden. Haar ex-man heeft gedreigd aan mensen te vertellen dat eiseres joods is, omdat hij de bruidsschat terug wil. Bij terugkeer naar Irak vreest eiseres dat zij vermoord zal worden, omdat mensen door haar ex-man erachter zullen komen dat zij joods is.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
1) de identiteit, nationaliteit en herkomst,
2) dat eiseres het jodendom aanhangt en
3) dat de ex-man heeft gedreigd om aan de grote klok te hangen dat eiseres de joodse etniciteit heeft of het jodendom aanhangt.
De minister heeft zich hierover in het voornemen, wat deel uitmaakt van het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat het eerste asielmotief geloofwaardig is: Eiseres heeft de Iraakse nationaliteit, is geboren in Irak op [geboortedatum] en komt uit [plaats] , [gebied].
De andere twee asielmotieven vindt de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister is de vraag of eiseres daadwerkelijk etnisch joods is als haar grootvader en overgrootvader joods zijn, een vraag die niet objectief te beantwoorden valt en daarom niet verder wordt beoordeeld. Dat eiseres zichzelf als etnisch joods beschouwt is geen asielmotief, omdat dit niet relevant is voor de vraag of eiseres bij terugkeer daden van vervolging vreest. Eiseres is volgens de minister vrij om zichzelf wel of niet etnisch joods te vinden, zonder dat dit bij terugkeer tot problemen leidt.
Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiseres haar verklaringen dat zij zichzelf zowel etnisch als religieus joods beschouwt niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Dit betekent dat de minister verder beoordeelt of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is niet het geval. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw. Zo vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel. De verklaringen over het geloof zijn tegenstrijdig. Eiseres heeft verklaard dat zij gelooft in het jodendom, maar tijdens het aanmeldgehoor in [jaar] heeft eiseres verklaard moslim te zijn en volgens de islam te leven. Ook verklaarde eiseres vaag over de kern van het jodendom. Verder heeft eiseres de asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft eiseres daarvoor geen goede verklaring.
Ten aanzien van het derde asielmotief heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het weinig plausibel is dat de ex-man zou dreigen bekend te maken dat eiseres joods is, omdat niet is gebleken dat eiseres joods is, in de zin dat zij het jodendom aanhangt. Verder is volgens de minister uit het relaas niet gebleken dat eiseres door haar omgeving ooit als joods is gezien.
In het bestreden besluit is de minister ingegaan op dat wat eiseres in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Zo is de minister onder meer ingegaan op de stelling van eiseres dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling niet conform de Europese richtlijnen is. Volgens de minister bestaat geen aanleiding om de werkwijze zoals opgenomen in WI 2024/6 niet langer te handhaven.
Ook is de minister in het bestreden besluit ingegaan op wat eiseres in de zienswijze heeft aangevoerd ten aanzien van de etnische kant van het jodendom en dat dit volgens haar relevant is voor de beoordeling van de asielaanvraag. Volgens de minister is nadrukkelijk een onderscheid gemaakt tussen het joodse geloof en de etnische identiteit als jood. Het etnische aspect vormt geen relevant asielmotief, omdat het geen verband houdt met vervolging bij terugkeer. Voor zover eiseres stelt dat zij etnisch joods is, is volgens de minister niet gebleken dat zij zichzelf, of dat de omgeving eiseres als zodanig beschouwt. Van belang daarbij is dat eiseres zelf heeft aangegeven dat zij in het geheim is opgevoed met het joodse geloof en dat eiseres in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting geeft aan een joodse identiteit. Verder heeft eiseres geen concrete informatie verschaft over bijvoorbeeld de familieachtergrond waaruit blijkt dat eiseres etnisch als jood kan worden beschouwd. Om die reden is in het voornemen geen conclusie verbonden aan de vermeende etnische achtergrond en is volstaan met de constatering dat eiseres zich als joods identificeert. Nergens uit blijkt dat zij door haar omgeving als zodanig wordt gezien. De beoordeling van het asielrelaas richt zich daarom terecht op de geloofwaardigheid van de religie, aldus de minister.
Bij schrijven van 10 februari 2026 heeft de minister een aanvullend besluit genomen. In dat besluit heeft de minister aangegeven dat de brief van de rabbijn echt is, maar dat aan die brief niet of nauwelijks bewijswaarde toekomt omdat de brief geen
informatie bevat over hoe de rabbijn heeft vastgesteld dat eiseres joods is. Uit de brief blijkt niet dat de rabbijn hiernaar onderzoek heeft gedaan. De brief kan daarom niet opwegen tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister. De rabbijn geeft aan dat eiseres joods is, omdat de halfzus van eiseres joods is en dezelfde moeder als eiseres heeft (het joods-zijn zou door de moeder worden doorgegeven). Volgens de minister heeft de rabbijn daarmee niet vastgesteld dat eiseres joods is, maar enkel aangegeven dat haar zus joods zou zijn. Om dit aannemelijk te maken heeft eiseres concreet moeten verklaren hoe de rabbijn heeft vastgesteld dat haar zus joods is. Dit heeft eiseres niet gedaan.
Gronden
5. Eiseres voert aan dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling niet conform de Europese richtlijnen is. Naar aanleiding van de uitspraak van 8 augustus 2025 heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de minister geen integrale beoordeling heeft gemaakt als bedoeld in die uitspraak.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank legt dat hierna uit.
Standpunt eiseres
6. Eiseres voert aan dat het besluit innerlijk tegenstrijdig is, omdat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst, en daarmee dus ook de joodse herkomst geloofwaardig acht. De minister acht niet geloofwaardig dat eiseres het joodse geloof aanhangt. Dat is volgens eiseres tegenstrijdig. Verder vindt de minister het ten onrechte niet relevant dat eiseres zich als etnisch joods beschouwt. Volgens eiseres heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een relevant asielmotief, omdat niet is gebleken dat haar omgeving haar als joods beschouwt en eiseres ook geen uiting heeft gegeven aan haar joodse afkomst. Eiseres wijst in dit verband op een uitspraak van het Hof van justitie waaruit volgt dat bij een politieke overtuiging een fundamentele of diepgewortelde overtuiging niet is vereist. Er mag geen terughoudendheid verlangt worden.
Eiseres voert verder aan dat de minister ten onrechte niet geloofwaardig acht dat zij het joodse geloof aanhangt. Er is geen sprake van vage verklaringen. Er is sprake van een gebrek aan kennis. Ook voert eiseres aan dat de minister ten onrechte te veel waarde hecht aan de omstandigheden dat de moeder en zus in [jaar] niet hebben verklaard joods te zijn, omdat zij in Irak niet open konden zijn over het joods zijn. Naar de mening van eiseres heeft de minister zich verder ten onrechte op het standpunt gesteld dat de dreiging door de ex-man ongeloofwaardig is, omdat niet geloofwaardig is dat eiseres joods is. De minister had dit element afzonderlijk moeten toetsen. Verder meent eiseres, dat ook al zou zij niet joods zijn, zij wel een risico loopt, omdat haar ex-man zal openbaren dat eiseres joods is.
Wat oordeelt de rechtbank
7. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de minister terecht een onderscheid maakt tussen het joodse geloof en de etnische identiteit als jood en in het verlengde daarvan de vraag of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vraag of eiseres etnisch joods is niet objectief te beantwoorden valt en dat de etnische identiteit als jood geen relevant asielmotief is, omdat het geen verband houdt met vervolging bij terugkeer.
Naar het oordeel van de rechtbank kan weliswaar een onderscheid worden gemaakt tussen het joodse geloof en de joodse etniciteit, maar heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vraag of eiseres etnisch joods is geen relevant asielmotief is, omdat het geen verband houdt met vervolging bij terugkeer. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Is de joodse etniciteit (afkomst) een relevant asielmotief?
8. Op grond van het Vluchtelingenverdrag geldt als vluchteling elke persoon die gegronde vrees heeft voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging. Hoewel etniciteit niet in het Vluchtelingenverdrag wordt genoemd biedt het Handboek van de UNHCR wel aanwijzingen dat gegronde vrees voor vervolging op grond van etniciteit kan bestaan.
Zo kan uit paragraaf 68 van het Handboek worden afgeleid dat het begrip ras moet worden beschouwd in de ruimste zin, waaronder ook alle soorten etnische groepen vallen waarnaar in het gangbaar taalgebruik als ‘ras’ wordt verwezen. Vaak gaat dit ook gepaard met het behoren tot een specifieke sociale groep van gemeenschappelijke afkomst, die een minderheid vormt binnen een grotere bevolkingsgroep. Discriminatie wegens ras wordt wereldwijd veroordeeld als een van de ernstigste schendingen van mensenrechten. Discriminatie op grond van ras is derhalve een belangrijke factor bij het vaststellen of er sprake is van vervolging.
In paragraaf 69 is opgenomen dat discriminatie op grond van ras vaak vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag behelst. Dit is het geval indien, als gevolg van rassendiscriminatie, de menselijke waardigheid zodanig wordt aangetast dat dit in strijd is met de meest basale en onvervreemdbare mensenrechten, of als het negeren van raciale barrières ernstige consequenties heeft.
En in paragraaf 70 is opgenomen dat het enkel behoren tot een bepaalde raciale groep normaal gesproken niet voldoende is om in aanmerking te komen voor de vluchtelingenstatus. Er zijn echter situaties denkbaar waarin, als gevolg van specifieke omstandigheden die een groep treffen, het behoren tot die groep op zichzelf gegronde reden is om te vrezen voor vervolging.
Ook in artikel 10 van de Definitierichtlijn is bepaald dat bij de beoordeling van de gronden van vervolging de lidstaten rekening houden met dat het begrip „ras” met name de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep omvat.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de joodse etniciteit wel een relevant asielmotief is. De stelling van de minister dat niet is gebleken dat eiseres zichzelf, of dat de omgeving eiseres als etnisch jood beschouwt, maakt dat niet anders. Pas als is beoordeeld wat de etnische afkomst van eiseres is, kan worden beoordeeld in hoeverre sprake is van gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer. Bij de beoordeling of daar sprake van is kan worden betrokken de vraag of is gebleken dat eiseres zichzelf, of dat de omgeving eiseres als etnisch jood beschouwt dan wel identificeert. Ook de stellingen van de minister dat bij de vaststelling van de joodse etniciteit van belang is dat eiseres zelf heeft aangegeven dat zij in het geheim is opgevoed met het joodse geloof, en dat zij in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting geeft aan een joodse identiteit, kunnen bij die beoordeling worden betrokken.
De rechtbank concludeert dan ook dat de vraag of eiseres van etnisch joodse afkomst is, wel (objectief) kan en moet worden beoordeeld. De minister heeft derhalve ten onrechte geen conclusie verbonden aan de gestelde etnische joodse achtergrond van eiseres en heeft de beoordeling van het asielrelaas ten onrechte beperkt tot de geloofwaardigheid van de joodse religie.
Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond van eiseres en komt het besluit voor vernietiging in aanmerking. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Die vraag beantwoordt de rechtbank negatief. Dat legt de rechtbank hierna uit.
Is de joodse etniciteit van eiseres ongeloofwaardig?
9. Voor zover de minister zich in het bestreden besluit, met het standpunt dat eiseres in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting heeft gegeven aan een joodse identiteit, zich (ook) op het standpunt heeft gesteld, zij het niet expliciet, dat de joodse etniciteit van eiseres niet geloofwaardig is, is de rechtbank van oordeel dat de minister ook dit standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister de verklaringen van eiseres dat zij in het geheim is opgevoed met het joodse geloof en dat eiseres in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting heeft gegeven aan een joodse identiteit, heeft moeten beoordelen in het licht van dat wat bekend is over de joodse gemeenschap in Irak. In het ambtsbericht staat alleen dat het jodendom een bij wet geaccepteerde religie is, maar er is in het ambtsbericht niets opgenomen over de positie van joden in Irak, terwijl uit algemene bronnen bekend is dat er vanwege de positie van joden vrijwel geen joden meer zijn in Irak. In dit verband wijst de rechtbank op de verklaringen van eiseres “dat de samenleving waar ik vandaan kom, christenen een betere positie hebben dan joden.” en “Het jodendom is op allerlei manieren niet geaccepteerd”. In dit licht bezien heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat de joodse etniciteit ongeloofwaardig is, omdat eiseres heeft verklaard dat zij in het geheim is opgevoed met het joodse geloof en dat zij in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting heeft gegeven aan een joodse identiteit. Het standpunt van de minister dat eiseres vaag over de kern van het jodendom heeft verklaard dient bovendien in het licht van dat wat bekend is over de joodse gemeenschap in Irak te worden beoordeeld.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat in het ambtsbericht van november 2023 staat dat het vorige ambtsbericht van oktober 2021 vermeldde dat de erkende religieuze minderheden officieel en van overheidswege in staat waren hun geloof vrij te beleven en belijden (…). In de praktijk hing de mogelijkheid om vrij te praktiseren echter af van de locatie waar religieuze minderheden wonen en hoe de (veiligheids)situatie daar is. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er in de verslagperiode significante veranderingen zijn opgetreden in de mate waarin Irakezen in hun dagelijks leven hun godsdienst of levensovertuiging kunnen beleven. (…) Andere bronnen vermeldden dat leden van verschillende groepen in bepaalde gebieden vermeden zichtbaar religieus over te komen op de sociale omgeving, aldus het ambtsbericht. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van eiseres dat zij in het geheim is opgevoed met het joodse geloof en dat zij in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting heeft gegeven aan een joodse identiteit, overeenkomen met dit deel van het ambtsbericht. De minister heeft eiseres dan ook niet zonder meer kunnen tegenwerpen dat eiseres in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting heeft gegeven aan een joodse identiteit.
Het oordeel van de rechtbank dat de minister de verklaringen van eiseres heeft moeten beoordelen in het licht van dat wat bekend is over de joodse gemeenschap in Irak geldt gelet op het ambtsbericht ook voor de door minister tegengeworpen tegenstrijdige verklaringen van eiseres, inhoudende dat eiseres in het aanmeldgehoor uit [jaar] heeft verklaard dat zij gelooft in het jodendom, terwijl zij tijdens het aanmeldgehoor in [jaar] heeft verklaard moslim te zijn en volgens de islam te leven. Ook hiervoor heeft eiseres een verklaring gegeven, namelijk dat op haar identiteitskaart staat dat zij moslim is en dat je het wel uit je hoofd laat om bij de aanvraag om een identiteitskaart op te geven dat je joods bent, hoewel dat in de praktijk wel mogelijk is. Daar komt bij dat eiseres heeft verklaard in [jaar] met een ander doel naar Nederland te zijn gekomen, dat haar ex-echtgenoot haar daarna heeft bedreigd vanwege haar joodse achtergrond en dat eiseres daarom in [jaar] haar huidige asielaanvraag heeft ingediend en pas toen heeft aangegeven joods te zijn.
Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen concrete informatie heeft verschaft over bijvoorbeeld de familieachtergrond waaruit blijkt dat eiseres als etnisch joods kan worden beschouwd. Zo heeft eiseres op de vraag “U vertelde dat uw grootvader uit Penjwen kwam en dat hij joods was. Kunt u mij uitleggen hoe de rest van uw familielijn loopt. Dus wie van uw voorouders joods was?” verklaard: “Het is eigenlijk begonnen bij de overgrootvader van mijn moeder die uit [plaats] komt. Toen heeft mijn moeder dat gekregen van haar voorouders. (…).” De vraag of de opa van eiseres joods was heeft eiseres bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres hiermee wel concrete informatie verschaft over de familieachtergrond. Ook in zoverre heeft de minister niet zonder meer aan eiseres kunnen tegenwerpen dat zij geen concrete informatie heeft verschaft over de familieachtergrond.
Ook het standpunt van de minister in het aanvullend besluit dat aan de brief van de rabbijn niet of nauwelijks bewijswaarde toekomt, omdat de brief geen informatie bevat over hoe de rabbijn heeft vastgesteld dat eiseres joods is, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister met de stelling “dat de rabbijn dus niet heeft vastgesteld dat eiseres joods is, maar dat de zus joods is”, niet ingaat op de stelling van eiseres dat ze dezelfde moeder hebben (het joods-zijn zou door de moeder worden doorgegeven). Daar komt bij dat eiseres tijdens het aanvullend gehoor heeft verklaard dat de rabbijn eerder vragen heeft gesteld aan de zus en dat, omdat eiseres ook uit “ [plaats] (fon.)” (lees: [plaats] ) afkomstig is, het toen voor de rabbijn duidelijk werd dat eiseres joods is. Ook hier gaat de minister ten onrechte niet op in.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat ook het standpunt van de minister dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt hoe de rabbijn heeft vastgesteld dat de zus joods is, onvoldoende is gemotiveerd. De minister heeft immers niet eerder getwijfeld aan de joodse afkomst van de zus, althans niet kenbaar. De verklaringen van de minister ter zitting dat er wel twijfel bestaat op grond van het dossier van de zus, maken het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat dat dossier geen deel uitmaakt van het dossier van eiseres.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat de minister geen integrale beoordeling heeft gemaakt, omdat de minister ten onrechte geen conclusie heeft verbonden aan de gestelde etnische joodse achtergrond van eiseres, de minister de verklaringen van eiseres heeft moeten beoordelen in het licht van dat wat bekend is over de joodse gemeenschap in Irak en omdat de minister niet ingaat op de stelling van eiseres dat zij en haar halfzus dezelfde moeder hebben en afkomstig zijn uit Penjwen. Dat betekent dat het bestreden besluit en het aanvullend besluit, worden vernietigd.
De rechtbank ziet vanwege de vastgestelde gebreken aanleiding om de overige beroepsgronden onbesproken te laten en ziet geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een beoordeling van de vraag of de minister ten onrechte niet geloofwaardig acht dat eiseres het joodse geloof aanhangt (asielmotief 2) en of dat de ex-man heeft gedreigd om aan de grote klok te hangen dat eiseres de joodse etniciteit heeft of het jodendom aanhangt (asielmotief 3). De minister dient opnieuw op de aanvraag te beslissen in overeenstemming met wat in deze uitspraak is overwogen en derhalve een nieuwe integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 3.736,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 2 x 0,5 punt voor de schriftelijke reacties van 29 september 2025 en 16 februari 2026 en 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en het aanvullend besluit;
- bepaalt dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.736,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.