RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60757
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden)
en
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij is van Servische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . De minister heeft met het bestreden besluit van 10 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is in 1986 vanuit voormalig Joegoslavië vertrokken naar Duitsland. In 1995 is eiser naar Nederland gekomen waar hij in 2000 trouwde met een Nederlandse vrouw. In 2004 kreeg eiser een ongeluk waaraan hij hersenletsel overhield. Hierover zijn problemen met een verzekering ontstaan. Op enig moment is eiser arbeidsongeschikt verklaard en heeft hij zijn boekwinkel moeten sluiten. Vervolgens is eiser naar Servië, Montenegro en Kosovo gegaan om de verkoop van zijn woning en een familiewoning in Kosovo te regelen. Dat is niet gelukt, omdat zijn bewindvoerder zijn financiën niet goed op orde had waardoor eiser geld is verloren. Ook lukte het eiser niet om de wederopbouw van zijn geboortedorp in Kosovo te regelen. Hij kreeg daarvoor geen toestemming van de Servische autoriteiten, omdat hij in Europa zou hebben verbleven en geen groene kaart had.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser wordt gevolgd in zijn identiteit, nationaliteit en herkomst maar omdat hij bij de aanvraag en tijdens de gehoren geen zaken heeft genoemd die relevant zijn bij de vraag of hij recht heeft op een asielvergunning zoals bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
De beoordeling door de rechtbank
5. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat hij, nadat Kosovo zich onafhankelijk had verklaard van Servië, de nationaliteit van Kosovo heeft gekregen. Hij heeft bij terugkeer naar Kosovo weliswaar niet te vrezen voor vervolging maar hij loopt wel het risico op ernstige schade, omdat hij geen plek heeft om naar terug keren, hij financieel berooid is en geen toegang zal krijgen tot medische zorg. Daar komt bij dat hij niet zelfredzaam is. Als eiser terug zou moeten keren naar Servië zouden zich daar dezelfde problemen voordoen.
De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser een Servisch paspoort heeft overgelegd, de minister van de Servische nationaliteit van eiser heeft mogen uitgaan. Dat eiser, zoals hij stelt, de Kosovaarse nationaliteit bezit heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Dit betekent dat ten aanzien van de vraag of eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst te vrezen heeft voor een reëel risico op ernstige schade gekeken dient te worden naar Servië. Eiser heeft aangegeven noch onderbouwd dat hij in Servië dit risico loopt. Daarom heeft de minister eiser terecht niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
6. Daarnaast meent eiser aanspraak te kunnen maken op een reguliere vergunning op humanitaire gronden. Eiser heeft lang rechtmatig in Nederland verbleven en in die tijd, mede als gevolg van zijn medische klachten, alles verloren. Eiser kan niet voor zichzelf opkomen en is als gevolg van een ten onrechte niet uitgekeerde arbeidsongeschiktheids-verzekering op straat komen te staan. Eiser verkeert in een schrijnende situatie en is nu zelfs suïcidaal.
Op grond van artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb 2000 kan tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden, ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000, indien er sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. In Informatiebericht 2019/81 wordt uitgelegd hoe moet worden omgegaan met deze bevoegdheid. Daarnaast staat daarin dat alle aangedragen omstandigheden aan een aantal vereisten moeten voldoen. Zo moeten ze niet passen in het reguliere beleid. Als een vreemdeling omstandigheden aandraagt die zien op een omstandigheid waar al een regulier verblijfsdoel voor bestaat (zoals bijvoorbeeld medisch), dan kan de minister de vreemdeling wijzen op dit reguliere kader.
De rechtbank is van oordeel dat er in het bestreden besluit op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek. Artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb 2000 vormt een vangnetbepaling die de minister de mogelijkheid biedt om een verblijfsvergunning wegens schrijnende omstandigheden te verlenen. Dat deze bevoegdheid terughoudend is geformuleerd en er sprake is van een restbepaling met een verregaande toets, laat onverlet dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende is in gegaan op (onder meer) de medische omstandigheden van eiser. In het bestreden besluit wordt immers opgemerkt dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt welke schrijnende omstandigheden zich hebben voorgedaan. Dit terwijl uit eisers verklaringen in het nader gehoor naar voren komt dat eiser van ongeveer 2002 tot 2018 in het bezit is geweest van een Nederlandse verblijfsvergunning regulier, dat deze niet verlengd kon worden omdat eiser geen adres had en dat hem een appartement was beloofd maar toen dit ineens niet doorging hij op straat kwam te staan. Ook heeft eiser verteld dat hij gehuwd is geweest met een Nederlandse met wie hij drie kinderen heeft gekregen, dat hij een boekwinkel had in Arnhem en dat hij tijdens het werk een ongeluk kreeg waarbij het hersenletsel opliep. Als gevolg daarvan kon hij niet meer werken en had hij geen inkomen meer. Hij had een ziektekosten- en een arbeidsongeschiktheidsverzekering maar [naam 2] zou op oneigenlijke gronden hebben geweigerd aan eiser uit te keren. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij diverse medische klachten heeft zoals een bipolaire stoornis van niet-aangeboren hersenletsel. Ook heeft hij meerdere keren een hartaanval gehad en zijn er stents geplaatst. Tevens heeft hij suikerziekte. Verder blijkt uit het gehoor dat het moeilijk is om met hem te communiceren. Hij is verward, blijft continue praten en lijkt in zijn eigen gedachtewereld te verkeren. Ook is hij suïcidaal. Het door eiser op 19 maart 2026 overgelegde patiëntendossier onderschrijft deze klachten. De toelichting van de minister ter zitting dat de schrijnende omstandigheden eerst ter zitting naar voren zijn gebracht, volgt de rechtbank, gelet op het vorenstaande, niet. Daarmee is ook geen sprake van een motiveringsgebrek dat de rechtbank op grond van artikel 8:72, tweede lid van de Awb kan passeren. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal daarom niet ingaan op wat eiser verder aan beroepsgronden heeft aangevoerd. Het besluit wordt vernietigd, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.