ECLI:NL:RBDHA:2026:9171

ECLI:NL:RBDHA:2026:9171

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer NL25.63329
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

jezidi / ontheemdenkamp KAR / normale woon- of verblijfplaats / gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.63329

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A. de Haan)

en

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sinds medio 2024 de ontheemdenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats worden aangemerkt voor jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar-regio. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar het ontheemdenkamp geen reëel risico loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . De minister heeft met het bestreden besluit van 27 november 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Het asielrelaas

3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij jezidi is en afkomstig is uit Gir Zarik in de regio Sinjar in Irak. Van 2014 tot zijn vertrek in 2022 woonde hij in het ontheemdenkamp Kabarto in de regio Duhok. Hij heeft Irak verlaten, omdat hij gediscrimineerd werd vanwege zijn religie en zijn etniciteit. Ook hebben zijn ouders medische problemen en hoopt hij dat zij naar Nederland kunnen komen, zodat zij hier met z’n allen veilig zijn.

Het bestreden besluit

4. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 15 november 2022 internationale bescherming heeft gekregen in Griekenland. De minister heeft er niet voor gekozen om eisers asielaanvraag om die reden niet-ontvankelijk te verklaren. In het bestreden besluit heeft de minister eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;

De discriminatie van eiser vanwege het zijn van jezidi.

De minister acht deze relevante elementen geloofwaardig maar dit maakt volgens de minister niet dat eiser te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister geeft aan bekend te zijn met de positie van de jezidi’s in Irak, maar zij worden in het huidige landgebondenbeleid voor Irak niet aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep. Ook behoort eiser niet tot één van de andere risicoprofielen zoals benoemd in paragraaf C7/16.3.2 van de Vc 2000. Daarnaast is niet gebleken dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht van andere personen staat. Voorts stelt de minister zich op het standpunt dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De situatie in de opvangkampen is weliswaar sober maar de basisvoorzieningen zijn beschikbaar.

Gronden

5. Eiser heeft als eerste aangevoerd dat zijn aanvraag ten onrechte is beoordeeld aan de hand van het op 27 juni 2024 bij WBV 2024/12 gewijzigde beleid. Als zijn aanvraag binnen de internationaal vastgelegde uiterste beslistermijn van 21 maanden was afgedaan, was hij in aanmerking gekomen voor een verblijfsvergunning, aangezien de beleidswijziging van daarna is. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 24 oktober 2024 stelt eiser zich op het standpunt dat gezien het tijdsverloop, zeker nu hij minderjarig is, er sprake is van een bijzondere omstandigheid.

Voorts heeft eiser zich beroepen op de zeer slechte situatie voor jezidi’s in Irak. Grondwettelijk bestaat er weliswaar vrijheid van godsdienst in Irak maar, zoals ook blijkt uit de in de zienswijze aangehaalde bronnen, worden jezidi’s in de praktijk vanwege hun geloof en hun etniciteit zwaar gediscrimineerd. Ook bestrijdt eiser het standpunt van de minister dat het destijds “beleidstechnisch onvermijdelijk” was de vluchtelingenkampen in de KAR niet langer als normale woon- en verblijfplaats aan te merken. Uit beantwoording van Kamervragen blijkt dat de minister hier destijds op inhoudelijke gronden toe is overgegaan, omdat uit informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken de conclusie werd getrokken dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hadden in de KAR. De minister stelt daarom dan ook onterecht dat het niet aan hem is om inzichtelijk te motiveren dat de situatie in de kampen verbeterd is. In dat kader verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 februari 2025, rechtsoverweging 8.2., waarin geoordeeld is dat jezidi’s niet in staat zijn om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Eiser dient dan ook te worden aangemerkt als vluchteling. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser onder andere naar uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 augustus 2025 en 29 april 2025 en van zittingsplaats Rotterdam van 16 april 2025.

Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat, gezien de huidige situatie in Irak en in het bijzonder in de ontheemdenkampen, de minister hem op grond van het buitenschuldbeleid AMV een reguliere verblijfsvergunning had moeten verlenen nu er niet gesproken kan worden van adequate opvang voor eiser in het ontheemdenkamp. Dat er voor eiser geen sprake is van adequate opvang wordt ook door het Nidos onderschreven in de op 20 maart 2026 overgelegde brief. Eiser verwijst in dit kader onder andere naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 augustus 2025 en het thematisch ambtsbericht van 7 november 2025 over Irak dat niet bij de besluitvorming betrokken is. De minister heeft bij zijn beoordeling in het bestreden besluit geen oog gehad voor de belangen van het kind.

Het oordeel van de rechtbank

Het geldende beleid

6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister het beleid zoals dat gold voor 27 juni 2024 had dienen toe te passen. Vooropgesteld moet immers worden dat als uitgangspunt heeft te gelden dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op het moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. In het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstigere positie komt, is geen bijzondere omstandigheid waardoor van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. Ook in de combinatie van het gewijzigde strengere beleid en het niet tijdig beslissen door de minister ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheid die aanleiding zou moeten vormen om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit lange tijd op zich heeft laten wachten, echter van het frustreren van de rechten van eiser is de rechtbank niet gebleken.

Situatie in het ontheemdenkamp

7. De rechtbank stelt vast dat de minister het vluchtelingenkamp Kabarto beschouwt als normale woon- of verblijfplaats van eiser. De gemachtigde van de minister heeft dit tijdens de zitting bevestigd. In haar uitspraak van 4 februari 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat door de minister niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van de ontheemdenkampen in de KAR, waartoe ook Kabarto behoort, als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio. In het in 2019 geldende beleid is vastgesteld dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hadden in de KAR en daar niet, naar lokale maatstaven gemeten, op een normaal niveau konden functioneren. Medio 2024 is besloten dat deze ontheemdenkampen in de KAR wel kunnen worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio. Deze beleidswijziging heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 4 februari 2025 onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd geacht. In de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van onder andere 27 februari 2025, 8 juli 2025, 18 augustus 2025 en 5 maart 2026 is dit standpunt herhaald. In haar uitspraak van 24 november 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat dit ook heeft te gelden voor de situatie van jezidi’s die buiten de ontheemdenkampen in de KAR wonen. Ook in die gevallen dient de minister uiteen te zetten wat maakt dat voor de jezidi’s de situatie medio mei 2024 in de KAR verbeterd is.

Ten aanzien van de vraag die in de uitspraak van 4 februari 2025 centraal staat, te weten wat nu heeft gemaakt dat sinds 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van de ontheemdenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio, stelt de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het beleid zoals dat was neergelegd in WBV 2021/1 gezien moet worden als “genereus” beleid voortgekomen uit de politieke wens om de jezidi’s uit de KAR, gezien hun historische achtergrond en de berichtgeving in het Algemeen Ambtsbericht van 2018, als kwetsbare minderheidsgroep te kunnen aanwijzen. Dit werd bereikt door de KAR voor hen niet langer als normale woon- en verblijfplaats aan te merken, hetgeen dus een beleidstechnische keuze was. Met de publicatie van WBV 2024/12 is de beleidsmatige aanwijzing van jezidi’s als kwetsbare minderheidsgroep komen te vervallen en wordt ten aanzien van hen weer aangesloten bij de normale asielbeoordeling. Hierbij ligt het op de weg van de vreemdeling om in zijn individuele geval aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. Daarbij geldt dat na verloop van tijd een bepaalde plaats, waaronder ook een ontheemdenkamp, kan worden gekwalificeerd als een normale woon- en verblijfplaats. Nu de term normale woon- en verblijfplaats niet is gedefinieerd in de Vc 2000, in richtlijnen of andere regelgeving, zoekt de minister voor de beantwoording van de vraag welke omstandigheden moeten worden betrokken bij de vaststelling van “een normale woon- en verblijfplaats” aansluiting bij de uitspraken van de Afdeling hierover.

De rechtbank volgt deze argumentatie van de minister niet en, refererend aan de uitspraak van 4 februari 2025, stelt zij zich, mede onder verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank van 2 december 2025 en 18 december 2025 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2026 op het standpunt dat geconstateerd kan worden dat uit het bestreden besluit noch immer niet blijkt dat de minister de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in zijn algemeenheid in de KAR voor jezidi’s heeft onderzocht. Evenmin is aangegeven waarom de situatie in de kampen verbeterd is sinds 2019. Daar komt bij dat er op 7 november 2025 een thematisch ambtsbericht is verschenen waarin uitgebreid de huidige situatie in de kampen in de KAR wordt beschreven. Blijkens het thematisch ambtsbericht heeft het federale Iraakse ministerie van Migratie en Ontheemding in januari 2024 besloten om de 23 op dat moment resterende formele vluchtelingenkampen onder het gezag van de Koerdische regionale regering, waaronder ook Kabarto, te sluiten. Dit besluit is uitgesteld maar leidde volgens het thematisch ambtsbericht desondanks tot terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) organisaties. Daarbij hebben de kortingen van de regering van president Trump ten aanzien van de USAID gemaakt dat veel (lokale) hulporganisaties hun activiteiten hebben moeten staken. Dit resulteerde volgens het thematisch ambtsbericht in een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. In het licht van deze informatie is de rechtbank van oordeel dat de minister niet alleen heeft nagelaten te motiveren waarom de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt, maar bovendien onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige situatie in de ontheemdenkampen niet maakt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM zoals volgt uit het arrest Sufi en Elmi. Dat er in de kampen sprake is van bewegingsvrijheid en dat basisvoorzieningen aanwezig zijn, zoals in het verweerschrift van 25 maart 2026 is betoogd, volgt de rechtbank niet. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit komt reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking.

Terugkeerbesluit

8. Nu uit het voorgaande volgt dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser geen stand kan houden, geldt dit alleen daarom al ook voor het terugkeerbesluit. Aanvullend stelt de rechtbank echter nog vast dat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. De minister kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. Ambtshalve is de rechtbank bekend dat de Griekse autoriteiten niet reageren op de Nederlandse verzoeken daartoe. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank echter onverlet dat de minister geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en deze in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Ook om deze reden kan het terugkeerbesluit geen stand houden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal daarom niet ingaan op wat eiser verder aan beroepsgronden heeft aangevoerd. Het besluit wordt vernietigd, omdat sprake is van motiveringsgebreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of in de mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?