ECLI:NL:RBDHA:2026:9176

ECLI:NL:RBDHA:2026:9176

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer NL26.31
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

asiel, Georgië, problemen met geheime dienst, gestelde seksuele gerichtheid, ongeloofwaardig, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.31

geboren op [datum] ,

van Georgische nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),

en

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser voert aan dat hij sinds zijn 20e jaar biseksueel is en dat hij op zowel vrouwen als op transgendervrouwen valt. Eiser stelt meerdere kortstondige seksuele relaties te hebben gehad. Volgens eiser wordt biseksualiteit in zijn land van herkomst niet geaccepteerd. Eind juli 2025 is eiser gechanteerd door de geheime dienst, omdat er videobeelden van hem zijn waarop te zien is dat eiser geslachtsgemeenschap heeft met een transgender. Eiser heeft vervolgens bij de autoriteiten een schijnhuwelijk laten voltrekken, zodat het leek alsof hij met een vrouw was getrouwd. Mede door de chantage en dat eiser zich niet kan uiten zoals hij wil, wenst hij ook niet meer terug te keren naar Georgië.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Dat eiser is gechanteerd door de geheime dienst; en

3. Eisers gestelde seksuele gerichtheid.

De minister gelooft eisers eerste asielmotief. Dat eiser gechanteerd zou zijn door de geheime dienst van Georgië en eisers gestelde seksuele gerichtheid gelooft de minister niet. Ten aanzien van het tweede en derde asielmotief heeft de minister overwogen dat eiser die asielmotieven niet volledig heeft onderbouwd met documenten en dat de verklaringen van eiser over deze asielmotieven geen samenhangend aan aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister is het enkele feit dat eiser de Georgische nationaliteit bezit geen reden om aan te nemen dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag terecht is afgewezen als ongegrond.

Heeft de minister de chantage door de geheime dienst ten onrechte ongeloofwaardig geacht?

5. Eiser voert aan dat hij de problemen met de geheime dienst niet met documenten kan onderbouwen omdat corruptie moeilijk te onderbouwen is. Eiser heeft voldoende verklaard over zijn problemen met de geheime dienst en moet dan ook het voordeel van de twijfel krijgen. Eiser verwijst verder naar informatie van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) waaruit volgt dat sprake is van corruptie in Georgië. Deze informatie ondersteunt eisers verklaring dat hij zijn identiteitskaart door middel van corruptie heeft verkregen. De minister heeft onvoldoende doorgevraagd op dit onderwerp. Eiser volgt niet dat het ongerijmd zou zijn dat hij ruim een maand ongestoord in het leegstaande huis van zijn moeder kon verblijven zonder dat de geheime dienst hem zou hebben opgespoord. Immers, niet duidelijk is of de geheime dienst actief naar hem op zoek was met het oog op de aanstaande verkiezingen. Duidelijk is dat eiser zich heeft onttrokken en het ligt in de lijn der verwachting dat de geheime dienst geen tijd of mankracht zou gaan besteden om eiser te vinden. Dit staat er echter los van dat zijn leven voorgoed onmogelijk zou worden gemaakt als eiser terugkomt.

6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de chantage door de geheime dienst niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat zijn verklaring dat hij na de chantage zijn naam heeft laten veranderen niet overeenkomt met de afgiftedatum die vermeld staat op zijn identiteitskaart. Op de identiteitskaart staat namelijk dat deze is afgegeven op 4 juni 2025, terwijl eiser heeft verklaard dat de problemen met de geheime dienst zich eind juli 2025 zouden hebben voorgedaan. De verklaring van eiser in de zienswijze dat hij de identiteitskaart door middel van corruptie zou hebben verkregen, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft hierbij terecht overwogen dat uit de door eiser overgelegde informatie van VWN weliswaar volgt dat corruptie kan voorkomen in Georgië, maar dat deze informatie niets zegt over de specifieke situatie van eiser. Daarbij komt dat eiser ook in de zienswijze niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze hij aan de identiteitskaart is gekomen. De rechtbank stelt vast dat eiser in het nader gehoor niet is bevraagd naar de wijze waarop hij de identiteitskaart heeft verkregen, maar acht in dit kader eveneens van belang dat eiser heeft verklaard dat zijn identiteitsbewijs een origineel document betreft en dat deze eveneens echt is bevonden. De rechtbank volgt de minister dan ook in het standpunt dat het op de weg van eiser had gelegen om te verklaren over de wijze van verkrijging van de identiteitskaart op het moment dat zijn identiteitskaart aan de orde kwam.

7. De minister heeft verder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij heeft verklaard dat er een dreiging vanuit de geheime dienst is uitgegaan, zodat de minister het bevreemdend heeft kunnen vinden dat eiser nadat hij heeft geweigerd mee te werken nog ruim een maand heeft kunnen verblijven in de leegstaande woning van zijn moeder. Niet valt in te zien dat de geheime dienst eiser in deze periode niet opnieuw zouden hebben benaderd, nadat zij de moeite hadden gedaan om eiser te chanteren. Daarbij verbleef eiser in het huis van zijn overleden moeder en had de geheime dienst eiser zonder problemen opnieuw kunnen opsporen. Dat het onduidelijk zou zijn of de geheime dienst actief op zoek was naar eiser en dat eiser zich zou hebben onttrokken, kan hieraan niet af doen. Heeft de minister de seksuele gerichtheid van eiser ten onrechte aangemerkt als biseksueel?

8. Eiser voert aan dat de minister eisers seksuele geaardheid ten onrechte als biseksueel aanmerkt. Voor de minister had het als deskundige duidelijk moeten zijn dat eiser een heteroseksuele man is, ongeacht hoe eiser zijn seksuele geaardheid zelf duidt. Eiser valt immers op vrouwen. Of het nu gaat om een vrouw die als vrouw geboren is of een vrouw die nadien vrouw is geworden, maakt dit niet anders. Werkinstructie (WI) 2019/17 is daarom niet van toepassing en aan eiser is dan ook ten onrechte tegengeworpen dat hij diepgaand en inzichtelijk had moeten verklaren over zijn gedachten en gevoelens. Eiser herkent zichzelf niet in één van de groepen die in de begrippenlijst zijn vermeld. Dat eiser [naam 2] wel aantrekkelijk vond en intiem met haar was zegt iets over zijn voorkeur als heteroseksuele man en wellicht niets over zijn seksuele geaardheid. Ook als wel van de werkinstructie moet worden uitgegaan, dan zijn de vragen gesteld vanuit een onjuiste feitelijke situatie en een onjuist toetsingskader.

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht toepassing heeft gegeven aan WI 2019/17. Hierbij heeft de minister terecht overwogen dat eiser zichzelf gedurende het aanmeldgehoor en het nader gehoor als biseksueel heeft geduid. In dat kader heeft eiser verklaard dat hij zichzelf identificeert als biseksuele man, dat hij zowel op mannen als op vrouwen valt, dat hij biseksualiteit ziet als mensen met een andere seksuele gerichtheid, dat je als biseksueel seksuele relaties mag hebben met zowel mannen als vrouwen en dat eiser mensen aantrekkelijk vond die niet tot het vrouwelijk geslacht behoorden. Eiser heeft vervolgens in de correcties & aanvullingen aangegeven dat hij mogelijk panseksueel is, maar dit niet zeker weet. Pas in de zienswijze heeft eiser aangevoerd dat hij heteroseksueel is. De minister heeft in deze verklaring geen aanleiding hoeven zien om niet langer WI 2019/17 toe te passen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat aan eiser meerdere keren is gevraagd hoe hij zijn eigen seksuele gerichtheid ziet. De minister heeft verder terecht overwogen dat de kern van eisers vrees te maken heeft met zijn seksuele gerichtheid, die afwijkt van de norm. Dat eiser niet zou vallen onder de LHBTI-criteria leidt niet tot een ander oordeel. Uit de WI volgt immers dat de afkorting LHBTI niet limitatief opgevat hoeft te worden en kan worden gebruikt in situaties waarin een vreemdeling zich in het kader van een asielaanvraag beroept op een seksuele oriëntatie of genderidentiteit. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat de vragen zouden zijn gesteld vanuit een onjuiste feitelijke situatie. Uit het nader gehoor volgt dat eiser uitgebreid is bevraagd naar de feitelijke situatie en aan de hand van eisers antwoorden is hierop doorgevraagd. Het is de rechtbank evenmin gebleken dat een onjuist toetsingskader is gehanteerd. Heeft de minister de seksuele geaardheid van eiser ten onrechte ongeloofwaardig geacht?

10. Eiser stelt verder dat, ook als wel van de werkinstructie moet worden uitgegaan, hij voldoende diepgaand heeft verklaard. Als de minister meer had willen weten, had het op de weg van de minister gelegen om hierop door te vragen. De minister had in ieder geval meer moeten doorvragen naar de vele (seksuele) contacten die eiser had. Volgens eiser heeft hij daarnaast voldoende inzicht gegeven in zijn gedachten en gevoelens en is het is maar de vraag of eiser meer had kunnen verklaren. Eiser stelt tot slot dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat aan het artikel van “My Transgender Cupid” slechts een beperkte waarde toekomt. Hetgeen eiser heeft verklaard past immers in het beeld dat in het artikel wordt geschetst.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat eiser zijn seksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft hierbij kunnen overwegen dat eiser niet diepgaand heeft verklaard over zijn ontdekkingsproces. Eiser heeft verklaard dat hij voor het eerst rond zijn 20e ontdekte dat hij biseksueel was toen hij op [naam 2] viel. Als eiser gevraagd wordt welke gevoelens hij daarbij had, verklaart hij dat hij het in de eerste instantie wel vreemd vond, maar hij deed wat hij leuk vond. Eiser wist welke maatschappelijke gevolgen dit zou hebben en hield het daarom geheim. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser hiermee weinig inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens en gedachten ten tijde van de ontdekking van zijn seksuele geaardheid. De minister heeft verder kunnen overwegen dat eiser vaag heeft verklaard over zijn gevoelens voor transseksuele vrouwen. Eiser heeft verklaard dat hij het in het begin spannend vond en het toch wilde, dat hij het verwerkt heeft en dat hij zich concentreerde op de dingen waarvan hij genoot. Verder vindt eiser transseksuele vrouwen aantrekkelijk, ze trekken aan hem en het was wederzijds. De minister heeft kunnen overwegen dat eiser hiermee vaag blijft over zijn gevoelens en gedachten en weinig inzicht heeft gegeven hierin. De verwijzing naar het artikel van “My Transgender Cupid” leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft terecht overwogen dat het artikel algemeen van aard is en dat eiser er niet in is geslaagd om zijn seksuele geaardheid door middel van zijn eigen verklaringen aannemelijk te maken.

Heeft de minister terecht overwogen dat eiser bij terugkeer geen risico op een schending van artikel 3 van het EVRM loopt?

12. Nu de minister de problemen met de geheime dienst en de seksuele geaardheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, hoefde de minister ook niet aan te nemen dat eiser om die reden in Georgië risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

12. In de beroepsfase heeft eiser aangevoerd dat de wetgeving zich in negatieve zin ontwikkelt in Georgië. Hierdoor heeft hij te vrezen voor degenen die hem toedichten dat hij behoort tot de LHBTI-gemeenschap.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht overwogen dat de overgelegde stukken die zien op de ontwikkelingen in Georgië algemeen van aard zijn en niet zien op de situatie van eiser. Verder heeft de minister terecht overwogen dat eisers stelling enkel gebaseerd is op een aanname en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem bij terugkeer zal worden toegedicht dat hij tot de LHBTI-gemeenschap behoort.

Conclusie en gevolgen

15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en terug moet keren naar Georgië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?