ECLI:NL:RBDHA:2026:9181

ECLI:NL:RBDHA:2026:9181

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer NL24.2984
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verlengde asielprocedure Inhoudsindicatie: Asielaanvraag Somalische man afgewezen; geloofwaardigheid problemen Al-Shabaab ten onrechte deels beoordeeld bij de zwaarwegendheid; discriminatie; binnenlands beschermingsalternatief; statushouder Griekenland. Beroep gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.2984

(gemachtigde: mr. P.A. Blaas),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft op 26 januari 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 30 januari 2024 heeft hij beroepsgronden ingediend.

Bij brief van 12 mei 2025 heeft verweerder de rechtbank verzocht de behandeling van het beroep ter zitting aan te houden. Dat verzoek heeft de rechtbank gehonoreerd.

Verweerder heeft op 14 november 2025 een aanvullend besluit genomen. Het beroep is op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het aanvullende besluit.

Op 18 november 2025 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2002. Hij heeft op 16 maart 2021 in Griekenland asiel aangevraagd. Op 31 maart 2023 is zijn asielverzoek in Griekenland ingewilligd. Op 17 november 2023 heeft eiser zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is geboren in Jemen, waar hij met zijn broer in 2010 vanwege de slechte omstandigheden is vertrokken. Vanaf 2010 woonde hij bij zijn tante in Bosaso, Somalië. Eiser is in 2017 met zijn tante meeverhuisd naar El Rage. Hij heeft ernstige discriminatie ondervonden omdat zijn moeder en de tante bij wie hij woonde tot een minderheidsstam (Gaboye-stam) behoorden. Deze discriminatie heeft hij zowel in Bosaso als in El Rage ondervonden. Naast de discriminatie heeft eiser problemen ondervonden met Al-Shabaab, omdat hij kort na zijn verhuizing naar El Rage muziek luisterde met een aantal vrienden. Hij werd toen vijftien dagen vastgehouden en is fysiek mishandeld. In 2020 eiste Al-Shabaab dat eiser zijn werk in El Rage – hij gaf bijles Engels en rekenen – zou neerleggen en dat hij Arabisch en islamonderwijs zou moeten geven. Toen eiser weigerde zich bij Al-Shabaab aan te sluiten, werd hij door Al-Shabaab als afvallige gezien en bedreigd. Hij is vervolgens gevlucht en na een kort verblijf in Mogadishu heeft eiser Somalië verlaten. Eiser vreest bij terugkeer voor Al-Shabaab en voor discriminatie vanwege het behoren tot, althans geassocieerd worden met de Gaboye-stam.

Het bestreden besluit

Het asielrelaas bevat volgens eiser de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- problemen met Al-Shabaab;

- discriminatie vanwege het behoren tot de Gaboye*.

* In het voornemen, de zienswijze en het bestreden besluit staat Majerten, maar de rechtbank gaat er mede gelet op 6.2 van deze uitspraak van uit dat dit een vergissing is.

Verweerder heeft de drie relevante elementen geloofwaardig geacht. Verweerder heeft eiser niet aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege discriminatie zodanig in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren in Bosaso. De door hem ervaren discriminatie en de problemen met Al-Shabaab hebben in El Rage plaatsgevonden. Eiser heeft volgens verweerder ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Bosaso een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het beleid van paragraaf C7/30.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, staat niet aan terugkeer in de weg. Bosaso ligt niet in een door Al-Shabaab gecontroleerd gebied en evenmin hoeft eiser via door Al-Shabaab gecontroleerd gebied naar Bosaso te reizen.

Het aanvullende besluit

4. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:521, heeft verweerder zich tot de Griekse autoriteiten gewend om de benodigde informatie uit te wisselen. Verweerder heeft in de Griekse asielverlening geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen, omdat het Griekse oordeel louter is gestoeld op de algemene “stammen”-situatie in Somalië, zonder daarbij mee te wegen of die situatie eiser persoonlijk heeft getroffen of zal treffen. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Bosaso te maken zal krijgen met discriminatie die zo ernstig is dat gesproken kan worden van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of van een reëel risico op ernstige schade, dit laatste ook omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Al-Shabaab hem in Bosaso kwaad kan doen.

Beoordeling door de rechtbank

Geloofwaardigheid van de problemen met Al-Shabaab

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet aannemelijk acht dat Al-Shabaab eiser als afvallige beschouwt.

Verweerder heeft zich in het voornemen zonder nadere toelichting op het standpunt gesteld dat eisers problemen met Al-Shabaab geloofwaardig zijn. Eiser heeft verklaard dat hij als afvallige werd gezien nadat hij had geweigerd zich bij Al-Shabaab aan te sluiten. In het vrije relaas heeft eiser verklaard over de problemen met Al-Shabaab in El Rage omdat hij niet wilde voldoen aan de wens van Al-Shabaab om andere lessen te geven. In het aanvullend gehoor heeft eiser hierover nogmaals verklaard. Hij werd gebeld door iemand van Al-Shabaab die wilde dat hij andere lessen ging geven, omdat de lessen die hij gaf ingingen tegen de islam. Eiser zei dat hij dat niet kon doen, omdat hij het geld nodig had. Ze zeiden dat hij dan voor hen kon komen werken. Dat weigerde eiser.

En accepteerde Al Shabaab deze weigering?

Nee, absoluut niet want toen ik zei ik heb al een baan. Toen zeiden ze, kies jij jouw werk boven het islam geloof. We wisten wel dat je ongelovig was maar nu weten we ook dat jij afvallig bent, [eiser]. En daar staat de doodstraf voor.

Verweerder heeft in het bestreden besluit en het aanvullende besluit niet uitgelegd waarom deze verklaring niet geloofwaardig zou zijn, ook al gelooft verweerder de problemen van eiser met Al-Shabaab als zodanig wel. De beroepsgrond slaagt in zoverre dat verweerder het bestreden besluit en het aanvullende besluit op dit punt niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

Zwaarwegendheid discriminatie vanwege het behoren tot minderheidsstam

Eiser voert aan dat hij, anders dan verweerder stelt, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er tijdens zijn verblijf in Bosaso sprake is geweest van dusdanige discriminatie dat het voor hem onmogelijk was om daar op sociaal en maatschappelijk gebied te functioneren. Hij is niet enkel vertrokken uit Bosaso naar El Rage om zijn tante te volgen, maar ook omdat hijzelf in Bosaso discriminatie heeft ervaren vanwege het behoren (of gerekend worden) tot de Gaboye-stam.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door eiser ervaren discriminatie onvoldoende zwaarwegend is om aangemerkt te worden als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder is er in het bestreden besluit en het aanvullende besluit abusievelijk van uitgegaan dat eiser behoort tot de Majerten-stam. Eiser heeft verklaard dat zijn vader behoorde tot de Majerten-stam, een grote stam met veel macht en invloed. Zijn moeder behoorde tot de Gaboye-stam, een minderheidsstam die gediscrimineerd wordt. Ook de tante bij wie hij opgroeide behoorde tot de Gaboye-stam. De motivering van verweerder – dat de verklaring van eiser dat hij met zijn tante is vertrokken uit Bosaso vanwege discriminatie omdat zij behoorde tot de Majerten-stam in strijd is met openbare bronnen waaruit blijkt dat de Majerten-stam een dominante clan is in de regio van Bosaso – kan alleen al daarom geen standhouden.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser zelf geen discriminatie heeft ondervonden in Bosaso, en zodoende ook bij terugkeer het risico loopt dat hij blootgesteld zal worden aan discriminatie. Eiser heeft erop gewezen dat hij niet slechts zijn tante heeft gevolgd toen zij uit Bosaso is vertrokken. In het aanmeldgehoor verklaarde eiser op de vraag wat de reden is van zijn asielaanvraag:

Het heeft te maken met mijn tante van moederskant, ze behoort tot een kleine minderheid. Ze werd gediscrimineerd door leden van grotere stammen. Op een dag overleed haar man, ze werd het doelwit van leden van grote stammen. Het was niet veilig om langer daar te blijven, dus ik ging vluchten.

Ook eiser heeft dus ervaren dat het niet veilig was om in Bosaso te blijven. Weliswaar waren de problemen van de tante de directe aanleiding voor het vertrek uit Bosaso, maar hieruit heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet mogen afleiden dat eiser zelf geen discriminatie heeft ondervonden in Bosaso. Eiser was slechts vijftien jaar oud toen hij met zijn tante is vertrokken uit Bosaso. Zijn oom is vermoord en zijn tante is ernstig gediscrimineerd vanwege haar afkomst. Eiser heeft nader toegelicht dat zijn oom een auto repareerde en is vermoord toen hij de eigenaar van de auto vroeg om betaling voor zijn werkzaamheden. Eiser brengt dit in verband met discriminatie en verweerder heeft de geloofwaardigheid van deze gebeurtenis niet in twijfel getrokken. Dat eiser ook heeft verklaard dat hij een aangenaam leven had in Bosaso en naar school ging, is daarom niet zonder meer voldoende om eisers beroep op discriminatie te verwerpen. Ter zitting heeft eiser bovendien verklaard dat deze verklaring afgezet dient te worden tegen het leven dat hij voorheen in Jemen had. Dat verweerder in het bestreden besluit (op juiste wijze) heeft betrokken dat zijn tante is gediscrimineerd, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, is de rechtbank niet gebleken, mede gelet op hetgeen hierover in 6.2 is overwogen.

De beroepsgrond slaagt.

Binnenlands vestigingsalternatief in Bosaso

Eiser voert aan dat hij niet zonder risico naar Bosaso kan reizen. Verweerder heeft, mede gelet op de vrees voor discriminatie en Al-Shabaab in Bosaso, ten onrechte aan hem tegengeworpen dat hij zich in Bosaso kan vestigen.

Op grond van paragraaf C2/3.4 van de Vc neemt verweerder aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c VV;

de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en

van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat verweerder niet van eiser verwacht dat hij terugkeert naar El Rage of Mogadishu. Wel verwacht verweerder van eiser dat hij terugkeert naar Bosaso, dat als binnenlands vestigingsalternatief wordt aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich in Bosaso vestigt. Allereerst verwijst de rechtbank hiervoor naar wat in 6.2 en 6.3 is overwogen. Nu verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd dat eiser in Bosaso niet aan discriminatie bloot heeft gestaan en eiser bovendien heeft verklaard dat in ieder geval twee familieleden van eiser daar zijn vervolgd, van wie één zelfs vermoord, heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser in Bosaso niet aan ernstige discriminatie bloot zal worden gesteld. Daarmee heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat aan de eerste voorwaarde van paragraaf C2/3.4 van de Vc is voldaan. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom van eiser verwacht mag worden dat hij zich in Bosaso vestigt (de derde voorwaarde). Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder bij zijn beoordeling de individuele kenmerken van eiser niet kenbaar heeft betrokken, zoals de omstandigheid dat eiser al in 2017 is vertrokken uit Bosaso, dat hij toen pas vijftien jaar oud was, dat hij behoort tot of wordt geassocieerd met een minderheidsstam en geen sociaal netwerk heeft in Bosaso. Of er rechtstreekse vluchten van Mogadishu naar Bosaso gaan, waarover partijen in verband met de tweede voorwaarde hebben gediscussieerd, kan in het midden blijven.

De beroepsgrond slaagt.

Terugkeerbesluit

Tot slot voert eiser aan dat verweerder geen terugkeerbesluit mocht opleggen waarin staat dat eiser moet terugkeren naar Somalië, omdat hij internationale bescherming geniet in Griekenland.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart en het bestreden besluit en het aanvullende besluit zal vernietigen, komt het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit te vervallen. Het is daarom niet nodig om deze beroepsgrond te beoordelen.

Conclusie

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het aanvullende besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

10. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en het aanvullende besluit in stand te laten, omdat verweerder de geconstateerde gebreken in de beroepsfase niet heeft hersteld. Ook zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, omdat het in de eerste plaats aan verweerder is om het risico op vervolging en/of ernstige schade alsmede de mogelijkheid van het tegenwerpen van een binnenlands vestigingsalternatief alsnog met de vereiste zorgvuldigheid te beoordelen. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus. Partijen hebben daar niet om gevraagd en er is geen reden om aan te nemen dat verweerder bij toepassing van een bestuurlijke lus eerder een nieuw besluit zal nemen dan wanneer de rechtbank verweerder opdraagt om binnen een bepaalde termijn een nieuw besluit te nemen. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, binnen tien weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank ziet geen reden om aan verweerder een dwangsom op te leggen, zoals eiser bij brief van 16 oktober 2025 heeft verzocht.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op het aanvullende besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en het aanvullende besluit;

- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. van Velzen

Griffier

  • mr. J.B.C. Hoeksel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?