RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5324
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
(gemachtigde: mr. M. Latul).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 30 januari 2026 om eiser over te dragen aan Oostenrijk.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001. Hij is op 17 januari 2026 staande gehouden door de vreemdelingenpolitie op basis van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op 18 januari 2026 is aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. Op 20 januari 2026 heeft eiser een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 29 augustus 2023 in Oostenrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 19 januari 2026 heeft Nederland aan Oostenrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr 604/2013 (Dublinverordening). Oostenrijk heeft dit verzoek op 29 januari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Op 30 januari 2026 heeft verweerder een overdrachtsbesluit genomen (het bestreden besluit), waarbij verweerder eiser ervan in kennis heeft gesteld dat hij aan Oostenrijk zal worden overgedragen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser voert aan dat het overdrachtsbesluit onrechtmatig is. Eiser wijst op zijn aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en stelt dat hij vanwege zijn relatie met een Spaanse vrouw geen onderdaan van een derde land is, zoals bedoeld in artikel 2, onder a, van de Dublinverordening. Hij is immers familielid van een Unieburger. Verder stelt eiser dat hij over een geldige verblijfstitel in Nederland beschikt, omdat hij gedurende zijn lopende aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en een eventuele bezwaarprocedure rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 2, onder l, van de Dublinverordening. Tot slot voert eiser aan dat niet Oostenrijk maar Spanje verantwoordelijk is, omdat hij het grondgebied van de lidstaten illegaal via Spanje is binnengekomen en hij ook geen asiel heeft aangevraagd in Oostenrijk.
In artikel 26 van de Dublinverordening is bepaald dat wanneer de aangezochte lidstaat instemt met de overname of de terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), de verzoekende lidstaat de betrokkene in kennis stelt van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat.
In artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening is bepaald dat de verantwoordelijke lidstaat verplicht is een onderdaan van een derde land of een staatloze wiens verzoek is afgewezen en die een verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in eisers geval terecht op grond van artikel 26 van de Dublinverordening een overdrachtsbesluit heeft genomen. Anders dan eiser stelt volgt uit Eurodac dat eiser in Oostenrijk asiel heeft aangevraagd. Verweerder mag uitgaan van de juistheid van de in Eurodac geregistreerde informatie. De Oostenrijkse autoriteiten hebben het claimverzoek van Nederland ook geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening, wat impliceert dat eisers asielverzoek in Oostenrijk is afgewezen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij geen onderdaan van een derde land is. Eiser bezit immers niet de nationaliteit van een lidstaat. Eiser kan evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat hij over een geldige verblijfstitel in Nederland beschikt. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat op de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER nog niet is beslist. Eiser had ten tijde van het bestreden besluit (en thans nog steeds) dus een procedureel verblijfsrecht in Nederland. Een zodanig verblijfsrecht valt echter niet onder het begrip ‘verblijfstitel’ dat is gedefinieerd in artikel 2, aanhef en onder l, van de Dublinverordening, zo valt af te leiden uit de laatste zinsnede van dat artikel.
De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.