ECLI:NL:RBDHA:2026:9217

ECLI:NL:RBDHA:2026:9217

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 09/225154-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Poging tot zware mishandeling door met een mes te steken. Geslaagd beroep op noodweer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/225154-25

Datum uitspraak: 17 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ( [land] ),

verblijfadres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.F.R. de Vrught en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. Heemskerk naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen te weten (een) verwonding(en) aan de kuit althans het been en/of lichaam heeft toegebracht door meerdere keren met een mes te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025278449, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 161).

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 3 april 2026, voor zover inhoudende:

Ik heb [slachtoffer] gestoken met een mes. Ik wilde hem ergens in zijn been raken.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 57):

Op 17 augustus 2025 was ik, verbalisant, onderweg naar de [adres 2] . Ik ging direct de woning in. Aan het einde van de gang zag ik dat in de slaapkamer links van de keuken een man op de grond zat. Ik zag dat hij twee steekwonden had aan zijn linker onderbeen.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 70):

Op 17 augustus 2025 bevond ik, verbalisant, mij op de [adres 2] . Toen ik de balkondeur opende en naar links keek zag ik het mes op een vuilniszak liggen. Ik zag dat het een zilverkleurige mes was met een zwart handvat. Ik zag op het lemmet van het mes nog bloed zitten.

4. Het geschrift, te weten de medische verklaring van [slachtoffer] , voor zover inhoudende (p. 131-132):

Conclusie: steekverwondingen onderbeen links. Onderbeen links: laterodorsaal tweetal laceraties van 6-7 cm waarbij de musculatuur a vue komt.

Bewijsoverwegingen

Meermalen gestoken?

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 17 augustus 2025 in zijn woning in Den Haag [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) met een mes in zijn kuit heeft gestoken. De verdachte kan zich niet herinneren of hij [slachtoffer] twee keer met het mes heeft gestoken. [slachtoffer] is door verbalisanten aangetroffen in de woning van de verdachte met twee steekverwondingen in zijn linker onderbeen. Ook uit de medische verklaring blijkt dat [slachtoffer] twee steekwonden in zijn linker kuit had. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan dan dat de verdachte [slachtoffer] twee keer in zijn kuit heeft gestoken met een mes. De rechtbank zal het meerdere keren steken met een mes dan ook bewezen verklaren.

Poging tot zware mishandeling?

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat aan een persoon zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, als deze persoon met een mes in de kuit of het onderbeen wordt gestoken, omdat daarmee gemakkelijk een pees of een slagader kan worden geraakt. De verdachte heeft, door aldus te handelen, deze aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [slachtoffer] twee keer met een mes in de kuit te steken.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 17 augustus 2025 te ’s-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, verwondingen aan de kuit heeft toegebracht door meerdere keren met een mes te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, indien een bewezenverklaring volgt, dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt, omdat niet voldaan is aan het vereiste van proportionaliteit.

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is vereist dat – in casu – het steken met het mes door de verdachte, geboden was ter noodzakelijke verdediging tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lichaam. Vereist is dat de gedraging van de verdachte is "geboden door de noodzakelijke verdediging", waarmee de subsidiariteits- als de proportionaliteitseis voor noodweer tot uitdrukking is gebracht.

Bij de beoordeling van het beroep op noodweer dient de rechtbank allereerst duidelijk te maken of zij de feitelijke toedracht, zoals door de verdediging bij haar verweer heeft aangevoerd, aannemelijk geworden acht.

Feitelijke toedracht

De verklaringen van de verdachte en [slachtoffer] lopen sterk uiteen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij rustig naar de woning van de verdachte is gegaan om met hem te praten. Toen de deur van de woning werd opengedaan is hij kalm naar binnen gegaan. Vervolgens begon volgens [slachtoffer] de verdachte, die in de woning aanwezig was, te schreeuwen en kwam hij met een mes op [slachtoffer] af. [slachtoffer] heeft toen een knuppel gepakt die in de woning aanwezig was en daarmee – ter verdediging – de verdachte eenmaal geslagen. [slachtoffer] is tweemaal door de verdachte in zijn been gestoken.

De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] met een honkbalknuppel naar de woning van de verdachte is gekomen. Volgens de verdachte heeft [slachtoffer] , toen de deur van de woning door de vriendin van de verdachte werd opengedaan, zijn vriendin aan de kant geduwd en is hij de woning binnen gegaan. In de gang, nabij de keuken, begon [slachtoffer] met de meegebrachte honkbalknuppel de verdachte op zijn hoofd en schouder te slaan. De verdachte heeft toen – nadat hij geslagen was – een mes uit de keuken gepakt en, terwijl hij gebukt stond, eenmaal een lange snijdende beweging gemaakt naar de benen van [slachtoffer] . Volgens de verdachte was dit om te zorgen dat [slachtoffer] de honkbalknuppel zou loslaten.

Wat de rechtbank allereerst kan vaststellen is dat [slachtoffer] naar de woning is gegaan van de verdachte. Deze woning is een portiekwoning op de eerste verdieping. De portiekwoning heeft geen achteruitgang en heeft, gelet op de foto’s van de woning, nauwe gangen. In de woning heeft [slachtoffer] de verdachte met een honkbalknuppel geslagen en heeft de verdachte [slachtoffer] met een mes gestoken.

De verklaring van de verdachte over de feitelijke toedracht vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in de camerabeelden in het dossier en het Whatsappgesprek tussen de vriendinnen van [slachtoffer] en de verdachte na het incident. Op de camerabeelden is te zien dat [slachtoffer] kort voor het incident, voor de woning van de verdachte uit een auto stapt, naar de kofferbak loopt, daar iets lijkt uit te halen en de kofferbak met zulke kracht dichtslaat, dat deze weer openspringt. [slachtoffer] doet niet alsnog de kofferbak dicht en rent - de verbalisant beschrijft het als ‘opgefokt’ - richting het portiek van de woning van de verdachte. [slachtoffer] heeft iets in de hand dat licht weerkaatst. In het Whatsappgesprek heeft de vriendin van [slachtoffer] een bericht gestuurd dat [slachtoffer] en de verdachte de consequenties zullen dragen van het incident, ‘die ene voor een baseballknuppel en de ander voor het mes’.

De camerabeelden en het whatsappgesprek geven reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] . Daarentegen sluit, zoals hiervoor overwogen, de lezing van de verdachte van het incident aan bij deze bevindingen.

Noodweer

De noodzaak tot verdediging ontbreekt indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is, dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.

De rechtbank moet ook de vraag beantwoorden of de wijze van verdediging door de verdachte proportioneel was. Uit de proportionaliteitseis volgt dat een gedraging niet straffeloos is als deze gedraging – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

Het door de verdachte geschetste verloop van het incident leverde naar het oordeel van de rechtbank een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Gegeven de omstandigheden waaronder de aanranding geschiedde, kon van de verdachte niet worden gevergd dat deze zich daaraan moest onttrekken. De aanranding vond immers plaats in een nauwe gang in de woning van de verdachte, waarbij voor de verdachte geen reële mogelijkheid bestond om zich aan die aanranding te onttrekken.

Van de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd, het steken met een mes waardoor [slachtoffer] is verwond, kan niet worden gezegd dat deze verdediging – tegenover het slaan met een honkbalknuppel op het hoofd en schouder door [slachtoffer] – disproportioneel was. Omdat de verdachte zich, gegeven de noodweersituatie zoals hierboven beschreven, mocht verweren tegen het jegens hem gepleegde geweld is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet heeft gehandeld in strijd met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het beroep op noodweer slaagt daarom.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, omdat de verdachte een beroep op noodweer toekomt. De verdachte wordt dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.

5. De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.692,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 192,50 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële gedeelte van de vordering volledig kan worden toegewezen en het immateriële gedeelte gematigd dient te worden en kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.500,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, primair op grond van vrijspraak en subsidiair op grond van het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging wegens noodweer.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en aan hem derhalve geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

6. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

poging tot zware mishandeling;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.W. Duijnstee, voorzitter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

mr. S. Pereth, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. N.D. van Duijkeren en F.A.M. Schuijt, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.W. Duijnstee
  • mr. K.C.J. Vriend
  • mr. S. Pereth

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?