RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.532
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Eiser heeft op 17 december 2025 een opvolgende aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 december 2025 deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de behandeling van de voorlopige voorziening NL26.533, op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.
Overwegingen
Achtergrond
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Ghanese nationaliteit.
Eiser heeft eerder, op 26 januari 2023, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 5 juni 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 20000 omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst. Ook zijn in dit besluit aan eiser een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht en een inreisverbod opgelegd.
Bij uitspraak van 28 november 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, geoordeeld dat de minister aan eiser geen onmiddellijke vertrektermijn en ook geen inreisverbod mocht opleggen. Voor het overige zijn de rechtgevolgen van het besluit in stand gelaten.
Besluitvorming
2. De minister heeft de aanvraag van 17 december 2025 met het bestreden besluit van 30 december 2025 niet in behandeling genomen op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser ondanks verzoeken daartoe geen informatie heeft verstrekt die van belang zijn voor zijn aanvraag. Tegen het voornemen heeft eiser geen zienswijze ingediend. Ook staat in het bestreden besluit dat aan eiser reeds een terugkeerbesluit is opgelegd waarin staat dat hij moet vertrekken. Ook legt de minister in het bestreden besluit aan eiser een inreisverbod van twee jaar op.
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat hij lijdt aan het Chung-Jansen syndroom. Dit syndroom kan diverse problematiek veroorzaken zoals een ontwikkelingsachterstand en problemen in het gedrag. Eiser heeft uit eigen beweging de herhaalde asielaanvraag ingediend en heeft vooraf geen overleg gepleegd met zijn gemachtigde. Eiser heeft gehandeld uit onwetendheid, angst en stress. Dit wordt hem nu veel te zwaar aangerekend door alsnog een inreisverbod op te leggen, temeer nu eiser in het geheel niet is gehoord over eventuele bezwaren tegen het opleggen van een inreisverbod en zeker wanneer rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsachterstand van eiser. Er is bewust geen zienswijze ingediend tegen het voornemen. Daar was ook geen reden toe, nu begrepen werd dat de minister de aanvraag buiten behandeling zou gaan stellen. Plotsklaps werd in het bestreden besluit echter alsnog een inreisverbod opgelegd, reden voor eiser om alsnog beroep in te stellen.
Beoordeling door de rechtbank
Ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels is terug gekeerd naar Ghana. De rechtbank stelt vast dat het beroep enkel is gericht tegen het opgelegde inreisverbod.
Door eiser is niet betwist dat de minister op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 bevoegd was een inreisverbod uit te vaardigen tegen eiser.
Naar de rechtbank begrijpt voert eiser enkel aan dat het te zwaar is om aan hem, zonder hem over zijn eventuele bezwaren te horen, een inreisverbod op te leggen nu hij lijdt aan het Chung-Jansen syndroom en het niet de bedoeling was om de aanvraag in te dienen.
De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat nu het hier een buitenbehandelingstelling betreft, het op eisers weg had gelegen om de aanvraag eerst aan te vullen met de missende informatie en dat de minister pas na deze aanvulling overgaat tot horen. Nu eiser heeft aangegeven dat hij bewust geen zienswijze heeft ingediend, heeft de minister dus terecht afgezien van het horen van eiser.
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat ook eisers syndroom voor de minister geen reden heeft hoeven zijn om eiser te horen. Eiser wist immers gelet op de procedure dat het syndroom enkel een niet onderbouwde stelling is. De minister hoefde hier dan ook geen rekening mee te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.