RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24244
(gemachtigde: mr. E. Stap),
en
(gemachtigde: mr. J.J.F. van Raak).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 10 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. J.W.F. Menick als waarnemer van de gemachtigde van eiser, E. Battaloglu als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1975. Hij was geen lid van de Gülenbeweging, maar nam wel deel aan activiteiten van deze beweging. Ook gaf hij onbetaald les aan leerlingen van wie de ouders tot de Gülenbeweging behoorden. Kort na de couppoging op 15 juli 2016 werd eiser op 16 augustus 2016 gearresteerd en vervolgens veroordeeld tot zes jaar en drie maanden gevangenisstraf wegens (toegedicht) lidmaatschap van de Gülenbeweging. Na vier jaar detentie is eiser voorwaardelijk vrijgelaten, maar hij werd nog nauwlettend in de gaten gehouden door de autoriteiten. Zo heeft de overheid na eisers vrijlating zes maanden lang een politieagent voor zijn huis laten posten. Ook heeft eiser een meldplicht gehad, die eindigde op 12 september 2022. Eiser is op 12 januari 2023 uit Turkije vertrokken. Hij stelt dat hij op 13 mei 2024 opnieuw is veroordeeld door een Turkse rechtbank tot één jaar voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een kopie van deze veroordeling overgelegd. Bij terugkeer vreest eiser vervolging door de Turkse autoriteiten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
De minister heeft eisers asielaanvraag beoordeeld met toepassing van artikel 31, zesde lid, van de Vw. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser zijn geloofwaardig. De eerdere veroordeling en detentie vanwege toegedichte Gülen-banden zijn eveneens geloofwaardig. Hieruit blijkt echter niet dat eiser op dit moment nog een gegronde vrees voor vervolging heeft. Het document dat eiser heeft ingebracht over de gestelde veroordeling van 13 mei 2024 is een kopie, waardoor dit document niet op echtheid kan worden onderzocht. Uit een niet-officiële vertaling van het document blijkt bovendien dat het niet om een nieuwe veroordeling gaat, maar over afspraken die zijn gemaakt na de voorwaardelijke vrijlating van eiser. Verder is eiser legaal uitgereisd, wat niet duidt op een negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten.
Beoordeling gronden van beroep
5. Eiser voert aan dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege de onterechte vervolging, veroordeling en detentie waaraan hij eerder is blootgesteld. De rechtbank begrijpt dit als een beroep op artikel 31, vijfde lid, van de Vw.
Desgevraagd heeft de minister zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser in het verleden is vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag, niet maakt dat de bewijslast nu op de minister rust. Uit artikel 31, eerste lid, van de Vw volgt dat het aan eiser is om zijn asielaanvraag aannemelijk te maken en eisers aanvraag is terecht afgewezen met toepassing van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Daarnaast heeft de minister ter zitting naar voren gebracht dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat eiser niet opnieuw vervolgd zal worden. Hij wijst op de verklaringen van eiser en de beschikbare landeninformatie.
Op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Vw, voor zover hier van belang, is het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.
De rechtbank stelt vast dat de minister heeft erkend dat eiser in het verleden is blootgesteld aan vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Dit betekent dat de minister eisers asielaanvraag had moeten beoordelen met toepassing van artikel 31, vijfde lid, van de Vw. De bewijslast dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen, ligt bij de minister. De rechtbank constateert dat de minister de aanvraag heeft afgewezen op de grond dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging. De minister heeft hiermee niet onderkend dat de bewijslast in dit geval niet op eiser rust, maar op de minister.
Anders dan de minister heeft aangevoerd, kan uit de verklaringen van eiser en uit de landeninformatie over Turkije niet worden geconcludeerd dat eiser niet opnieuw zal worden vervolgd. De minister stelt dat uit eisers verklaringen naar voren komt dat hij na zijn vrijlating geen problemen meer heeft ondervonden van de autoriteiten, maar daarmee gaat de minister eraan voorbij dat de politie nog lange tijd voor eisers woning heeft gepost, dat hij nog een meldplicht heeft gehad en dat hij kort na het einde van die meldplicht in september 2022, Turkije heeft verlaten in januari 2023. Ook de landeninformatie leidt niet tot de conclusie dat eiser geen gegronde voor vervolging heeft. Uit het Algemeen Ambtsbericht inzake Turkije van februari 2025 (het Ambtsbericht) volgt namelijk dat nog steeds sprake is van vervolging van Gülenisten. Daarnaast blijkt uit het Ambtsbericht dat het feit dat eiser Turkije legaal heeft kunnen verlaten nog niet betekent dat hij niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.
De beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat het niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
De minister moet hierbij ook het document van 13 mei 2024 betrekken. Uit het dossier komt naar voren dat de minister dit stuk heeft vertaald, maar de minister heeft ter zitting erkend dat deze vertaling niet is opgenomen in het dossier. Dit dient alsnog te gebeuren. De rechtbank wijst er hierbij op dat het document weliswaar het een kopie betreft, maar dat het hier om een eerste asielaanvraag gaat. Bovendien is ter zitting aan de orde geweest dat eiser mogelijk het originele document kan overleggen.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 mei 2025;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
3 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.