RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.827
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en
(gemachtigde: mr. E. de Jong).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze
beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de
asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank volgt eiser allereerst niet in zijn stelling dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verder heeft verweerder de problemen vanwege eisers activisme en zijn problemen in het leger wegens discriminatie ongeloofwaardig kunnen vinden. Daarnaast is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser bij terugkeer naar Mauritanië geen gegronde vrees heeft voor vervolging. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 22 november 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 12 december 2025 afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, J.P. Kent als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Mauritaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1989. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft Mauritanië verlaten vanwege raciale problemen. Hij heeft verklaard problemen te hebben wegens zijn activisme. Hij heeft tijdens zijn opleiding bij de universiteit (2012-2013) tweemaal deelgenomen aan protesten tegen discriminatie. Hij is toen opgepakt door de politie en gemarteld in de gevangenis. Hij is verder ook actief geweest als rapper met teksten tegen discriminatie en plaatste tussen 2016 en 2024 ook activistische berichten op sociale media. Ook tijdens zijn werk in het leger heeft eiser problemen ervaren wegens discriminatie. Zo kon eiser vanwege zijn huidskleur geen promotie krijgen. Eiser heeft via-via gehoord dat hij op een lijst van revolutionairen staat en dat de autoriteiten naar hem op zoek zijn. Bij terugkeer naar Mauritanië is hij bang opgepakt en gemarteld of doodgeschoten te worden.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft daarbij ook een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder stelt dat het asielrelaas van eiser uit de volgende asielmotieven bestaat:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen wegens activistische activiteiten;
3. problemen in het leger wegens discriminatie.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen wegens de activistische activiteiten en de problemen in het leger wegens discriminatie vindt verweerder niet geloofwaardig. Over de problemen wegens de activistische activiteiten stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser dit asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. Met alleen zijn verklaringen heeft eiser de problemen ook niet kunnen onderbouwen, omdat die verklaringen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en daarmee niet voldoen aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Verweerder werpt hierbij tegen dat de incidenten in 2012 en 2013 niet tot verdere problemen hebben geleid, eiser geen documenten van zijn uitingen op sociale media heeft overgelegd en dat hij summier verklaart over zijn problemen in het leger wegens zijn activistische activiteiten. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser summier verklaart over de gevolgen van de waarschuwing. Verder werpt verweerder nog tegen dat geen officiële waarschuwing is gekomen vanuit het leger dan wel de autoriteiten. Verweerders conclusie is dat hij eisers activiteiten in de periode van 2011 tot 2013 en zijn politieke overtuiging wel, maar zijn sociale media-activiteiten van 2016 tot 2024 niet geloofwaardig vindt.
Over de problemen in het leger wegens discriminatie stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser dit asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. Met alleen zijn verklaringen heeft eiser de problemen ook niet kunnen onderbouwen, omdat die verklaringen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en daarmee niet voldoen aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Verweerder werpt tegen dat hij de discriminatie in het leger wegens eisers etniciteit niet kan volgen. Eiser heeft namelijk verscheidene documenten overgelegd waaruit volgt dat hij juist niet werd tegengehouden in zijn carrière.
Het geloofwaardig geachte asielmotief, namelijk eisers identiteit, nationaliteit en herkomst, leidt volgens verweerder niet tot gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Eiser heeft volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolging vanwege zijn desertie, nu uit zijn verklaringen niet blijkt dat hij als militair handelingen moest verrichten die onder de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen of dat de desertie leidt tot onevenredige of discriminatoire bestraffing. Nu eiser 11 jaar vrijwillig beroepsmilitair is geweest, leidt verweerder daaruit ook af dat er in zijn geval geen sprake is van gewetensbezwaren wegens godsdienst dan wel andere diepgewortelde overtuigingen. Eiser heeft bij zijn zienswijze nog een arrestatiebevel overgelegd, maar hij heeft volgens verweerder met dit document ook niet voldoende kunnen onderbouwen dat hij strafrechtelijk wordt vervolgd vanwege zijn desertie. De gestelde inhoud komt namelijk niet overeen met de door eiser overgelegde vertaling ervan. Ook betreft het een kopie, en is het dus niet objectief verifieerbaar. Verder heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging vanwege discriminatie op basis van zijn etnische afkomst, nu hij geen situatie heeft genoemd waarin het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk of sociaal gebied te functioneren of waarbij zijn bestaanszekerheid wordt bedreigd. Daarbij is niet gebleken dat hij is uitgesloten van het maatschappelijk leven, enkel en alleen omdat hij Pular is.
Is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
5. Eiser voert kort gezegd aan dat verweerder bij de toepassing van WI 2024/6 zijn asielrelaas niet heeft beoordeeld overeenkomstig artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn en artikel 10, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Hij verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2025.
Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de samenwerkings- en onderzoeksplicht volgend uit artikel 4, eerste en derde lid, van de Kwalificatierichtlijn, artikel 10, derde lid, van de Procedurerichtlijn en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de wijze van beoordeling die volgt uit WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht of onredelijk is. Verweerder mag van eiser verlangen dat hij zijn asielmotieven, waar mogelijk, met objectieve en authentieke bewijsmiddelen onderbouwt. Als eiser niet in staat is om zulke documenten te overleggen, beoordeelt verweerder of hij met zijn verklaringen zijn asielmotieven heeft kunnen onderbouwen. Dat er geen authentieke of objectief verifieerbare documenten zijn is dus niet bepalend. In de werkinstructie staat ook dat kopieën wel worden betrokken als het motief niet volledig met documenten is onderbouwd. Dit is in lijn met het arrest LH waarin is geoordeeld dat niet-authentieke documenten bij de beoordeling moeten worden betrokken. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 oktober 2025.
Voor zover eiser betoogt dat door alleen artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw tegen te werpen dit artikel ten onrechte als ‘checklist’ wordt gehanteerd, volgt de rechtbank dit niet. In de praktijk en ook in deze zaak past verweerder WI 2024/6 zo toe dat artikel 31, zesde lid, van de Vw geen checklist met cumulatieve voorwaarden is, maar dat hij alle omstandigheden in samenhang beoordeelt om tot een conclusie over de geloofwaardigheid van het relaas te komen.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet is genomen in strijd met de samenwerkings- en onderzoeksplicht. Anders dan eiser heeft gesteld heeft verweerder geen stukken terzijde geschoven met de motivering dat het geen objectieve stukken zijn. Verweerder heeft in het bestreden besluit bijvoorbeeld opgemerkt dat de gestelde inhoud van het overgelegde gerechtelijke document zoals door eiser toegelicht in de zienswijze niet overeenkomt met de door hem overgelegde vertaling daarvan. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit over de overgelegde schermafdruk van het artikel over het bevel van de stafchef om alle deserteurs te vervolgen, opgemerkt dat niet is gebleken dat eiser persoonlijk het doelwit is van dit bevel en hij dit enkel baseert op zijn eigen vermoedens en aannames. Een dag voor de zitting heeft eiser nog een aantal stukken overgelegd, namelijk een door eiser geschreven ontslagbrief, een reactie hierop van een bevelhebber van het leger en een klachtenanalyse van het leger over het gedrag van eiser. Ter zitting heeft verweerder ook aan de hand van de inhoud van deze documenten toegelicht waarom hij hier geen doorslaggevende bewijswaarde aan toekent. De rechtbank volgt eisers standpunt dat de onderzoeks- en samenwerkingsplicht geschonden is dan ook niet.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de problemen wegens activisme activiteiten en de problemen in het leger wegens discriminatie ongeloofwaardig kunnen vinden?
6. Eiser voert – kort gezegd – aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn activistische activiteiten, zijn online uitingen, zijn kwalificatie als “revolutionair” onjuist is en onvoldoende gemotiveerd. Verder heeft verweerder de overgelegde landeninformatie en de andere door eiser overgelegde documenten niet kenbaar bij de geloofwaardigheidsbeoordeling betrokken.
Problemen vanwege activistische activiteiten
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen vanwege eisers activisme ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. Verweerder heeft hierbij kunnen tegenwerpen dat de incidenten in 2012-2013 niet tot verdere problemen hebben geleid. De rechtbank volgt daarbij de motivering van verweerder, dat het feit dat eiser na deze problemen in dienst kon treden bij het leger en hier carrière heeft kunnen maken tot aan zijn vertrek 11 jaar later, aantoont dat deze problemen geen verdere invloed hebben gehad op zijn persoonlijke omstandigheden en de ontwikkelingen in zijn leven. Met betrekking tot de activistische uitingen in sociale media, waarvan eiser stelt dat hij gevaar loopt omdat is uitgekomen dat hij deze heeft geplaatst, heeft verweerder in het kader van de geloofwaardigheid in het bestreden besluit kunnen tegenwerpen dat eiser daarvan geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd. Kort voor de zitting heeft eiser een klachtenanalyse overgelegd waarbij meerdere schermafdrukken van de Facebook-pagina van het betreffende account, [naam], zijn gevoegd. Deze schermafdrukken bevatten berichten met kritiek op de regering. De rechtbank volgt echter de motivering van verweerder ter zitting dat aan deze schermafdrukken niet de gewenste bewijswaarde toekomt, omdat daaruit niet blijkt dat dit account van eiser is of dat er een andere band is tussen eiser en dit account. Verder heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat zijn naam niet aan het account was verbonden en hij onder een pseudoniem deze berichten plaatste. De rechtbank volgt ook de motivering van verweerder in het bestreden besluit op dit punt, namelijk dat juist omdat eiser heeft verklaard dat hij onder een pseudoniem de berichten plaatste, niet valt in te zien waarom hij het account dan uit angst heeft verwijderd bij zijn terugkeer naar Mauritanië vanuit China. Het account zou dan immers niet te herleiden naar zijn eiser. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat hij eisers gestelde uitingen in sociale media in de periode 2016-2024 niet geloofwaardig vindt.
Verweerder heeft in het bestreden besluit ook het standpunt kunnen innemen dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat de autoriteiten hem hebben bestempeld als ‘revolutionair’ naar aanleiding van de wel geloofwaardig geachte activistische activiteiten, nu eiser heeft verklaard dat hij via het leger stage heeft kunnen lopen in China, hij deze stage zonder problemen heeft afgerond en hij zonder problemen is teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Dat eiser kort voor de zitting een klachtenanalyse van het leger over zijn gedrag heeft overgelegd, maakt dit niet anders. Verweerder heeft ter zitting een aantal kanttekeningen bij dit stuk geplaatst. Zo stelt verweerder zich onder andere op het standpunt dat het stuk een scan is van een rapport afkomstig van de brigade van militaire inlichtingen en veiligheid, en dat het daarmee niet objectief verifieerbaar is. Verweerder heeft ook gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een vertrouwelijk stuk als dit, zoals eiser ter zitting heeft verklaard, door een vriend is gescand en naar hem is toegestuurd. Deze kanttekeningen kan de rechtbank volgen en zij ziet met verweerder daarom onvoldoende reden om aan dit stuk een doorslaggevende betekenis toe te kennen. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat uit het arrestatiebevel volgt dat hij problemen heeft vanwege zijn activistische activiteiten, volgt de rechtbank verweerders standpunt in het bestreden besluit dat de gestelde inhoud van het overgelegde gerechtelijke document zoals door eiser toegelicht in zijn zienswijze niet overeenkomt met de door hem overgelegde vertaling ervan, dat het gaat om een kopie en dat dit daarom niet leidt tot een ander oordeel over de geloofwaardigheid.
Problemen in het leger wegens discriminatie
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen in het leger wegens discriminatie ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. Verweerder merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De rechtbank kan, met inachtneming van deze definitie, het standpunt van eiser dat hij is gediscrimineerd in het leger en is tegengehouden in zijn carrière, niet volgen. De rechtbank volgt wel het standpunt van verweerder, dat uit de door eiser overgelegde documentatie juist blijkt dat hij niet is tegengehouden in zijn carrière. Hierom heeft verweerder de door eiser gestelde ervaren discriminatie in het leger ook niet geloofwaardig hoeven vinden. Dat eiser heeft verklaard dat hij niet op alle gewenste momenten promotie heeft gekregen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat er sprake is van discriminatie: dit kan ook vanwege andere redenen zijn geweest. Hij heeft ook niet onderbouwd dat dit wegens discriminatie is geweest. Voor zover eiser stelt dat hij in het nader gehoor heeft verklaard dat hem als militair maandenlang zorg is geweigerd, maar dat dit niet goed is vertaald, constateert de rechtbank erop dat eiser deze stelling ook niet nader heeft onderbouwd. De overgelegde landeninformatie van Vluchtelingenwerk Nederland overgelegd maakt het oordeel van de rechtbank, dat verweerder de problemen in het leger wegens de discriminatie ongeloofwaardig heeft kunnen vinden, niet anders. Deze landeninformatie ziet namelijk vooral op slavenpraktijken in Mauritanië. Niet alleen is er in deze zaak sprake van een heel ander soort situatie, ook heeft eiser niet onderbouwd hoe deze informatie betrekking op hem heeft.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de problemen wegens eisers activisme en de problemen in het leger wegens discriminatie ongeloofwaardig kunnen vinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Mauritanië?
9. Eiser voert – kortgezegd – aan dat door zijn desertie en de daarop te verwachten bestraffing te kwalificeren als een neutrale militaire sanctie, verweerder de politieke en raciale context miskent en het begrip “vervolging” in de zin van het Vluchtelingenverdrag en artikel 9 van de Kwalificatierichtlijn onjuist toepast. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het Vluchtelingenverdrag, artikel 9 van de Kwalificatierichtlijn, artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw en artikel 3 van het EVRM, en kent een ernstig motiveringsgebrek. Verder heeft verweerder eisers individuele ervaringen van etnische discriminatie en de daarbij overgelegde landeninformatie niet voldoende in samenhang beoordeelt. Ook om deze reden moet het bestreden besluit vernietigd worden.
Desertie
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zijn vrees voor vervolging vanwege desertie niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de voorwaarden die volgen uit paragraaf C2/3.2.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Eiser heeft allereerst niet aannemelijk gemaakt met zijn verklaringen of met andere concrete informatie dat hij is gedeserteerd omdat hij vreesde anders te moeten deelnemen aan misdrijven die onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing vanwege zijn desertie. De overgelegde schermafdruk van het artikel over het bevel van de stafchef maakt dit niet anders, want de omstandigheid dat deserteurs bestraft worden, maakt niet gelijk dat deze bestraffing onevenredig of discriminatoir is. Dat de bestraffing onevenredig of discriminatoir is volgt niet uit het overgelegde artikel en heeft eiser niet op andere wijze onderbouwd. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, die geleid hebben tot zijn desertie. De omstandigheid dat eiser 11 jaar in het leger heeft gediend, wijst volgens de rechtbank juist op het tegenovergestelde. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat uit het arrestatiebevel volgt dat hij problemen heeft vanwege zijn desertie, volgt de rechtbank – zoals overwogen onder 6.2. – de motivering van verweerder in het bestreden besluit, namelijk dat de gestelde inhoud van het overgelegde gerechtelijke document zoals door eiser toegelicht in de zienswijze niet overeenkomt met de door hem overgelegde vertaling daarvan, dat het gaat om een kopie en dat dit daarom niet leidt tot een ander oordeel over de vrees voor vervolging vanwege desertie.
Discriminatie op basis van eisers etnische afkomst
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege discriminatie op basis van zijn etnische afkomst. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder, namelijk dat niet is gebleken dat eiser is uitgesloten van het maatschappelijk leven, enkel en alleen omdat hij van Pular-afkomst is. Daarbij acht de rechtbank, net als verweerder, van belang dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij in Mauritanië heeft kunnen wonen en werken, 11 jaar werkzaam is geweest als beroepsmilitair, een universitaire opleiding en een Hbo-opleiding heeft gevolgd en toegang heeft gehad tot medische zorg.
Revolutionair
De rechtbank heeft hiervoor, in 6.2, al geoordeeld dat verweerder eisers verklaringen dat de autoriteiten hem hebben bestempeld als ‘revolutionair’ niet geloofwaardig heeft kunnen vinden. Hieruit volgt dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer als ‘revolutionair’ zal worden vervolgd.
De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Mauritanië. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder een terugkeerbesluit kunnen opleggen?
10. Nu de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat zij met verweerder van oordeel is dat eiser bij terugkeer naar Mauritanië niet hoeft te vrezen voor vervolging, treft de stelling van eiser dat het non-refoulementsbeginsel zich tegen terugkeer naar Mauritanië verzet geen doel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser de gevraagde asielvergunning niet krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.