ECLI:NL:RBDHA:2026:9238

ECLI:NL:RBDHA:2026:9238

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer NL26.5746 en NL26.5747
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Dublin Frankrijk. Ten aanzien van Frankrijk kan nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Dat wat eiser in dit verband heeft aangevoerd is onvoldoende om te concluderen dat verweerder in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft mogen uitgaan. Verweerder heeft ook geen aanleiding hoeven zien om af te zien van overdracht aan Frankrijk en toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft de gevolgen van de overdracht op eisers gezondheidstoestand laten onderzoeken door het BMA en mag van de BMA-adviezen uitgaan, omdat deze op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Aan het betreden besluit kleeft echter een motiveringsgebrek, omdat verweerder zich in dat besluit op het standpunt heeft gesteld dat overdracht kan plaatsvinden als eiser tijdens de reis door een (psychiatrisch) verpleegkundige wordt begeleid. Uit het aanvullende advies van het BMA volgt echter dat ook fysieke overdracht aan een psychiatrische instelling ter plaatse een noodzakelijke reisvoorwaarde voor overdracht is. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De aanvullende motivering van verweerder ter zitting kan het besluit evenwel dragen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven

Uitspraak

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Uit Eurodac is gebleken dat hij asielaanvragen heeft ingediend in Italië, Duitsland en Frankrijk. Eiser heeft verklaard dat de Franse autoriteiten zijn asielaanvraag hebben afgewezen. Op 3 oktober 2025 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 2 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft ook een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter

Waarover gaat deze uitspraak?

2. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat het beroep gegrond is, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiser uiteindelijk ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Verweerder mag eiser, met inachtneming van de gestelde reisvoorwaarden, overdragen aan Frankrijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. De rechtbank legt hierna uit, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, hoe zij tot dat oordeel komt.

Wat houdt het bestreden besluit in?

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder op 13 november 2025 een terugnameverzoek gedaan bij de Franse autoriteiten. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 26 november 2025 aanvaard. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.

Heeft verweerder ten aanzien van Frankrijk mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

4. Eiser betwist dat in zijn geval ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Frankijk handelt niet overeenkomstig de Europese richtlijnen. Bij zijn eerdere asielaanvraag in Frankrijk is hij niet goed behandeld en op straat terechtgekomen. Bij het indienen van een herhaalde asielaanvraag zal dit niet anders zijn. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De rechtbank stelt voorop dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 april 2025 volgt dat verweerder ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd bevestigd dat dit beginsel ook niet in algemene zin wordt betwist, maar dat hierop in dit geval vanwege de persoonlijke omstandigheden van eiser een uitzondering moet worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat wat eiser in dit verband heeft aangevoerd onvoldoende is om te concluderen dat verweerder in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft mogen uitgaan. Daarbij betrekt de rechtbank dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord garanderen dat zij eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling zullen nemen. Indien eiser zich na overdracht aan Frankrijk geconfronteerd ziet met problemen in de opvang of asielprocedure, dient hij daarover te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Zoals verweerder terecht heeft overwogen in het bestreden besluit is niet gebleken dat dit bij voorbaat zinloos is. Verder overweegt de rechtbank dat juist vanwege eisers persoonlijke omstandigheden reisvoorwaarden zijn gesteld, die hieronder nader worden besproken. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder aanleiding moeten zien om de aanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?

5. Eiser voert aan dat van overdracht aan Frankrijk moet worden afgezien. Zijn medische situatie kan een situatie opleveren zoals bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië van het Hof van 16 februari 2017. De overdracht levert namelijk een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand op. In dat kader wijst hij ook op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 4 juli 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025. Bovendien heeft hij gerede twijfel dat hij na overdracht de benodigde medische zorg zal krijgen. Verweerder had daarom aanleiding moeten zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat hij in wat door eiser is aangevoerd geen aanleiding hoeft te zien om af te zien van overdracht aan Frankrijk en toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zij overweegt daartoe als volgt.

In het arrest C.K. heeft het Hof geoordeeld dat zelfs als kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, een vreemdeling alleen kan worden overgedragen als is uitgesloten dat er zwaarwegende, objectieve gronden zijn om aan te nemen dat de vreemdeling na overdracht een reëel en bewezen risico loopt op een onmenselijk of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. In het geval van een vreemdeling met een ernstige medische aandoening is van een dergelijk risico sprake als de overdracht zou leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het aan de vreemdeling om dit risico met recente objectieve medische informatie van zijn of haar behandelaren te onderbouwen. De vreemdeling moet aantonen dat er sprake is van een bijzonder slechte gezondheidssituatie en dat de overdracht tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn of haar gezondheid zal leiden. Uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een vreemdeling dergelijke objectieve gegevens overlegt, een vergewisplicht kan ontstaan. Deze plicht houdt in dat verweerder nader onderzoek moet doen naar het risico zodat iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de vreemdeling wordt weggenomen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een vreemdeling suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval is veelal een onderzoek door Bureau Medische Advisering (BMA) geïndiceerd.

Hangende de besluitvorming heeft eiser een patiëntendossier van het GZA en een diagnose van een psycholoog van Dimence overgelegd en verweerder verzocht om het BMA onderzoek te laten doen. Dat heeft verweerder gedaan. Uit het advies van het BMA van 16 januari 2026 volgt dat bij eiser een posttraumatische stressstoornis (PTSS) is vastgesteld en dat hij sinds november 2025 op de Intensief Begeleide Opvang van het COA verblijft: “Betrokkene heeft last van herbelevingen en slaapproblemen door nachtmerries en angst, welke in Libië zijn begonnen. Er is sprake van suïcidale ideaties zonder concrete plannen. In de afgelopen maanden was betrokkene overmeesterd door beveiliging toen hij zichzelf in zijn buik wilde steken. In Frankrijk was er sprake van een suïcidepoging door alcoholintoxatie na bericht dat zijn moeder was overleden. Het is in beide gevallen onduidelijk wat de aanleiding hiervoor was en wat voor interventie hierop is gedaan.” Ook volgt uit dit advies dat eiser wordt behandeld bij Dimence psychiatrie en dat begeleiding door een (psychiatrisch) verpleegkundige gedurende de reis naar Frankrijk een noodzakelijke reisvoorwaarde in het kader van overdracht is. Door het BMA wordt aanbevolen dat eiser een schriftelijke overdracht van zijn medische gegevens meeneemt, de medicatie continueert tijdens de reis en voldoende medicatie meeneemt om de periode van de reis te overbruggen.

In beroep heeft eiser een brief van 27 maart 2026 van mevrouw [naam] , zijn regiebehandelaar en klinisch psycholoog bij Dimence, overgelegd. In deze brief staat dat eisers toestandsbeeld is verslechterd in reactie op de voortgang van de Dublinprocedure en specifiek op de dreigende terugkeer naar Frankrijk, en dat fysieke overdracht noodzakelijk wordt geacht: “Geluxeerd door de dreigende terugkeer naar Frankrijk ervaart betrokkene momenteel een duidelijke toename van suïcidaliteit en PTSS-klachten, met name dissociatie door herbelevingen, waardoor betrokkene meerdere dagen per week in een dissociatieve toestand verkeert. Tijdens deze episodes is hij niet in staat tot basale zelfzorg, waaronder eten, drinken, zich aankleden en het innemen van medicatie. Bovendien ontving betrokkene al voor de verslechtering van zijn toestandsbeeld 24-uurs zorg en dagelijks psychiatrisch verpleegkundig contact, noodzakelijk voor het monitoren van zowel zijn psychische toestand als de medicatie-inname. Geïndiceerd is dat betrokkene dagelijks zijn medicatie krijgt omdat hij zelfstandig niet in staat is om dagelijkse inname van medicatie op te volgen.” Verweerder heeft aanleiding gezien om opnieuw advies van het BMA in te winnen. Uit het aanvullende advies van het BMA van 31 maart 2026 volgt dat het eerdere advies van 16 januari 2026 naar aanleiding van de nieuwe medische informatie niet kan worden gehandhaafd: “In aanvulling op de eerder geadviseerde reisvoorwaarden acht ik thans noodzakelijk: 1) begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige die tevens de medicatie van betrokkene beheert en betrokkene fysiek kan overdragen, en 2) een fysieke overdracht aan een psychiatrische instelling ter plaatse, waar de behandeling en intensieve begeleiding voor PTSS kan worden gecontinueerd.” Het BMA concludeert dat eiser niet in staat is te reizen zolang de fysieke overdracht niet is geregeld en niet is voldaan aan de reisvoorwaarden.

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij met het inwinnen van het eerste en het aanvullende BMA-advies heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Volgens verweerder kan eiser worden overgedragen aan Frankrijk indien aan de gestelde reisvoorwaarden is voldaan. Met inachtneming van deze reisvoorwaarden wordt een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand weggenomen. Eiser zal niet worden overgedragen aan Frankrijk als niet aan de gestelde reisvoorwaarden kan worden voldaan. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025 volgt verweerder niet, omdat het bijzondere samenstel van factoren dat in die zaak aan de orde was zich in de situatie van eiser niet voordoet.

Uit de overlegde stukken leidt de rechtbank af dat eiser kampt met ernstige medische problemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder desondanks de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het EU Handvest als gevolg van de overdracht kunnen wegnemen, indien de door het BMA in het aanvullende advies vastgestelde reisvoorwaarden in acht worden genomen. Verweerder heeft de gevolgen van de overdracht op eisers gezondheidstoestand laten onderzoeken door het BMA en mag van de BMA-adviezen uitgaan, omdat de adviezen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. In diverse uitspraken van de Afdeling vindt de rechtbank steun voor dit oordeel. Ook heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat eisers overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Ten aanzien van de benodigde medische zorg mag verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel op vertrouwen dat de gezondheidszorg in Frankrijk van hetzelfde niveau is als de gezondheidszorg in Nederland. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij in Frankrijk geen toegang zou hebben tot de benodigde medische zorg.

Hoewel de rechtbank de ter zitting door verweerder gegeven motivering kan volgen, is zij van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Redengevend daartoe is dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat overdracht kan plaatsvinden als eiser tijdens de reis door een (psychiatrisch) verpleegkundige wordt begeleid. Uit het aanvullende advies van het BMA – naar aanleiding van de door eiser in beroep ingebrachte informatie – volgt echter dat ook fysieke overdracht aan een psychiatrische instelling ter plaatse een noodzakelijke reisvoorwaarde voor overdracht is. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Zoals hiervoor is overwogen, kan de aanvullende motivering van verweerder ter zitting het besluit evenwel dragen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

Wat is de conclusie?

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand. Dit betekent dat verweerder de aanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiser, met inachtneming van de door het BMA gestelde reisvoorwaarden, kan overdragen aan Frankrijk.

Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, is er geen grond meer voor het treffen van voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.

Eiser krijgt een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt in beroep en in het verzoek om voorlopige voorziening. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vastgesteld op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder deze vergoeding betalen aan de gemachtigde van eiser.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 2 februari 2026;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.E.L. Grooten, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?