ECLI:NL:RBDHA:2026:9247

ECLI:NL:RBDHA:2026:9247

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer NL26.18896
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Voorlopige voorziening hangende beroep. Tkb, zwaar inreisverbod en signalering. Spoedeisend belang. Beroep heeft geen redelijke kans van slagen. Geen sprake van zwaarwegende belangen. Vovo afgewezen.

Uitspraak

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.18896

V-nummer: [v-nummer:], verzoeker

(gemachtigde: mr. A.W. IJland),

en

(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).

1. Met deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, dat samenhangt met zijn beroep gericht tegen het aan verzoeker opgelegde terugkeerbesluit, het besluit tot signalering en zware inreisverbod.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Aan verzoeker is op 23 juli 2025 een terugkeerbesluit en een besluit tot signalering voor de duur van 10 jaar opgelegd en een inreisverbod voor de duur van 10 jaar (zwaar inreisverbod) uitgevaardigd. Verzoeker heeft hiertegen op 3 april 2026 beroep ingesteld en verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening hangende het ingestelde beroep. Bij kennisgeving van 13 april 2026 heeft de minister medegedeeld dat verzoeker vandaag, 16 april 2026, zal worden uitgezet naar China. Verzoeker heeft vervolgens gevraagd om een voorlopige voorziening of ordemaatregel vóór de vlucht.

De minister heeft op 14 april 2026 een verweerschrift ingediend.

In verband met het spoedeisende karakter van dit verzoek om een voorlopige voorziening doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er spoedeisend belang?

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat er een spoedeisend belang is, omdat de minister van plan is om verzoeker vandaag, 16 april 2026 om 21:15 uur, te doen uitreizen naar Hongkong (China).

Heeft het beroep redelijke kans van slagen?

4. De voorzieningenrechter ziet in de stelling van verzoeker dat hij een verlenging van zijn Poolse verblijfsvergunning heeft aangevraagd, voorlopig onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat hij daadwerkelijk een verblijfsrecht heeft in Polen. Uit het bestreden besluit maakt de voorzieningenrechter op dat de minister navraag heeft gedaan bij de Poolse autoriteiten en dat daaruit is gebleken dat verzoekers vergunning op 1 maart 2025 was verlopen en dat verzoekers nieuwe aanvraag van 25 november 2025 niet voldeed aan de formele vereisten.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het betoog van verzoeker dat sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM geen kans van slagen. De voorzieningenrechter merkt op dat verzoeker zijn gestelde huwelijkspartner, [naam], en hun gestelde dochter in Spanje pas voor het eerst in beroep naar voren heeft gebracht. Deze stelling is niet te rijmen met hetgeen verzoeker eerder in de procedure heeft verklaard. Uit het proces-verbaal van verhoor van 20 oktober 2025 blijkt namelijk dat verzoeker heeft verklaard dat de door hem gestelde huwelijkspartner slechts een vriendin is. Tijdens dat verhoor heeft verzoeker verklaard getrouwd te zijn met [naam], die in Hongkong woont. Ook tijdens het verhoor van 22 januari 2026 heeft verzoeker verklaard dat zijn vrouw in Hongkong woont. Verzoeker heeft tijdens dit verhoor ook verklaard geen kinderen te hebben en in Nederland of de EU geen familiaire of relationele betrekkingen te hebben, uitgezonderd vrienden in Nederland. Vervolgens heeft verzoeker in de zienswijze weer gesteld gehuwd te zijn met [naam], woonachtig in Hongkong. Bevreemdend is ook dat verzoeker op 19 oktober 2025 samen met [naam], maar zonder hun gestelde dochter in Nederland is aangehouden en opgepakt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 20 oktober 2025 blijkt dat verzoeker heeft verklaard dat hij hier, samen met [naam], een maand was. Verzoeker en [naam] hadden hun gestelde dochter niet bij zich.

Ook de door verzoeker overgelegde stukken (een Spaans familieboekje, een uittreksel uit de burgerlijke stand, een geboorteakte van de gestelde dochter en een Spaanse identiteitskaart van de gestelde partner), zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om het gestelde familieleven aannemelijk te achten, nu de echtheid en de inhoud daarvan niet zijn vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat op het uittreksel van de burgerlijke stand een andere geboortedatum van verzoeker is opgenomen ([geboortedatum]) dan de datum die uit het dossier blijkt ([geboortedatum]). Aan de enkele foto van een ongeïdentificeerd meisje komt in dit verband evenmin waarde toe. Daarnaast ontbreekt enige verdere onderbouwing van de gestelde relatie met de huwelijkspartner van verzoeker en de invulling van het gezinsleven met de dochter. In samenhang gezien met hetgeen hiervoor, onder 4.1, is overwogen is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven.

De voorzieningenrechter is verder voorlopig van oordeel dat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De minister is in het besluit ingegaan op de aard en ernst van het misdrijf en het tijdsverloop sinds het misdrijf werd gepleegd. De minister heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen overwegen dat er geen aanwijzingen zijn dat de omstandigheden waarin verzoeker tot zijn daden komt of zijn normbesef zodanig zijn verbeterd dat niet meer voor nieuwe misdrijven hoeft te worden gevreesd. De minister heeft hierbij mogen verwijzen naar de transactie uit 2021. Ook heeft de minister terecht overwogen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan hennephandel en daarvoor tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden is veroordeeld, en dat dit, anders dan verzoeker stelt, geen misdrijf is dat kan worden gekwalificeerd als gering. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister aldus geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het opleggen van het inreisverbod of om de duur van het inreisverbod te verkorten. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter staan de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen niet in de weg aan het terugkeerbesluit. Verzoeker heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat terugkeer in strijd is met het beginsel van non-refoulement.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat de minister had moeten volstaan met een terugkeerbesluit naar Spanje of Polen als minder ingrijpend alternatief. De minister stelt terecht dat niet valt in te zien op welke grond een terugkeerbesluit als bedoeld in de Terugkeerrichtlijn zou kunnen worden opgelegd aan verzoeker. Zoals hiervoor overwogen heeft verzoeker zijn verblijfsrecht in Polen dan wel zijn gestelde familieleven in Spanje onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister de duur van het opgelegde inreisverbod voldoende gemotiveerd en kon de minister ook een besluit tot signalering nemen. In het bestreden besluit is de minister voldoende ingegaan op de door verzoeker aangevoerde omstandigheden en heeft kunnen overwegen dat deze omstandigheden geen omstandigheden zijn in de zin van paragraaf A4/2.3 Vc, dan wel geen humanitaire redenen of andere gronden vormen om van het inreisverbod af te zien.

Is er sprake van zwaarwegende belangen?

5. Door verzoeker zijn, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, geen zwaarwegende belangen aangevoerd, die maken dat hij de beroepsprocedure toch in Nederland mag afwachten. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat, indien het beroep in de bodemprocedure gegrond wordt verklaard, niet is gebleken van onomkeerbare gevolgen. Niet valt in te zien dat verzoeker bij gegrondverklaring van zijn beroep niet naar Nederland kan worden teruggebracht.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat verzoeker de uitkomst van zijn beroep niet in Nederland mag afwachten en dat de minister hem vandaag, 16 april 2026, mag uitzetten naar China. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Strating

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?