RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19586
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Verweerder heeft op 9 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft desgevraagd een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 14 april 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en de voortduring daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 18 maart 2026 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen bewijs is voor een voortvarende uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering van eiser zoals bedoeld in artikel 15 van de Richtlijn 2008/115/EG. Een vertrekgesprek kwalificeert niet als bewijs hiervoor en de rappels die aan Marokko zijn verstuurd zijn niet aangetoond. Verder is er geen sprake van zicht op uitzetting. Eiser verwijst in dit kader naar het arrest GB en Al Husin v. Bosnia and Herzegovina. Ook is door verweerder niet getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Eiser verwijst hierbij naar het arrest Landkreis Gifhorn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser en dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt, niet in algemene zin, en ook niet in eisers specifieke geval. Voor eiser is op 7 juli 2025 een lp-aanvraag gedaan bij de Marokkaanse autoriteiten. Er zijn geen aanknopingspunten dat Marokko in het algemeen weigert om lp’s te verstrekken. Eiser heeft dit ook niet concreet gemaakt of onderbouwd. De rechtbank is daarbij van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Verweerder voert regelmatig vertrekgesprekken met eiser, waarvan het meest recente vertrekgesprek dateert van 8 april 2026. Uit de vertrekgesprekken valt op te maken dat eiser geenszins handelingen heeft verricht om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen. Verweerder stelt hierover in het verweerschrift niet ten onrechte dat hij derhalve afhankelijk is van het onderzoek dat door de Marokkaanse autoriteiten wordt uitgevoerd. Uit het voortgangsrapport volgt dat verweerder regelmatig rappelleert, voor het laatst op 2 april 2026. Het lp-traject duurt op dit moment nog niet zo lang dat daaruit moet worden afgeleid dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven. Daar zijn op dit moment ook geen indicaties voor.
6. Anders dan eiser stelt heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het vertrek van eiser en het beëindigen van zijn illegaal verblijf zwaarder weegt dan het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
7. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 april 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.