ECLI:NL:RBDHA:2026:9250

ECLI:NL:RBDHA:2026:9250

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer NL26.8157
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel, ongegrond. LHTBI en inreisverbod.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.8157

V-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),

en

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw en het opleggen van een inreisverbod van tien jaar. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 13 oktober 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en eiser een inreisverbod opgelegd van tien jaar. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening. Deze staat geregistreerd onder NL26.8158 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser en de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

Het asielrelaas

3. Eiser heeft na zijn arrestatie in 2025 asiel aangevraagd en daarbij naar voren gebracht dat hij in Marokko problemen heeft vanwege zijn seksuele gerichtheid.

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister stelt dat de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De identiteit, de gestelde genderidentiteit en seksuele gerichtheid, en de volgens eiser hieruit voortvloeiende problemen, zijn niet geloofwaardig geacht.

Verder is eiser, onder verwijzing naar een op 6 januari 2026 door de rechtbank Den Haag opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Eiser wordt gezien als een actuele bedreiging voor de openbare orde wiens gedrag een fundamenteel belang van de samenleving raakt. Daarbij is gewezen op de overweging van de rechtbank dat eiser door het slachtoffer meerdere malen te steken, ernstig inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verder is betrokken dat is overwogen dat eiser op een geringe aanleiding -mogelijk flirtgedrag met zijn vriendin- zeer gewelddadig heeft gereageerd en dat dit soort geweldsincidenten niet alleen bij slachtoffers, maar ook in de samenleving onrust en angst kunnen veroorzaken.

Heeft de minister de identiteit van eiser niet geloofwaardig kunnen achten?

5. Eiser stelt dat er geen reden is om te twijfelen aan zijn identiteit, omdat hij naar waarheid zijn personalia heeft opgegeven. Met betrekking tot zijn paspoort en zijn identiteitskaart merkt eiser op dat het hem vanwege zijn strafdetentie niet lukt om deze documenten over te laten komen. Eiser geeft voorts aan dat hij in Spanje kon verblijven zonder de dreiging van refoulement naar zijn land en daarom geen noodzaak voelde om een asielaanvraag in te dienen.

De rechtbank oordeelt dat de minister niet ten onrechte de identiteit van eiser niet geloofwaardig acht. De minister heeft kunnen overwegen dat, gezien eisers verklaringen over de aanwezigheid van documenten, van hem verwacht mag worden dat hij originele identificerende documenten overlegt. Dat eiser in strafdetentie zit doet hier niet aan af, te meer nu niet is gebleken van enige inspanning om de documenten te laten overkomen. Daarnaast heeft de minister kunnen overwegen dat van iemand die internationale bescherming vraagt, verwacht mag worden dat hij zich zo spoedig mogelijk meldt op het moment dat hij zich in een veilig land bevindt. Nu eiser dit niet heeft gedaan kan hem dit worden tegengeworpen.

Heeft de minister eisers problemen als gevolg van zijn genderidentiteit en seksuele gerichtheid niet geloofwaardig kunnen achten?

6. Eiser stelt dat hij met zijn verklaringen zijn homoseksuele geaardheid en zijn transgenderidentiteit, alsmede de in verband hiermee ondervonden problemen en dreigende vervolging, aannemelijk heeft gemaakt. Volgens eiser is hij op juridisch vlak een leek en is hij daarom niet goed bekend met de wetgeving in zijn land. Verder stelt hij door schaamte niet over het incident te hebben kunnen vertellen dat tot zijn besef over geaardheid heeft geleid. Hij vindt wel dat hij authentiek, persoonlijk en consistent heeft verklaard. Dat eiser, hoewel hij vertelt LHBTI clubs in Den Haag te hebben bezocht, de namen van deze clubs niet kan noemen, doet volgens eiser aan zijn relaas geen afbreuk, omdat het moeilijke namen waren die hij niet kon onthouden.

De rechtbank stelt vast dat de minister conform WI 2019/17 en aan de hand van voorbeelden heeft gemotiveerd waarom hij van mening is dat het verhaal van eiser niet authentiek en persoonlijk is. Eiser stelt hier enkel en ongemotiveerd tegenover dat hij wel authentiek, persoonlijk en consistent heeft verklaard en dat de beoordeling van de minister onjuist is. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De rechtbank acht daarbij relevant dat in het gehoor uitgebreid is doorgevraagd en dat eiser meermaals de gelegenheid heeft gehad om inzicht te geven in zijn beleefwereld. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser dit onvoldoende heeft gedaan. De rechtbank overweegt daarbij dat het gebrek aan diepgang zich niet laat verklaren door schaamte of gebrek aan juridische kennis. De rechtbank volstaat daarom met een verwijzing naar de motivatie zoals neergelegd in de besluitvorming en de conclusie dat de minister niet ten onrechte de door eiser gestelde genderidentiteit en seksuele gerichtheid niet geloofwaardig heeft geacht. Daaruit volgt ook dat de minister de gestelde problemen als gevolg van deze genderidentiteit en seksuele gerichtheid niet geloofwaardig heeft kunnen achten.

Heeft eiser te vrezen bij terugkeer?

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het betoog van eiser dat hij vanwege zijn asielrelaas aanspraak maakt op een verblijfsvergunning asiel niet.

Inreisverbod

8. Eiser stelt met betrekking tot het inreisverbod dat hij veel spijt heeft en dat hij zijn leven heeft gebeterd. Volgens eiser heeft hij een psycholoog ingeschakeld en vormt hij geen actuele bedreiging van de openbare orde en veiligheid. 8.1. De rechtbank overweegt dat de minister in het besluit gemotiveerd heeft waarom aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod wordt opgelegd. De minister heeft in dit kader terecht in aanmerking genomen dat de enkele verklaring van eiser dat hij spijt heeft, onvoldoende is om niet meer uit te gaan van een actuele bedreiging van de openbare orde. De minister heeft in dit verband ook van belang mogen achten dat het misdrijf recent is en dat het enkel inschakelen van een psycholoog niet betekent dat er daadwerkelijk een positieve gedragsverandering heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het inreisverbod ten onrechte is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.G. van den Berg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?