ECLI:NL:RBDHA:2026:9252

ECLI:NL:RBDHA:2026:9252

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer NL26.14918
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, bewaringsgronden, voortvarend handelen, non-refoulement, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.14918

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),

en

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.K.E. van den Heuvel, als waarnemer voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden 3a en 3b, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bewaringsgronden kunnen daarom onbesproken blijven.

Voortvarend handelen

3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hij baseert dit op het dossier, waaruit blijkt dat de laatste uitzettingshandelingen van verweerder bestaan uit een vertrekgesprek en de aanvraag van een laissez-passer (lp), beide op 10 februari 2026.

4. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het voortgangsrapport met betrekking tot de uitzetting van eiser (de M120) blijkt dat de lp-aanvraag op 24 februari 2026 is verzonden naar de Gambiaanse vertegenwoordiging. Daarnaast heeft verweerder ter zitting toegelicht dat op 17 maart 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden met eiser. Het verslag van dit vertrekgesprek is inmiddels toegevoegd aan het dossier. De rechtbank ziet in het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt niet.

Non-refoulement

5. Eiser voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 februari 2026 aan dat verweerder de maatregel van bewaring niet kenbaar heeft getoetst aan het beginsel van non-refoulement.

6. De rechtbank overweegt dat uit het Unierecht volgt en zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) dit in het arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar heeft verduidelijkt, dat de bewaringsrechter, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de uitvoering van het terugkeerbesluit. De Afdeling is in de uitspraak van 12 februari 2026 ingegaan op de gevolgen van het arrest Adrar voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Het is juist dat uit de maatregel van bewaring van 17 maart 2026 zelf niet blijkt dat het beginsel van non-refoulement is betrokken bij de beoordeling door verweerder. De rechtbank stelt echter vast dat er een aanvullend proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt eveneens op 17 maart 2026, waarin het volgende is opgenomen:

‘Per abuis is in de maatregel het kopje non-refoulement weggevallen. Hiernaar is gevraagd in het gehoor zoals te zien is in de M110. Betrokkene verklaart niet terug te kunnen naar Gambia, maar zijn redenen al aan de IND verteld te hebben. De IND heeft inhoudelijk besloten hierover.

Het kopje wat weggevallen is:

Non-refoulement:

Niet is gebleken dat vanwege het beginsel van non-refoulement, zoals genoemd in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, danwel vanwege de andere daarin genoemde belangen moet worden afgezien van de uitzetting van betrokkene. Hierbij is van belang dat hetgeen door betrokkene in het gehoor is aangevoerd reeds is betrokken in de besluiten van 08 juni 2022 en 12 maart 2026.’

De rechtbank acht hiermee het motiveringsgebrek uit de maatregel van bewaring als tijdig hersteld en constateert dat verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toetsing

8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Hello

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?