RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9397
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
1. Eiseres is een zogenoemde derdelander uit Oekraïne. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de tijdelijke bescherming en meerdere terugkeerbesluiten. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat voor zover het beroep van eiseres is gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024, verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. Voor zover het beroep is gericht tegen het terugkeerbesluit van 15 juli 2025, is het ongegrond. Ambtshalve heeft de rechtbank geoordeeld dat het beginsel van non-refoulement niet is geschonden. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de tijdelijke bescherming voor haar is geëindigd na 4 maart 2024 en is aan haar een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiseres heeft tegen het besluit beroep ingesteld.
Met het besluit van 15 juli 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en heeft hij aan eiseres een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Eiseres heeft op 18 augustus 2025 en 1 september 2025 aanvullende gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigde deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Wat betrekt de rechtbank bij de beoordeling?
3. Eiseres heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1997. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit).
Op 11 augustus 2022 heeft zij een asielaanvraag ingediend. In het besluit van 31 augustus 2023 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld. Daarmee staat de buiten behandelingstelling van de asielaanvraag in rechte vast.
In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. De Afdeling oordeelde ook dat er geen toezeggingen door verweerder zijn gedaan waaruit mocht worden afgeleid dat de facultatieve tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur van de tijdelijke bescherming is bereikt en dat voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen plaats is.
In het arrest in de zaak Kaduna van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) naar aanleiding van vragen van onder meer de Afdeling overwogen dat lidstaten de verleende facultatieve tijdelijke bescherming mogen intrekken zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en de algemene beginselen van het Unierecht in acht worden genomen. Lidstaten zijn niet verplicht de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming af te stemmen op de duur van de verplichte tijdelijke bescherming. Ook heeft het Hof overwogen dat het lidstaten niet is toegestaan om een terugkeerbesluit uit te vaardigen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De Afdeling heeft vervolgens in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming voor de derdelanders uit Oekraïne per 4 maart 2024 te beëindigen. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de algemene beginselen van het Unierecht daarbij niet in acht zijn genomen.
In afwachting van het arrest van het Hof en de uitspraken van de Afdeling heeft verweerder besloten de beëindiging van de tijdelijke bescherming te bevriezen. In de brief aan de Tweede Kamer van 3 juni 2025 heeft verweerder aan de Kamer bericht dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025.
Wat is het standpunt van verweerder?
4. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling overwogen dat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Eiseres heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Evenmin is eiseres in het bezit van een verblijfsvergunning. Dit betekent dat eiseres geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Daarom heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Er is geen sprake van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer het risico loopt op refoulement.
Heeft eiseres procesbelang bij een beoordeling van haar beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024?
5. Verweerder heeft het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken, omdat dit besluit vóór 4 maart 2024 en dus te vroeg was genomen. Eiseres betwist dat haar tijdelijke bescherming is geëindigd per 4 maart 2024. De rechtbank is van oordeel dat eiseres procesbelang heeft bij een beoordeling van het besluit van 7 februari 2024 voor zover dat ziet op de beëindiging van de facultatieve bescherming per 4 maart 2024.
Is de tijdelijke bescherming beëindigd per 4 maart 2024?
6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 in strijd is met het evenredigheids- het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. Verweerders verwijzing naar de rechtspraak van het Hof en de Afdeling is volgens eiseres niet voldoende. Volgens eiseres volgt uit het arrest Kaduna dat de rechter moet nagaan of de toezegging is gedaan dat de facultatieve tijdelijke bescherming niet eerder zou worden beëindigd dan de bescherming die de andere ontheemden uit Oekraïne genoten. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder dit niet is nagegaan en dat er bovendien een dergelijke toezegging (impliciet) is gedaan, door de groepen jarenlang gelijk te behandelen. Eiseres verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de Kamerbrief van 22 maart 2022. Ook mag er volgens eiseres niet zomaar teruggekomen worden van de insteek om de groepen gelijk te behandelen. Dat is namelijk in strijd met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Wat betreft de evenredigheid voert eiseres aan dat zij sinds haar komst in Nederland een leven hier heeft opgebouwd. Ze doet haar best in de Nederlandse samenleving te integreren. Ze is dokter en probeert een baan binnen de medische sector te vinden. Volgens eiseres heeft verweerder het evenredigheidsbeginsel niet toegepast.
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het Hof in het arrest Kaduna overwogen dat lidstaten bevoegd zijn om de facultatieve tijdelijke bescherming eerder te beëindigen dan de niet-facultatieve tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 haar eerdere oordeel van 17 januari 2024 bevestigd dat de facultatieve tijdelijke bescherming eindigt per 4 maart 2024. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om daar in deze zaak anders over te oordelen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Daarvoor is namelijk allereerst vereist dat sprake is van een concrete toezegging dat eiseres gelijk zal worden behandeld als de andere ontheemden uit Oekraïne die niet-facultatieve bescherming genieten. Niet gebleken is dat een dergelijke concrete toezegging is gedaan. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat sprake is van een impliciete toezegging, omdat de groep derdelanders met tijdelijk verblijf in Oekraïne een periode gelijk is behandeld als de andere groep ontheemden uit Oekraïne.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat eiseres aantoont dat er sprake is van gelijke gevallen, die aantoonbaar anders worden behandeld. Hier is eiseres niet in geslaagd. De verwijzing naar verschillende uitspraken van de Afdeling en de Hoge Raad in de aanvullende gronden van beroep van 1 september 2025, ter onderbouwing van het beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat deze uitspraken niet zien op het vertrouwens- of gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet evenredig is. De rechtbank heeft begrip voor haar standpunt dat zij vanwege het uitbreken van de oorlog in een onzekere situatie terecht is gekomen en dat zij in Nederland haar leven heeft voortgezet. Dat doet er echter niet aan af dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor een individuele belangenafweging geen plaats is. Een op eiseres toegespitste beoordeling gaat daarom niet verder dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat eiseres beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026.
De beroepsgronden ten aanzien van de beëindiging van de tijdelijke bescherming slagen niet.
Heeft verweerder op 15 juli 2025 een nieuw terugkeerbesluit aan eiseres kunnen uitvaardigen?
7. In het besluit van 15 juli 2025 staat dat dit besluit het eerdere terugkeerbesluit vervangt. De rechtbank merkt het aan als een besluit tot vervanging als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep dat is ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ziet daarom ook op dit besluit.
Het terugkeerbesluit en de bevriezingsmaatregel
Eiseres stelt zich op het standpunt dat het terugkeerbesluit van 15 juli 2025 te vroeg is uitgevaardigd, omdat op grond van de bevriezingsmaatregel haar tijdelijke bescherming doorliep tot 5 september 2025. Dat het terugkeerbesluit te vroeg is genomen volgt ook uit IB 2025/17 waarin is opgenomen dat de bevriezing van de rechtsgevolgen voor de groep derdelanders eindigt vijf weken nadat de rechtbank Amsterdam en de Afdeling einduitspraak hebben gedaan. Omdat de rechtbank Amsterdam op 10 juli 2025 uitspraak heeft gedaan, is ook daarom het terugkeerbesluit van 15 juli 2025 te vroeg uitgevaardigd.
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In de uitspraak van 31 oktober 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat de bevriezingsmaatregel van verweerder voor derdelanders uit Oekraïne er niet toe heeft geleid dat verweerder geen terugkeerbesluit kon uitvaardigen. De verwijzing van eiseres naar IB 2025/17 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel alleen al vanwege het feit dat de bevriezingsmaatregel is geëindigd op 4 september 2025, meer dan vijf weken nadat zittingsplaats Amsterdam uitspraak heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Het terugkeerbesluit en de SIS-signalering
Eiseres stelt zich op het standpunt dat er geen enkele reden is om een terugkeerbesluit met SIS-signalering op te leggen. Ook hierin volgt de rechtbank eiseres niet. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/1860 voeren de lidstaten in het SIS signaleringen in van onderdanen van derde landen tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit. Als er aan een vreemdeling een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, wordt er ook een signalering voor de terugkeer in het SIS geregistreerd. De rechtbank stelt gelet hierop vast dat in deze bepaling dwingend is voorgeschreven dat lidstaten verplicht zijn om een vreemdeling tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in SIS. Verweerder is dan ook verplicht om het terugkeerbesluit van eiseres te registreren. De SIS-registratie verdwijnt nadat eiseres aan haar terugkeerplicht heeft voldaan.
Het terugkeerbesluit en het arrest Ararat
De rechtbank is bekend met het arrest Ararat en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. De rechtbank is in overeenstemming met dit arrest en deze uitspraak in het dossier nagegaan of eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest of dat er sprake van familie- of gezinsleven waar verweerder bij het uitvaardigen van het terugkeerbesluit rekening had moeten houden. Daarvan is volgens de rechtbank niet gebleken. Pas op zitting heeft eiseres aangevoerd dat zij zich niet veilig voelt in Nigeria, dat zij bang is om te worden ontvoerd of slachtoffer te worden van bomaanvallen. Dit is niet op enig ander moment in de besluitvormingsfase naar voren gebracht en ook op zitting heeft eiseres niet met concrete situaties of voorbeelden onderbouwd dat haar vrees gegrond is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarom onvoldoende onderbouwd dat terugkeer naar Nigeria in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Ook de stukken in het dossier en hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is over de huidige situatie in Nigeria en het landenbeleid van verweerder ten aanzien van Nigeria geven geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.
Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.