RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.5715
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).
Inleiding en procesverloop
Op 13 juni 2019 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland.
Bij besluit van 11 juni 2021 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 21 september 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:11707) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 juni 2021 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Bij besluit van 7 maart 2022 (het bestreden besluit), gehandhaafd bij aanvullend besluit van 8 oktober 2024 (aanvullend besluit 1), heeft verweerder opnieuw de asielaanvraag van eiser afgewezen. Het beroep is op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen aanvullend besluit 1. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft verweerder bij tussenuitspraak van 1 mei 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:7965) in de gelegenheid gesteld om de in het bestreden besluit en aanvullend besluit 1 geconstateerde gebreken te herstellen met inachtneming van de tussenuitspraak.
Bij aanvullend besluit van 29 augustus 2025 (aanvullend besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit opnieuw gehandhaafd. Het beroep is op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht tegen aanvullend besluit 2.
Eiser heeft op 26 september 2025 gereageerd op aanvullend besluit 2.
Verweerder heeft op 5 november 2025 een verweerschrift ingediend.
Op 6 november 2025 heeft eiser aanvullende stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op een nadere zitting behandeld. Eiser is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.
Het heeft door een ongelukkige samenloop van omstandigheden helaas erg lang geduurd voordat de rechtbank deze einduitspraak doet. Eerst heeft verweerder twee jaar gedaan over de beslissing op de asielaanvraag. Betrekkelijk snel daarna is het beroep tegen die beslissing gegrond verklaard en heeft verweerder opnieuw op de asielaanvraag beslist. Daarna heeft het vanwege de werkvoorraad lang geduurd voordat deze rechtbank en zittingsplaats het beroep heeft behandeld. De zitting was eerst gepland op 12 september 2024, maar de zaak is toen aangehouden op verzoek van verweerder met het oog op het nemen van aanvullend besluit 1. Vervolgens is de zitting gepland op 14 januari 2025, maar toen zegde de door eiser geregelde tolk af. Daarna is de zitting gepland op 5 februari 2025, maar ook toen heeft de tolk afgezegd. Uiteindelijk heeft op 18 februari 2025 een zitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft er vervolgens voor gekozen om een tussenuitspraak te doen. Daarna is op 12 november 2025 een nadere zitting gepland, maar opnieuw heeft de tolk afgezegd. Vervolgens is het beroep op 8 januari 2026 opnieuw behandeld. Ter zitting bleek dat de door eiser geregelde tolk niet is verschenen. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken heeft de rechtbank in overleg met eiser en de gemachtigden besloten om de zitting door te laten gaan. De zaak is voornamelijk in het Engels behandeld en wat in het Nederlands is gezegd, is samengevat voor eiser vertaald. Eiser heeft verklaard dat hij begreep wat er werd gezegd en hij heeft zijn standpunt in het Engels toegelicht.
Overwegingen
De tussenuitspraak
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de homoseksuele geaardheid van eiser (element 2) en de daaruit voortvloeiende problemen (element 3) niet geloofwaardig geacht. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn liefdesrelatie met [naam 1]. Dit betekent dat verweerder element 3 niet ten onrechte ongeloofwaardig acht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit en aanvullend besluit 1 echter onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over zijn gestelde bewustwordingsproces tekortschieten. De rechtbank overwoog in de tussenuitspraak dat deze verklaringen, voor zover zij zien op hoe het voor eiser was om zijn gevoelens te onderdrukken en een relatie met een meisje aan te gaan, op zichzelf niet zeer diepgaand zijn, maar dat dit nog niet hoeft te betekenen dat de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser niet aannemelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit in het bestreden besluit en aanvullend besluit 1 onvoldoende onderkend, omdat niet inzichtelijk is gemaakt wat van eiser, mede gelet op zijn relatief jonge leeftijd ten tijde van het bewustwordingsproces, nog meer mocht worden verwacht. De motivering in die besluiten is ook niet deugdelijk wat betreft het aanzienlijke aantal LHBTI-gerelateerde activiteiten dat eiser in Nederland heeft ondernomen en nog steeds onderneemt. Deze activiteiten zijn onvoldoende in samenhang bezien met eisers verklaringen en verweerder heeft onvoldoende onderzocht of deze activiteiten eraan bijdragen dat de gestelde seksuele geaardheid van eiser aannemelijk is. Ook heeft verweerder onvoldoende toegelicht waarom eisers gestelde relatie met [naam 4] niet aannemelijk is. De rechtbank oordeelde in de tussenuitspraak dat het mede gelet op het aanzienlijke tijdsverloop op de weg van verweerder had gelegen om eiser voorafgaand aan het nemen van aanvullend besluit 1 te horen over zijn activiteiten in Nederland en over zijn gestelde relatie met [naam 4].
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat het bestreden besluit en aanvullend besluit 1 in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank blijft daarbij. Om die reden is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en aanvullend besluit 1.
De verdere beoordeling
2. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder deze gebreken heeft hersteld met aanvullend besluit 2, dat is genomen na een aanvullend gehoor met eiser. Verweerder blijft erbij dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser is het daar niet mee eens.
Beroepsgronden
3. Volgens eiser heeft verweerder ook in aanvullend besluit 2 onvoldoende rekening gehouden met zijn culturele achtergrond en introverte karakter, in het bijzonder met zijn (on)vermogen om diepgaander en uitgebreider over zijn seksualiteit te praten en daarbij allerlei emoties te benoemen. Eiser stelt zich op het standpunt dat hem bij terugkeer wel degelijk problemen te wachten staan vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Volgens eiser is die geaardheid bekend in Uganda en is hij diverse keren bedreigd op sociale media.
Verder heeft eiser betoogd dat de appberichten met zijn opvolgende partners wijzen op liefdesrelaties en een diepere verbondenheid dan bij gewone vriendschappen. Dat eiser geen appberichten heeft over een langere periode en dat het appverkeer tussen hem en zijn partners in het Engels plaatsvindt (in plaats van in eisers moedertaal, het Luganda), kan hem niet worden verweten en is bovendien gedeeltelijk onjuist. Eiser betwist verder verweerders tegenwerpingen dat de kinderen van [naam 4] onderdeel hadden moeten zijn van hun appverkeer, dat eiser had moeten weten tot welke bevolkingsgroep [naam 4] behoort en dat zij niet eenduidig zijn over de datum waarop zij elkaar hebben ontmoet. Volgens eiser is het vanuit zijn culturele achtergrond niet gebruikelijk om daarover met elkaar te spreken en kent hij geen exacte data. Ook stelt eiser dat het appverkeer tussen hem en [naam 4] gaat over hun dagelijkse bezigheden en inzicht biedt in hun liefdesrelatie. Dat het appverkeer slechts vriendschappelijk is, volgt volgens eiser niet uit zijn verklaringen over onder meer de fysieke reactie die hij ervaart bij het zien van [naam 4] en zijn gevoelens van jaloezie. Die reactie en gevoelens waren er namelijk niet bij zijn vriend [naam 2]. De opvattingen van verweerder over de (gecontinueerde) relatie op afstand en het appverkeer met [naam 1] kan volgens eiser evenmin afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van zijn relatie en gevoelens voor [naam 4]. Eiser en [naam 1] geven nog steeds veel om elkaar, maar zij hebben mede gelet op de grote afstand afgesproken dat zij op zoek mogen gaan naar een nieuwe partner.
Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij inzichtelijk heeft verklaard en niet tegenstrijdig over zijn bewustwordingsproces. Dit proces heeft hij ook besproken met [naam 3], oprichter van een LHBTI-organisatie. Bij [naam 3] was de setting anders en was het gemakkelijker om over zijn seksuele geaardheid te verklaren. Eiser wijst er nogmaals op dat hij jarenlang actief is binnen de LHBTI-gemeenschap in Nederland, dat hij niet alles tot in detail kan reproduceren, maar dat er verschillende verklaringen zijn overgelegd van personen die overtuigd zijn van zijn homoseksuele geaardheid.
Bij dit alles moet ook rekening worden gehouden met wat eiser al eerder in de beroepsprocedure naar voren heeft gebracht.
Het standpunt van verweerder
4. Volgens verweerder heeft hij met aanvullend besluit 2 voldaan aan de opdracht die volgt uit de tussenuitspraak. Volgens verweerder is in aanvullend besluit 2 een integrale beoordeling verricht, waarbij in het bijzonder de verklaringen van eiser over zijn bewustwordingsproces in Uganda, de activiteiten in Nederland en zijn gestelde relatie met [naam 4] zijn betrokken. Verweerder blijft erbij dat de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser niet aannemelijk is.
Het oordeel van de rechtbank
5. Over het bewustwordingsproces van eiser overweegt de rechtbank het volgende.
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de verklaringen van eiser over zijn bewustwordingsproces niet zeer diepgaand zijn, maar dat dit nog niet hoeft te betekenen dat zijn gestelde homoseksuele geaardheid onaannemelijk is. Verweerder stelt zich in aanvullend besluit 2 niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaring van eiser voor het gegeven dat hij niet meer of diepgaander heeft verklaard, kort samengevat zijn karakter en culturele achtergrond, minder plausibel is geworden door het gegeven dat eiser relatief kort na zijn aankomst in Nederland tegenover [naam 3] wel diepgaande verklaringen over zijn seksuele geaardheid heeft afgelegd. De rechtbank weet weliswaar niet wat eiser tegenover deze persoon heeft verklaard, maar eiser stelt zelf dat hij tegenover deze persoon duidelijk meer heeft verklaard dan tijdens de gehoren, omdat hij zich daar meer op zijn gemak voelde. Die verklaring acht de rechtbank op zich begrijpelijk, maar niet voldoende. Eiser vraagt in Nederland asiel aan en legt daaraan zijn gestelde homoseksuele geaardheid ten grondslag. Het is dan aan eiser om tegenover verweerder, en niet tegenover een andere instantie of betrokken personen, zijn verhaal te vertellen. Zo wordt verweerder in staat gesteld te beoordelen of sprake is van voldoende persoonlijke en authentieke elementen in het verhaal van eiser om zijn gestelde homoseksuele geaardheid aannemelijk te achten. Daarbij komt dat de gesprekken met [naam 3] plaatsvonden toen eiser hoogstens anderhalf jaar in Nederland verbleef. Eiser zou aan hem hebben verteld over de vele uitdagingen waarmee hij werd geconfronteerd en over de emotionele strijd die hij heeft doorgemaakt om zijn seksualiteit te accepteren. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij dit tegenover een derde wel kon uitleggen, maar in zijn asielprocedure niet of in elk geval – naar eigen zeggen – in veel mindere mate. De verwachting van verweerder dat eiser tijdens een gehoor in het kader van zijn asielprocedure evenveel over zijn emotionele strijd en uitdagingen kan vertellen als aan een derde in andere gesprekken, is niet onredelijk. Dat eiser zich bij verweerder gespannen voelde, wat op zich begrijpelijk is, is onvoldoende om hier anders over te oordelen. Eiser moet zich tijdens de gehoren hebben gerealiseerd dat het aan hem was om zijn gestelde homoseksuele geaardheid aannemelijk te maken, al helemaal tijdens het aanvullende gehoor dat tijdens de beroepsprocedure heeft plaatsgevonden.
De conclusie is dat verweerder in aanvullend besluit 2 een steekhoudend extra argument heeft gegeven voor zijn standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn bewustwordingsproces minder uitgebreid en diepgaand zijn dan van eiser verwacht mocht worden. Dit heeft verweerder niet ten onrechte in eisers nadeel meegewogen.
6. Over eisers gestelde relaties overweegt de rechtbank het volgende.
Volgens eiser onderhoudt hij tot op heden een relatie op afstand met [naam 1]. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank echter geoordeeld dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen overtuigende verklaringen heeft afgelegd over de langdurige liefdesrelatie die hij met [naam 1] zou hebben gehad. Na de tussenuitspraak heeft eiser meer appcontact tussen hem en [naam 1] overgelegd, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. Deze berichten zijn vergelijkbaar met eerdere berichten en doen niet af aan de argumenten die de rechtbank in de tussenuitspraak voor haar oordeel heeft gegeven.
Verder heeft eiser verklaard over zijn liefdesrelatie met [naam 4] en appcontact overgelegd. [naam 4] heeft een schriftelijke steunverklaring opgesteld. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd het bestaan van deze relatie aannemelijk te maken. Zo is aan eiser gevraagd het verschil toe te lichten tussen zijn vriend [naam 2] en liefdespartner [naam 4]. Daarop heeft eiser verklaard: “Als hij naast mij zit verander ik niet lichamelijk maar als [naam 4] naast mij zit verandert mijn lichaam.” De door eiser genoemde fysieke reactie en gevoelens van jaloezie maken het bestaan van de gestelde relatie op zichzelf nog niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat het overgelegde appcontact dat evenmin doet. De berichten zijn kort, zakelijk en bevatten weinig persoonlijke inhoud die wijst in de richting van een liefdesrelatie. Daarbij acht verweerder het niet ten onrechte opmerkelijk dat [naam 4] twee thuiswonende minderjarige kinderen heeft, dat eiser volgens het appcontact bij [naam 4] heeft verbleven en dat in de overgelegde communicatie desondanks geen enkele verwijzing naar deze kinderen voorkomt. Daarnaast ziet het appcontact op een betrekkelijk korte periode. Eisers verklaring hiervoor, namelijk dat hij van telefoon is veranderd, is onvoldoende. Verweerder merkt niet ten onrechte op dat berichten niet zomaar ‘verdwijnen’ en eiser weerspreekt ook niet verweerders argument dat [naam 4] de berichten aan eiser had kunnen verstrekken als eiser daar niet meer over zou beschikken. Bovendien heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat het afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde relatie dat eiser (mondeling) en [naam 4] (schriftelijk) tegenstrijdig hebben verklaard over het moment waarop de relatie zou zijn begonnen. Het is niet in geschil dat hun verklaringen hierover niet eenduidig zijn en ook niet in lijn zijn met (de data op) een bankafschrift waaruit ongeveer de datum van eerste ontmoeting zou moeten blijken. Volgens eiser houdt verweerder onvoldoende rekening met zijn onvermogen om exacte data te reproduceren en valt de door verweerder verwachte diepgang in de berichten buiten hun culturele context van een relatie, maar het gaat hier ook om afwijkingen tussen verklaringen en stukken die eiser heeft overgelegd, wat voor zijn rekening en risico komt. Verweerder hoefde evenmin aan te nemen dat het niet onlogisch is dat eiser niet weet tot welke bevolkingsgroep [naam 4] behoort. Ten slotte volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat verweerder ook [naam 4] had moeten horen. Dit is in de tussenuitspraak vermeld als een mogelijkheid, niet als een verplichting. De door eiser overgelegde stukken en zijn verklaringen tijdens het aanvullend gehoor vormen een voldoende basis voor de conclusie over de relatie met [naam 4] die verweerder in aanvullend besluit 2 heeft getrokken.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij een liefdesrelatie met [naam 5] heeft gehad. [naam 5] heeft, net als [naam 4], een steunverklaring opgesteld. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen over het moment van ontmoeting tussen eiser en [naam 5] vaag en tegenstrijdig zijn. Volgens de schriftelijke verklaring van [naam 5] vond hun eerste ontmoeting plaats tijdens de Gay Pride in de zomer van 2021, terwijl eiser heeft verklaard dat deze eerste ontmoeting in januari 2022 bij het COC in Eindhoven plaatsvond. Verweerder merkt verder terecht op dat eiser geen appverkeer over deze relatie heeft overgelegd.
De conclusie is dat eiser geen van de drie gestelde homoseksuele relaties aannemelijk heeft gemaakt. Dit heeft verweerder niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen.
7. Over eisers LHBTI-gerelateerde activiteiten in Nederland overweegt de rechtbank het volgende.
Verweerder benadrukt dat uit het overgrote deel van de in dit verband overgelegde stukken niets anders blijkt dan feitelijke aanwezigheid van eiser en dat dit niet zonder meer iets zegt over zijn innerlijke beleving bij dergelijke activiteiten en wat het voor hem betekende om daarbij aanwezig te zijn. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers aanwezigheid bij deze activiteiten, beoordeeld in samenhang met (a) het ontbreken van diepgaande verklaringen over zijn bewustwordingsproces, (b) de onaannemelijkheid van eisers verklaringen over de problemen als gevolg van zijn relatie met [naam 1] en (c) de onaannemelijke verklaringen over zijn gestelde liefdesrelaties, onvoldoende is om de gestelde seksuele geaardheid van eiser aannemelijk te achten. Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar zijn aanwezigheid bij activiteiten in Nederland benoemt ter onderbouwing van zijn gestelde seksuele geaardheid, maar onvoldoende inzichtelijk maakt wat deze aanwezigheid voor hem betekende. Tijdens het aanvullende gehoor zijn hierover de nodige vragen aan eiser gesteld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in aanvullend besluit 2 alsnog een toereikende integrale beoordeling van eisers verklaringen en overgelegde stukken heeft verricht en dat deze beoordeling niet ten onrechte in eisers nadeel is uitgevallen.
Tussenconclusie
8. De beroepsgronden tegen aanvullend besluit 2 slagen niet voor zover die zijn gericht tegen verweerders standpunt dat eiser zijn gestelde homoseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt.
Terugkeerrisico
9. Het betoog van eiser dat bij terugkeer naar Uganda een reëel risico bestaat dat hem homoseksualiteit zal worden toegedicht, gelet op hoe hij zich in Nederland heeft geuit en de berichten die hij al heeft gekregen, volgt de rechtbank niet. Omdat verweerder de gestelde geaardheid, problemen en relaties van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig acht, zou dergelijke toedichting hoogstens kunnen volgen uit eisers aanwezigheid bij activiteiten in Nederland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij enkel op grond daarvan bij terugkeer heeft te vrezen voor negatieve aandacht van de Ugandese autoriteiten of ernstige problemen van de kant van derden. Van eiser mag overigens in beginsel worden verwacht dat hij, voor zover van toepassing, berichten van het internet verwijdert en verwijderd houdt om een eventueel risico bij terugkeer te voorkomen (vergelijk de uitspraak van 31 mei 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, overweging 6.2 (ECLI:NL:RVS:2018:1802)).
Uitkomst
10. Gelet op het voorgaande is aanvullend besluit 2 en daarmee de afwijzing van eisers asielaanvraag rechtmatig, waarmee verweerder de gebreken in het bestreden besluit en aanvullend besluit 1 heeft hersteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en aanvullend besluit 1 geheel in stand blijven.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.335,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op aanvullend besluit 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 18 februari 2025, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Er bestaat geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten voor de reactie van eiser op aanvullend besluit 2 en het verschijnen ter zitting van 8 januari 2026, omdat deze reactie en zitting niet hebben bijgedragen aan de gegrondverklaring van het beroep.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en aanvullend besluit 1;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze vernietigde besluiten geheel in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.