Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 09-407988-24 en 09-281867-24 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 16 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van 2 april 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. D. Kortekaas en de raadsvrouw van de verdachte is mr. J.M.C. Wittens te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I 09-407988-24
hij op of omstreeks 27 december 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere vapes en/of helmen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweldtegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- op die [aangever 1] en/of [aangever 2] af te rennen en/of- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [aangever 1] en/of [aangever 2] te tonen en/of op die [aangever 1] en/of [aangever 2] te richten en/of tegen de borst van die [aangever 2] te duwen en/of- tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen "Geef alles, zakken leeg" en/of- die [aangever 1] en/of [aangever 2] één of meerdere malen in het gezicht te slaan en/of- in de (jas)zak van die [aangever 1] te voelen en/of- die [aangever 1] bij de keel vast te pakken/grijpen en/of- die [aangever 1] een kopstoot te geven;
Dagvaarding II 09-281867-24
hij op of omstreeks 2 september 2024 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp [aangever 3] heeft mishandeld door die [aangever 3] tegen zijn schenen te trappen.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding II ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding I ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring, met uitzondering van hetgeen ten laste is gelegd met betrekking tot het vuurwapen.
Vrijspraak dagvaarding II
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 2 september 2024 [aangever 3] (hierna ook: de aangever) heeft mishandeld. Op deze dag reed de aangever op zijn fiets richting zijn huis toen hij bij een stoplicht drie jongens zag vechten. Hij wilde deze vechtpartij stoppen. Op dat moment kwam er een vierde persoon bij, te weten de verdachte. De aangever heeft verklaard dat hij tegen de verdachte zei dat hij zich er niet mee moest bemoeien. Op dat moment kreeg de aangever van de verdachte een trap op zijn linker scheenbeen. De aangever is de enige persoon die heeft verklaard dat de verdachte uit het niets een trap tegen de scheenbeen heeft gegeven. Deze verklaring wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Dat leidt tot het oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dit tenlastegelegde feit.
Gebruikte bewijsmiddelen dagvaarding I
De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Bewijsoverwegingen dagvaarding I
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij samen met anderen op 27 december 2024 de aangevers [aangever 1] en [aangever 2] heeft beroofd. De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bekend dat hij betrokken is geweest bij deze beroving. De verdachte zou echter niet hebben geweten dat er een vuurwapen/luchtdrukwapen aanwezig zou zijn en dat deze door één van de betrokkenen getoond zou worden.
Uit het dossier blijkt dat op het moment dat de verdachte aangever [aangever 1] bij zijn keel vast had gepakt en hij stond te filmen, een andere verdachte met een vuurwapen op de borst van aangever [aangever 2] gericht stond. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij zag dat één van de medeverdachten met een luchtbuks op de slachtoffers afliep. De verdachte moet vervolgens ook gezien hebben dat het wapen gericht is op aangever [aangever 2] . De aangevers stonden immers dichtbij elkaar. Het tonen en richten van het wapen kan dan ook bewezen worden. Er is tussen de verdachte en zijn medeverdachten sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Zij zijn met zijn allen richting de aangevers gelopen en hebben met zijn allen de aangevers beroofd van geld en helmen. Het maakt voor het bewijs van het ‘medeplegen’ van de gedragingen waarvan de verdachte verdacht wordt in beginsel niet uit wie welk geweld(selement) heeft gebruikt, en of de verdachte zelf daadwerkelijk het geweld heeft gepleegd waarvan hij verdacht wordt. Gezien de bewijsmiddelen gaat de rechtbank ervan uit dat hij dit geweld wel heeft gebruikt. Maar ook het geweld zoals gepleegd door de medeverdachten komt voor rekening van de verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat alle handelingen zoals deze ten laste gelegd zijn wettig en overtuigend bewezen zijn.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
09-407988-24
hij op 27 december 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, één of meerdere vapes en helmen, die aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweldtegen die [aangever 1] en [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door- op die [aangever 1] en [aangever 2] af te rennen en- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [aangever 1] en [aangever 2] te tonen en op die [aangever 1] en [aangever 2] te richten en tegen de borst van die [aangever 2] te duwen en- tegen die [aangever 2] te zeggen "Geef alles, zakken leeg" en
- die [aangever 1] en [aangever 2] in het gezicht te slaan en- in de jaszak van die [aangever 1] te voelen en- die [aangever 1] bij de keel vast te pakken en- die [aangever 1] een kopstoot te geven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De op te leggen straffen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - met toepassing van het jeugdstrafrecht - wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.
De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 150 uren gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte is gemotiveerd voor zijn toekomst. De verdachte is bang dat zijn toekomstplannen doorkruist zullen worden als er een onvoorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd. De verdediging verzoekt daarom een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Als daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf wordt opgelegd, dan is de verdachte bereid om deze uit te voeren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof. Hij had samen met zijn medeverdachten bedacht om één van de slachtoffers te beroven van vapes. Zij spraken daarom ’s avonds met het slachtoffer af bij Madurodam. De verdachten hadden hun gezicht bedekt met helmen dan wel een capuchon. De verdachten hebben de slachtoffers omsingeld. Onder de dreiging van een wapen hebben zij geld en vapes afhandig gemaakt. De verdachte heeft door zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en laten zien dat hij geen respect heeft voor het eigendom van anderen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 maart 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 21 augustus 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de verdachte is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis en ADHD. Ook is er een patroon van agressie incidenten zichtbaar. Het niet-innemen van medicatie lijkt de agressie te verhogen. De verdachte staat inmiddels onder behandeling bij de forensische ambulante polikliniek De Waag voor onder andere zijn agressieproblematiek. De reclassering acht het van belang dat deze behandeling bij een veroordeling wordt voortgezet. Daarbij moet er volgens de reclassering ook aandacht zijn voor de impulsiviteit en beïnvloedbaarheid van de verdachte, wat als risicoverhogend wordt gezien. De verdachte lijkt bovendien slechts beperkt zelfinzicht en probleembesef te vertonen. De reclassering vindt voortzetting van verplichte reclasseringsbemoeienis aangewezen. Het is volgens haar positief dat de verdachte aangeeft hiervoor open te staan en dat hij zich gedurende de periode van schorsing meewerkend heeft opgesteld. De verdachte staat bovendien in goed contact met zijn coaches van [zorgverlener] en hij heeft een fulltime baan in de bouw. De reclassering vindt dit ook positief.
Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog.Op basis van het wegingskader adolescentenstrafrecht adviseert de reclassering het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte is gebaat bij ondersteuning door volwassenen en hij lijkt niet goed in staat te zijn de gevolgen van zijn eigen gedrag te kunnen overzien. Bovendien is hij impulsief en beïnvloedbaar, wat des te meer past bij een jeugdige. Bij een veroordeling adviseert de reclassering wel begeleiding door de volwassenenreclassering, omdat er al sprake is van een goedlopende begeleidingstraject en de verdachte bovendien aan het toewerken is richting zelfstandigheid. De reclassering adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Toepassing van het jeugdstrafrecht in ASR zaken
Volgens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr), kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht toepassen.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank hierbij mee dat er gedreigd is met een wapen, de plaats van het delict en het georganiseerde karakter van de groep.
De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat het initiatief tot het plegen van de straatroof niet bij hem lag, maar dat hij door zijn medeverdachten is ingezet tot het medeplegen van het feit. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte sinds zijn aanhouding niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie. Hij lijkt zijn leven positief te hebben veranderd en lijkt de gevolgen van zijn handelen te hebben ingezien. Hij is gemotiveerd om aan zijn toekomst te werken.
De rechtbank vindt het belangrijk dat de straf bijdraagt aan voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
Gezien de ernst van het feit en om de verdachte de gevolgen van zijn gedrag te laten voelen, zal de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur opleggen. De rechtbank ziet in de ernst van het feit, het georganiseerde karakter ervan, de gevolgen voor de slachtoffers en de door het feit veroorzaakte onrust echter ook aanleiding om nog een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen.
Alles overwegende, zal de rechtbank een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren opleggen, bij niet voldoen te vervangen door 50 dagen jeugddetentie, met aftrek van de dagen die de verdachte in voorarrest heeft verbleven.
Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie van één maand opleggen met een proeftijd van twee jaren. Deze voorwaardelijke jeugddetentie heeft tot doel om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke jeugddetentie zullen de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd met uitzondering van de voorwaarde tot het meewerken aan middelencontrole. Bij het bewezenverklaarde feit was de verdachte niet onder invloed waardoor de rechtbank de noodzaak er niet toe ziet om de verdachte te verplichten om mee te werken aan middelencontrole. De verdachte zal zelf verstandig om moeten gaan met middelengebruik dan wel het nuttigen van alcohol.
7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
[aangever 1] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. H.W. van Eeuwijk, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 2.919,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 419,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade. Ook is de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
[aangever 3] heeft zich ook als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Hij heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens zware mishandeling ingediend.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] , vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts vordert de officier van justitie dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 2.919,-.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen vordering is nu de vordering niet gespecificeerd is met enig gevorderd bedrag.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van het weggenomen geldbedrag. Ten aanzien van de gevorderde schade voor de helmen heeft de verdachte aangegeven dat hij deze schade wil vergoeden.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd is. De benadeelde partij zal dan ook niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van dit deel van de vordering. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de immateriële schade te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [aangever 3]
De rechtbank zal de benadeelde partij [aangever 3] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
Benadeelde partij [aangever 1]
Op grond van art. 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de verdachte aansprakelijk voor de door benadeelden geleden schade. Vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade (smartengeld) is op grond van artikel 6:106 BW onder andere toewijsbaar bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. Van aantasting van de persoon op ‘andere wijze’ is allereerst sprake in het geval van geestelijk letsel. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor benadeelden meebrengen dat er sprake is van aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. Het gaat daarbij om uitzonderlijke situaties die dermate ingrijpende gevolgen hebben voor de slachtoffers dat zij op die grond in aanmerking komen voor schadevergoeding.
In onderhavige zaak is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel. De vraag rijst dan of de aard en de ernst van de gepleegde normschending en de gevolgen daarvan in dit geval een grondslag bieden voor vergoeding van smartengeld. De rechtbank beantwoordt die vraag positief, gezien de aard van het delict (diefstal met geweld), de ernst (in georganiseerd verband en gericht tegen een destijds minderjarige) ervan en de gevolgen daarvan in dit concrete geval voor [aangever 1] zoals beschreven in het verzoekschrift. Anders dan de verzoeker ziet de rechtbank echter geen reden om aan te sluiten bij de Rotterdamse Schaal. Daarvoor vindt de rechtbank het gestelde leed van het slachtoffer in het licht van de betwisting van de hoogte van de vordering door de verdediging onvoldoende feitelijk onderbouwd.
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,-. De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De schade, voor zover die betrekking heeft op de materiële schade van in totaal € 419, komt als niet betwist voor vergoeding in aanmerking. De verdachte heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk aangegeven deze schade te willen vergoeden.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 919,-, bestaande uit € 419,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 december 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 919,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 december 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 1] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8. De inbeslaggenomen voorwerpen
Nu de verdachte wordt vrijgesproken in de zaak waarin de snorfiets in beslag is genomen, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
36f, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II (09-281867-24 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I (09-407988-24) ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
dagvaarding I (09-407988-24):
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 1 (een) maand;
bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;
2. meewerkt aan behandeling door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering;
3. op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [aangever 1] ( [geboortedatum 2] 2006);
- [aangever 2] ( [geboortedatum 3] 2004)
zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
4. meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen;
5. meewerkt aan begeleiding door [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
reclassering, zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 100 (honderd) uren;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
verklaart de benadeelde partij [aangever 3] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij [aangever 3] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 919,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag van € 919,-, bestaande uit € 419,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 december 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 919,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de inbeslaggenomen goederen
gelast de teruggave aan de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: 1 STK Snorfiets (Omschrijving: Zwart, merk: Piaggio);
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter, voorzitter,
mr. E. van Die, kinderrechter,
en mr. B.J. de Groot, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2026.
mr. B.J. de Groot is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.