ECLI:NL:RBDHA:2026:9258

ECLI:NL:RBDHA:2026:9258

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer NL24.9458
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Derdelander uit Oekraïne. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat voor zover het beroep van eiser is gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024, verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. Voor zover het beroep is gericht tegen het terugkeerbesluit van 28 juli 2025, is het ongegrond. Ambtshalve heeft de rechtbank geoordeeld dat het beginsel van non-refoulement niet is geschonden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.9458

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),

en

1. Eiser is een zogenoemde derdelander uit Oekraïne. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de tijdelijke bescherming en meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat voor zover het beroep van eiser is gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024, verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. Voor zover het beroep is gericht tegen het terugkeerbesluit van 28 juli 2025, is het ongegrond. Ambtshalve heeft de rechtbank geoordeeld dat het beginsel van non-refoulement niet is geschonden. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de tijdelijke bescherming voor hem is geëindigd na 4 maart 2024 en is aan hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

Met het besluit van 28 juli 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken en heeft hij aan eiser een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Eiser heeft op 18 augustus 2025 en 1 september 2025 aanvullende gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 maart 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Wat betrekt de rechtbank bij de beoordeling?

3. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 2003. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit).

Op 1 augustus 2022 heeft hij een asielaanvraag ingediend. In het besluit van 1 juni 2023 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld. Daarmee staat de buiten behandelingstelling van de asielaanvraag in rechte vast.

In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. De Afdeling oordeelde ook dat er geen toezeggingen door verweerder zijn gedaan waaruit mocht worden afgeleid dat de facultatieve tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur van de tijdelijke bescherming is bereikt en dat voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen plaats is.

In het arrest in de zaak Kaduna van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) naar aanleiding van vragen van onder meer de Afdeling overwogen dat lidstaten de verleende facultatieve tijdelijke bescherming mogen intrekken zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en de algemene beginselen van het Unierecht in acht worden genomen. Lidstaten zijn niet verplicht de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming af te stemmen op de duur van de verplichte tijdelijke bescherming. Ook heeft het Hof overwogen dat het lidstaten niet is toegestaan om een terugkeerbesluit uit te vaardigen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.

De Afdeling heeft vervolgens in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming voor de derdelanders uit Oekraïne per 4 maart 2024 te beëindigen. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de algemene beginselen van het Unierecht daarbij niet in acht zijn genomen.

In afwachting van het arrest van het Hof en de uitspraken van de Afdeling heeft verweerder besloten de beëindiging van de tijdelijke bescherming te bevriezen. In de brief aan de Tweede Kamer van 3 juni 2025 heeft verweerder aan de Kamer bericht dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025.

Wat is het standpunt van verweerder?

4. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling overwogen dat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Eiser heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Evenmin is eiser in het bezit van een verblijfsvergunning. Dit betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Daarom heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Er is geen sprake van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer het risico loopt op refoulement.

Heeft eiser procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024?

5. Verweerder heeft het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken, omdat dit besluit vóór 4 maart 2024 en dus te vroeg was genomen. Eiser betwist dat zijn tijdelijke bescherming is geëindigd per 4 maart 2024. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van het besluit van 21 februari 2024 voor zover dat ziet op de beëindiging van de facultatieve bescherming per 4 maart 2024.

Is de tijdelijke bescherming beëindigd per 4 maart 2024?

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 in strijd is met het evenredigheids- het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. Verweerders verwijzing naar de rechtspraak van het Hof en de Afdeling is volgens eiser niet voldoende. Volgens eiser volgt uit het arrest Kaduna dat de rechter moet nagaan of de toezegging is gedaan dat de facultatieve tijdelijke bescherming niet eerder zou worden beëindigd dan de bescherming die de andere ontheemden uit Oekraïne genoten. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder dit niet is nagegaan en dat er bovendien een dergelijke toezegging (impliciet) is gedaan, door de groepen jarenlang gelijk te behandelen. Eiser verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de Kamerbrief van 22 maart 2022. Ook mag er volgens eiser niet zomaar teruggekomen worden van de insteek om de groepen gelijk te behandelen. Dat is namelijk in strijd met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Wat betreft de evenredigheid heeft eiser op zitting aangevoerd dat hij sinds zijn 14e jaar heeft gewerkt om een studiebeurs in Oekraïne te verkrijgen. Hij is er niet op uit om problemen te veroorzaken maar wil juist een toekomst voor zichzelf opbouwen. Het kan hem niet verweten worden dat de oorlog in Oekraïne is uitgebroken. Als hij naar Marokko terug moet, moet hij helemaal opnieuw beginnen. In Marokko kan hij niet naar de universiteit. Hij heeft Marokko juist verlaten om elders zijn leven op te bouwen. Volgens eiser heeft verweerder het evenredigheidsbeginsel niet toegepast.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het Hof in het arrest Kaduna overwogen dat lidstaten bevoegd zijn om de facultatieve tijdelijke bescherming eerder te beëindigen dan de niet-facultatieve tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 haar eerdere oordeel van 17 januari 2024 bevestigd dat de facultatieve tijdelijke bescherming eindigt per 4 maart 2024. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om daar in deze zaak anders over te oordelen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Daarvoor is namelijk allereerst vereist dat sprake is van een concrete toezegging dat eiser gelijk zal worden behandeld als de andere ontheemden uit Oekraïne die niet-facultatieve bescherming genieten. Niet gebleken is dat een dergelijke concrete toezegging is gedaan. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat sprake is van een impliciete toezegging, omdat de groep derdelanders met tijdelijk verblijf in Oekraïne een periode gelijk is behandeld als de andere groep ontheemden uit Oekraïne.

Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat eiser aantoont dat er sprake is van gelijke gevallen, die aantoonbaar anders worden behandeld. Hier is eiser niet in geslaagd. De verwijzing naar verschillende uitspraken van de Afdeling en de Hoge Raad in de aanvullende gronden van beroep van 1 september 2025, ter onderbouwing van het beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat deze uitspraken niet zien op het vertrouwens- of gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet evenredig is. De rechtbank heeft begrip voor zijn standpunt dat hij vanwege het uitbreken van de oorlog in een onzekere situatie terecht is gekomen en dat hij in Nederland zijn leven heeft voortgezet. Dat doet er echter niet aan af dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor een individuele belangenafweging geen plaats is. Een op eiser toegespitste beoordeling gaat daarom niet verder dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat eiser beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026.

De beroepsgronden ten aanzien van de beëindiging van de tijdelijke bescherming slagen niet.

Heeft verweerder op 28 juli 2025 een nieuw terugkeerbesluit aan eiser kunnen uitvaardigen?

7. In het besluit van 15 juli 2025 staat dat dit besluit het eerdere terugkeerbesluit vervangt. De rechtbank merkt het aan als een besluit tot vervanging als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep dat is ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ziet daarom ook op dit besluit.

Het terugkeerbesluit en de bevriezingsmaatregel

Eiser stelt zich op het standpunt dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 te vroeg is uitgevaardigd, omdat op grond van de bevriezingsmaatregel zijn tijdelijke bescherming doorliep tot 5 september 2025. Dat het terugkeerbesluit te vroeg is genomen volgt ook uit IB 2025/17 waarin is opgenomen dat de bevriezing van de rechtsgevolgen voor de groep derdelanders eindigt vijf weken nadat de rechtbank Amsterdam en de Afdeling einduitspraak hebben gedaan. Omdat de rechtbank Amsterdam op 10 juli 2025 uitspraak heeft gedaan, is ook daarom het terugkeerbesluit van 15 juli 2025 te vroeg uitgevaardigd.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. In de uitspraak van 31 oktober 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat de bevriezingsmaatregel van verweerder voor derdelanders uit Oekraïne er niet toe heeft geleid dat verweerder geen terugkeerbesluit kon uitvaardigen. De verwijzing van eiser naar IB 2025/17 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel alleen al vanwege het feit dat de bevriezingsmaatregel is geëindigd op 4 september 2025, meer dan vijf weken nadat zittingsplaats Amsterdam uitspraak heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Het terugkeerbesluit en de SIS-signalering

Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen enkele reden is om een terugkeerbesluit met SIS-signalering op te leggen. Ook hierin volgt de rechtbank eiser niet. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/1860 voeren de lidstaten in het SIS signaleringen in van onderdanen van derde landen tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit. Als er aan een vreemdeling een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, wordt er ook een signalering voor de terugkeer in het SIS geregistreerd. De rechtbank stelt gelet hierop vast dat in deze bepaling dwingend is voorgeschreven dat lidstaten verplicht zijn om een vreemdeling tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in SIS. Verweerder is dan ook verplicht om het terugkeerbesluit van eiser te registreren. De SIS-registratie verdwijnt nadat eiser aan zijn terugkeerplicht heeft voldaan.

Het terugkeerbesluit en het arrest Ararat

De rechtbank is bekend met het arrest Ararat en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. De rechtbank is in overeenstemming met dit arrest en deze uitspraak in het dossier nagegaan of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest of dat er sprake van familie- of gezinsleven waar verweerder bij het uitvaardigen van het terugkeerbesluit rekening had moeten houden. Daarvan is volgens de rechtbank niet gebleken. De stukken in het dossier geven daarvoor geen aanknopingspunten.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.

Eiser krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.H. Affourtit-Kramer

Griffier

  • mr. S.L.L. Rovers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?