ECLI:NL:RBDHA:2026:9259

ECLI:NL:RBDHA:2026:9259

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer NL24.30491
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Aanvragen machtigingen voorlopig verblijf afgewezen. Bijkomende elementen van afhankelijkheid en redelijke termijn. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser ] , V-nummer: [nummer 1] , eiser, en

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.30491

[eiseres] , V-nummer: [nummer 2] , eiseres,

gezamenlijk eisers

(gemachtigde: mr. M. Wiersma),

en

de minister van Asiel en Migratie , verweerder

(gemachtigde: mr. J.L.A.F. van Halteren).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eisers zijn het daarmee niet eens. Zij voeren daartoe een beroepsgrond aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag aan de hand van deze beroepsgrond. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eisers hebben op 7 september 2021 een aanvraag ingediend voor een mvv. Deze aanvraag is ingediend voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] ’ op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Bij besluit van 29 november 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eisers hebben een aanvullend beroepschrift en aanvullende stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (de referent), de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van de aanvraag

3. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1963 en eiseres op [geboortedatum 2] 1970. Eisers hebben de Afghaanse nationaliteit en wensen verblijf bij de referent. Zij stellen dat zij de ouders zijn van de referent. De referent is geboren op [geboortedatum 3] 1999 en heeft ook de Afghaanse nationaliteit. Hij is in 2015 gevlucht uit Afghanistan naar Nederland. In Nederland heeft hij asiel aangevraagd. Verweerder heeft aan de referent vervolgens een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.

Het bestreden besluit

4. Volgens verweerder is de familierechtelijke relatie tussen eisers en de referent nog niet aannemelijk gemaakt. Eisers krijgen hierbij van verweerder het voordeel van de twijfel, omdat hun inspanningen om de familierechtelijke relatie te onderbouwen zwaarder wegen dan het ontbreken van familierechtelijke documenten. Hierdoor zou nader onderzoek naar de familierechtelijke relatie in de rede liggen. Dit onderzoek wordt echter niet opgestart, omdat de uitkomst ervan het bestreden besluit niet anders zou maken. Er is volgens verweerder tussen de eisers en de referent namelijk geen sprake van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat het jongvolwassenenbeleid niet op de referent van toepassing is en er tussen eisers en de referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.

Standpunt eisers

5. Eisers voeren aan dat er tussen hen en de referent wel familie- of gezinsleven bestaat zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Er bestaan tussen hen en de referent namelijk wel degelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Verweerder heeft te weinig belang toegekend aan de omstandigheid dat eisers en de referent tot de vlucht van de referent in 2015 hebben samengewoond en dat die vlucht van de referent gedwongen was. Verweerder heeft verder te weinig belang toegekend aan het feit dat de referent de eisers financieel ondersteunt. Verweerder heeft hierbij ten onrechte betrokken dat deze financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet. Dit had verweerder slechts mogen betrekken in de uiteindelijke belangenafweging, maar niet bij de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verder heeft verweerder ten onrechte niet aannemelijk geacht dat eisers medisch afhankelijk zijn van anderen. Dat de eisers medisch afhankelijk zijn blijkt onder meer uit het feit dat de partner van de referent de eisers in Iran heeft verzorgd. Er zijn ook stukken overgelegd over de medische klachten van eiseres en gezien de aard van deze klachten is het volkomen aannemelijk dat zij medisch afhankelijk is van anderen. Tot slot heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van meer dan gebruikelijke emotionele banden. Ten tijde van het bestreden besluit leefden de eisers namelijk zonder rechtmatig verblijf in Iran en de referent maakte zich hierover veel zorgen.

Bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen

6. Bij de beoordeling van de vraag of er tussen volwassen familieleden bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, moet verweerder alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Zo kunnen de volgende omstandigheden van belang zijn: of de betrokkenen hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van medische afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid en de banden met het land van herkomst. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familie- of gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.

Samenwoning

De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat verweerder te weinig belang heeft toegekend aan de omstandigheid dat eisers en de referent tot de vlucht van de referent in 2015 hebben samengewoond en dat die vlucht van de referent gedwongen was. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk dat verweerder dit wel degelijk heeft meegewogen. Verweerder heeft daarbij echter terecht van belang geacht dat eisers en de referent sinds 2015, dus al lange tijd, niet meer samen wonen. Verweerder heeft vervolgens terecht geconcludeerd dat dit niet duidt op afhankelijkheid.

Financiële afhankelijkheid

Verweerder heeft aannemelijk geacht dat de eisers financieel (mede) afhankelijk zijn van de referent sinds hij in Nederland verblijft. Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de financiële ondersteuning van de referent aan eisers al enige tijd op afstand plaatsvindt en dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze steun niet op afstand kan worden voortgezet. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat verweerder deze omstandigheden niet had mogen betrekken bij de toets of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) hebben namelijk eerder geoordeeld dat verweerder bij de toets of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid mag betrekken dat financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet.

Medische afhankelijkheid

Ten aanzien van eiser heeft verweerder terecht opgemerkt dat er geen stukken overgelegd zijn die zien op zijn medische situatie. Ten aanzien van eiseres heeft verweerder aannemelijk geacht dat zij medische klachten heeft, doordat er stukken zijn overgelegd waarin wordt gesteld dat zij last heeft van epilepsie en antidepressiva slikt. Verweerder heeft echter terecht geconcludeerd dat uit deze stukken niet blijkt welke gevolgen deze medische klachten hebben voor het dagelijks leven van eiseres en ook niet dat zij specifiek afhankelijk is van de referent. Anders dan eisers is de rechtbank verder van oordeel dat de medische klachten van eiseres niet van dien aard zijn dat zonder verdere onderbouwing aangenomen moet worden dat zij medisch afhankelijk is van anderen. Verweerder heeft bovendien terecht betrokken dat eisers zich al sinds 2015 redden zonder de referent. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun betoog dat aannemelijk is gemaakt dat zij medisch afhankelijk zijn van de referent.

Emotionele afhankelijkheid

Hoewel de rechtbank begrijpt dat de referent zich zorgen maakt om zijn ouders en dat hij hen mist, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat de emotionele banden tussen eisers en de referent uitstijgen boven de tussen ouders en hun meerderjarige kinderen gebruikelijke emotionele banden, zodat er geen sprake is van emotionele afhankelijkheid.

Banden met land van herkomst

Verweerder heeft in zijn besluitvorming betrokken dat eisers de Afghaanse nationaliteit hebben en in Afghanistan geboren zijn. Verder heeft verweerder betrokken dat eisers ten tijde van het bestreden besluit in Iran verbleven. Hierbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eisers van zowel Afghanistan als Iran de taal spreken en dat zij van beide landen ook de cultuur en gewoontes kennen.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder – alle elementen van afhankelijkheid in onderlinge samenhang bezien – niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat tussen eisers en de referent geen sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, doordat er tussen hen geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. De beroepsgrond slaagt niet.

Overschrijding van de redelijke termijn

7.

Eisers hebben verzocht om hen een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn van deze procedure.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar deels te wijten is aan het processuele gedrag van eisers. De gronden van het bezwaarschrift zijn pas later ingediend en bovendien zijn er daarna nog meerdere keren aanvullende stukken ingediend.

Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat voor een procedure als deze in beginsel een redelijke termijn geldt van twee jaar. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar en anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep. Bijzondere omstandigheden kunnen een kortere of langere behandelingsduur rechtvaardigen. Daarbij kan worden gedacht aan de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van omstandigheden die een langere behandelingsduur dan het uitgangspunt rechtvaardigen. Wat verweerder heeft opgemerkt over het processuele gedrag van eisers in bezwaar is daarvoor onvoldoende zwaarwegend. Eisers hebben zich aan de afspraken gehouden wat betreft het indienen van gronden en het aanleveren van stukken. Het stond verweerder bovendien vrij om eisers na 26 februari 2023, te weten de dag waarop eisers gronden in de bezwaarprocedure hebben ingediend, uit te nodigen voor een hoorzitting. Verweerder heeft eisers echter pas bij brief van 9 april 2024, dus ruim een jaar later, uitgenodigd voor een hoorzitting op 6 mei 2024. Bovendien hebben eisers verweerder op 14 juli 2023 in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen. Daaruit volgt dat zij voortvarendheid wensten en niet hebben getraineerd.

De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eisers op 22 december 2022. Deze uitspraak volgt dus na meer dan 39 maanden, zodat de procedure in totaal meer dan twee jaar heeft geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn met – naar boven afgerond – 16 maanden is overschreden. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, hebben eisers recht op € 1.500,-.

Verweerder heeft na ruim 18 maanden op het bezwaar van eisers beslist. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur aan de zijde van verweerder, die 6 maanden bedraagt, met - naar boven afgerond – 13 maanden is overschreden. De rechtbank doet uitspraak ruim 19 maanden na binnenkomst van het beroepschrift. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur aan de zijde van de rechtbank, die 18 maanden bedraagt, met – naar boven afgerond – 2 maanden is overschreden. De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn daarom voor 13/15e toerekenen aan verweerder en voor 2/15e deel aan de rechtbank. Omdat de overschrijding aan verweerder én de rechtbank is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van verweerder en de Staat der Nederlanden (de Staat).

Conclusie en gevolgen

8.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en (ook) geen mvv. Zij krijgen voor hun beroep ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Eisers krijgen daarom een schadevergoeding van € 1.500,-. Omdat het verzoek tot schadevergoeding wordt toegewezen hebben eisers ook recht op vergoeding van hun proceskosten voor het indienen van dit verzoek. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934, en wegingsfactor 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als de Staat is toe te rekenen, moeten beiden de helft van de proceskosten aan eisers vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

G.I. Heijblom, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?