RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14515
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Verweerder heeft op 7 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 10 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1977.
Waarover gaat deze uitspraak?
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank betrekt in haar beoordeling dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 maart 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 5 maart 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers stelling, dat de eerdere uitspraken moeten worden herzien, slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Heeft de maatregel tot aan de opheffing rechtmatig voortgeduurd?
3. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in de zaak Aroja van 5 maart 2026 volgt onder meer dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen. Alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, moeten bij elkaar worden opgeteld. Ook volgt uit het arrest Aroja dat verweerder bij een totale duur van zes maanden bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, een verlengingsbesluit moet nemen.
Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn bewaring ter uitvoering één en hetzelfde terugkeerbesluit, namelijk het besluit van 14 december 2010, langer dan achttien maanden heeft geduurd. Ook voert eiser aan dat verweerder met zes maanden ten onrechte geen verlengingsbesluit heeft genomen. Dat maakt dat in zijn geval dat de maatregel van begin af aan al onrechtmatig is geweest en in strijd was met artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser is daarom van mening dat hij recht heeft op schadevergoeding vanaf het moment van opleggen van de maatregel, 7 oktober 2025 tot de opheffing daarvan. Eiser vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 25 maart 2026.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het arrest Aroja ziet op de situatie dat de afzonderlijke periodes van bewaring zijn gebaseerd op één en hetzelfde besluit dat is genomen op grond van de Terugkeerrichtlijn. Deze richtlijn dateert van 16 december 2008 en had uiterlijk op 24 december 2010 geïmplementeerd moeten zijn. Dat is niet gebeurd. Pas op 15 december 2011 is de Terugkeerrichtlijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Het besluit van 14 december 2010 is dus niet gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank is van oordeel dat het arrest Aroja in deze situatie daarom niet van toepassing is. Het standpunt van eiser dat de Terugkeerrichtlijn wel van toepassing is, omdat het terugkeerbesluit van 14 december 2010 is genomen vooruitlopend op de implementatie van de Terugkeerrichtlijn, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat een lidstaat zich niet ten laste van een particulier op een nog niet geïmplementeerde bepaling uit een richtlijn kan beroepen (verbod op omgekeerde verticale werking). Daaruit volgt dat verweerder dus op 14 december 2010 nog geen terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn kon opleggen. Eiser kan zich dus ook niet met terugwerkende kracht beroepen op de Terugkeerrichtlijn.
Tussen partijen is niet in geschil dat op 22 maart 2024 aan eiser een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. Omdat het besluit van 14 december 2010 geen besluit is op grond van de Terugkeerrichtlijn, is het terugkeerbesluit van 22 maart 2024 geen aanvulling daarop, zoals eiser heeft betoogd. Op basis van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw op basis van terugkeerbesluit van 22 maart 2024 de volgende periodes in bewaring heeft gezeten:
- van 22 maart 2024 tot 8 april 2024
- van 7 oktober 2025 tot 10 maart 2026.
Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat eiser op het moment dat de maatregel werd opgeheven nog geen achttien maanden in totaal op basis van het terugkeerbesluit van 22 maart 2024 in bewaring heeft gezeten. Ook heeft verweerder geen verleningsbesluit hoeven nemen, omdat er ook nog geen periode van in totaal zes maanden bewaring is verstreken. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er andere redenen om het voortduren van de maatregel tot de opheffing daarvan onrechtmatig te achten?
4. Ook ambtshalve is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om het voortduren van de maatregel tot de opheffing daarvan onrechtmatig te achten.
Moet de rechtbank uitspraken over de rechtmatigheid van eisers bewaring herzien?
5. Eiser heeft herziening gevraagd van de uitspraak van 10 november 2025 waarin over de rechtmatigheid van een eerdere periode van zijn bewaring is geoordeeld. Hij heeft herziening gevraagd omdat hij schadevergoeding wil vanaf datum inbewaringstelling. Daargelaten de vraag of de eerdere uitspraak kan worden herzien, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet in aanmerking komt voor schadevergoeding, gelet op wat is overwogen in 3.4.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding en herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr.S.L.L. Rovers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.