ECLI:NL:RBDHA:2026:9261

ECLI:NL:RBDHA:2026:9261

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer NL26.14774
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Bewaring, artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, vervolgberoep. De bewaring is opgeheven. Uit het arrest Aroja volgt dat verweerder bij een totale duur van zes maanden bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, een verlengingsbesluit moet nemen. Alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, moeten bij elkaar worden opgeteld. De rechtbank is van oordeel dat een totale periode van langer dan zes maanden is verstreken. Verweerder heeft ten onrechte geen verlengingsbesluit genomen. Eiser komt in aanmerking voor schadevergoeding voor de periode van datum sluiting onderzoek in voorafgaande procedure tot aan de opheffing. De rechtbank wijst het verzoek om herziening van de eerdere rechtbankuitspraak af. De eerdere uitspraak is in kracht van gewijsde gegaan. Op grond van het arrest Kapferer ziet de rechtbank in het arrest Aroja geen aanleiding om de eerdere uitspraak te herzien en te vernietigen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.14774

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),

en

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd en heeft een verzoek om herziening ingediend.

Verweerder heeft op 10 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1971.

Waarover gaat deze uitspraak?

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank betrekt in haar beoordeling dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 februari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 9 februari 2026, rechtmatig was. Eiser heeft om herziening van de uitspraak van 12 februari 2026 gevraagd.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Voor zover er een verzoek om herziening van de uitspraak van 12 februari 2026 is gedaan, wijst de rechtbank dat af. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van het onderzoek op 9 februari 2026. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.

Heeft de maatregel tot aan de opheffing rechtmatig voortgeduurd?

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in totaal langer dan zes maanden op grond van hetzelfde terugkeerbesluit in bewaring heeft gezeten. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in de zaak Aroja van 5 maart 2026 volgt dat bij een totale duur van zes maanden verweerder een verlengingsbesluit moet nemen. Verweerder heeft dat ten onrechte niet gedaan. Volgens eiser is de maatregel van begin af aan onrechtmatig en komt eiser in aanmerking voor schadevergoeding vanaf de datum dat de maatregel is opgelegd.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Uit het arrest Aroja volgt dat verweerder bij een totale duur van zes maanden bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, een verlengingsbesluit moet nemen. Alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, moeten bij elkaar worden opgeteld.

De rechtbank betrekt in haar beoordeling de volgende, uit het dossier blijkende, stukken. In het besluit van 29 maart 2019 is eisers aanvraag om afgifte van een EU/EER-verblijfsdocument afgewezen en is hem opgedragen om binnen vier weken Nederland en de EU te verlaten. Dit besluit is dus ook een terugkeerbesluit. Verder blijkt uit het dossier dat eiser de volgende periodes in bewaring heeft gezeten:

- van 15 juni 2023 tot 31 augustus 2023

- van 15 september 2023 tot 8 maart 2024

- van 21 januari 2026 tot 10 maart 2026

De rechtbank gaat ervan uit dat deze periodes van inbewaringstelling ter uitvoering zijn van het terugkeerbesluit van 29 maart 2019.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat eiser op het moment dat de maatregel werd opgeheven nog geen achttien maanden in totaal op basis van één en hetzelfde terugkeerbesluit in bewaring heeft gezeten. Wel is er sprake van een totale periode van langer dan zes maanden. Uit het arrest Aroja volgt dat verweerder een verlengingsbesluit had moeten nemen. Dat is niet gebeurd. Het beroep is gegrond.

Eiser heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 12 februari 2026 en stelt dat hij in aanmerking komt voor schadevergoeding vanaf de datum van de oplegging van de maatregel. Op de datum van oplegging van de maatregel op 21 januari 2026 was namelijk ook al de periode van zes maanden als bedoeld in het arrest Aroja overschreden.

De rechtbank wijst dit verzoek af. In artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is neergelegd wanneer herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak mogelijk is. Er moet sprake zijn van feiten en omstandigheden die onder andere hebben plaatsgevonden vóór de te herziene uitspraak. Het arrest Aroja is niet voor 12 februari 2026 gewezen. Voorts volgt uit het arrest van het Hof in de zaak Kühne en Heitz van 13 januari 2024 dat een bestuursorgaan onder strikte voorwaarden verplicht is terug te komen op een eerder besluit als dat volgens latere rechtspraak van het Hof op een onjuiste uitleg van het unierecht blijkt te berusten. In het arrest Kapferer van 16 maart 2006 heeft het Hof echter ook overwogen dat het unierecht een nationale rechter niet gebiedt om een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak te onderzoeken en te vernietigen als deze in strijd met het unierecht blijkt te zijn en dat het arrest Kühne en Heitz daar niet aan af doet.

Niet in geschil is dat de uitspraak van 12 februari 2026 in kracht van gewijsde is gegaan. Op grond van het arrest Kapferer ziet de rechtbank in het arrest Aroja geen aanleiding om de uitspraak van 12 februari 2026 te herzien en te vernietigen. Eisers verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 25 maart 2026 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eisers stelling dat schending van een fundamenteel grondrecht aanleiding zou moeten geven om toch tot herziening over te gaan, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft ter onderbouwing verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2024. Dit arrest ziet echter op herziening in strafzaken bij een door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vastgestelde schending van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat is in deze zaak niet aan de orde. De rechtbank ziet hierin daarom geen grond voor herziening.

Conclusie en gevolgen

4. De periode van zes maanden van totale inbewaringstelling was al verstreken ten tijde van de uitspraak van 12 februari 2026. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de maatregel vanaf moment van sluiten onderzoek op 9 februari 2026 tot aan de opheffing daarvan op 10 maart 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe voor 29 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) maatregel van bewaring van 29 x € 120,- (verblijf in detentiecentrum) = €3.480,-.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 3.480,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

- wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr.S.L.L. Rovers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.V.A. Corstens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?