ECLI:NL:RBDHA:2026:9271

ECLI:NL:RBDHA:2026:9271

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer NL24.13426
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Aanvraag visum voor kort verblijf afgewezen. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

de minister van Buitenlandse zaken, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.13426

(gemachtigde: mr. M. Taheri),

en

(gemachtigde: mr. J.L.A.F. van Halteren).

1. Deze zaak gaat over een aanvraag voor een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat er volgens hem redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Iran. Bovendien acht hij hierdoor het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond. Eiseres is het hier niet mee eens en zij voert hiertoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De rechtbank komt tot de conclusie dat dat het geval is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (referente), bijgestaan door [naam 2] als tolk, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1965. Zij heeft de Iraanse nationaliteit. Op 29 juni 2023 heeft zij een visum voor kort verblijf aangevraagd om referente (haar dochter) en haar kleinzoon in Nederland te bezoeken.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef en onder ii en onder b) van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode). Verweerder heeft redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Iran. Er is volgens verweerder namelijk niet gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Iran dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft hierbij ook betrokken dat eiseres haar dochter, schoonzoon en kleinzoon van eiseres in Nederland asiel hebben aangevraagd. Doordat er redelijke twijfel is over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren acht verweerder ook het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond.

Juridisch kader

Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode wordt, voor zover van belang, een visum geweigerd:

a. indien de aanvrager:

ii) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;

b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

Op grond van artikel 14 van de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening.

Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een weigeringsgrond aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat twee weigeringsgronden zich voordoen slechts terughoudend kan toetsen.

Heeft verweerder in redelijkheid kunnen twijfelen aan het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren?

Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om tijdig terug te keren naar Iran. Eiseres heeft, anders dan verweerder stelt, wel voldoende sociale en economische binding met Iran. Eiseres woont al haar hele leven in Iran. Zij is volledig ingebed in het leven daar en heeft er geen behoefte aan om een nieuw bestaan op te bouwen in een ander land. Eiseres is getrouwd in Iran en haar echtgenoot blijft daar achter. Eiseres heeft in Iran ook een dochter en een kleinzoon op wie zij drie dagen per week past. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres een ondertekende verklaring van haar dochter overgelegd en foto’s van de paspoorten van deze dochter en kleinzoon. Verder heeft zij een broer en schoonfamilie in Iran waarmee zij zeer intensief contact heeft. Bovendien is de echtgenoot van eiseres zelfstandig ondernemer. Hij heeft een eigen winkel in Iran waarmee hij voorziet in het inkomen van hem en eiseres. Dit blijkt ook uit de bij de aanvraag overgelegde ‘Bill of Sale’ en ‘Business License’ en de in beroep overgelegde verlenging van deze Business License. Eiseres beschikt bovendien over spaargeld. Eiseres voert verder aan dat verweerder niet bij haar visumaanvraag mocht betrekken dat referente Nederland met een visum heeft bezocht en vervolgens asiel heeft aangevraagd. Iedere aanvraag dient namelijk op zijn eigen merites te worden beoordeeld. Tot slot wijst eiseres erop dat referente zich garant heeft gesteld en dat referente in het verleden niet onbetrouwbaar is gebleken.

Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat het beleid van verweerder discriminerend werkt ten opzichte van ouderen. Zij heeft daarbij verwezen naar een (niet gepubliceerde) uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 december 2025, met kenmerk NL25.16563 en daarbij een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Bovendien heeft zij gesteld dat verweerder mogelijk werkt met een discriminerend algoritme en daarbij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14544 en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:475.

De rechtbank stelt vast dat de onder 5.2 genoemde beroepsgronden niet eerder naar voren zijn gebracht en is van oordeel dat het pas ter zitting aanvoeren van deze beroepsgronden in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank betrekt daarbij dat de gemachtigde van eiseres de eerstgenoemde uitspraak pas tijdens de zitting heeft geüpload in het dossier, dat er niet is gebleken van een goede reden waarom deze gronden niet eerder naar voren gebracht zijn en dat verweerder ter zitting ook niet in staat bleek om adequaat op deze beroepsgronden te reageren. De rechtbank zal deze beroepsgronden dus niet meenemen in de beoordeling van het beroep.

Met inachtneming van de terughoudende toetsing is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres voldoende sociale en economische binding heeft met Iran en dat daarom getwijfeld wordt aan het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren.

Ten aanzien van de sociale binding met Iran overweegt de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van enige sociale binding doordat eiseres haar echtgenoot in Iran achterlaat en ook familieleden met wie zij zich verbonden voelt. Ten aanzien van de – eerst in beroep naar voren gebrachte – stelling van eiseres dat zij in Iran drie dagen per week op haar kleinzoon past heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat dit aannemelijk wordt geacht, maar dat dit niet kan worden gezien als een zwaarwegende maatschappelijke verplichting om terug te keren naar Iran.

Ten aanzien van de economische binding met Iran overweegt de rechtbank dat verweerder van belang heeft kunnen achten dat eiseres huisvrouw is en daardoor geen werk heeft waarmee zij een eigen inkomen genereert. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres en haar echtgenoot beschikken over een regelmatig, substantieel en verifieerbaar inkomen waarmee zij in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Verweerder heeft de bij de aanvraag overgelegde ‘Bill of Sale’ en ‘Business License’ hiertoe onvoldoende kunnen achten, nu hieruit niet blijkt van reële bedrijfsactiviteiten en daaruit gegeneerde opbrengsten. Datzelfde geldt voor de in beroep overgelegde verlenging van deze Business License. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres een bankafschrift getoond ter onderbouwing van de stelling dat de echtgenoot van eiseres met zijn winkel een regelmatig, substantieel en verifieerbaar inkomen verdient. Hoewel verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat dit in strijd was met de goede procesorde, bleek verweerder ter zitting adequaat in staat om hier inhoudelijk op te reageren. De rechtbank zal dit stuk daarom, hoewel het inderdaad erg laat is ingediend, meenemen in de beoordeling van het beroep. De rechtbank is daarbij van oordeel dat verweerder de gestelde inkomsten nog altijd onvoldoende onderbouwd heeft kunnen vinden. Het betreffende bankafschrift ziet namelijk op de periode van 21 maart 2024 tot 21 april 2024. Dat betreft dus een periode van slechts één maand en bovendien is deze periode van na het bestreden besluit zodat dit, gelet op de ex tunc toetsing van het bestreden besluit, niet ter zake kan doen. Voor zover de gemachtigde van eiseres heeft aangeboden om na afloop van de zitting meer bankafschriften in te dienen waaruit blijkt dat de echtgenoot van eiseres met zijn winkel een regelmatig, substantieel en verifieerbaar inkomen verdient, biedt de rechtbank daartoe geen gelegenheid. Daar is namelijk al voldoende gelegenheid voor geweest. In het bestreden besluit heeft verweerder erop gewezen dat er geen stukken zijn overgelegd die zien op het inkomen van de echtgenoot van eiseres. Bovendien is de gemachtigde van eiseres er in het verweerschrift van 13 januari 2026 specifiek op gewezen dat er geen bankafschriften zijn overgelegd die zien op de winkel. Dat de gemachtigde van eiseres dit verweerschrift eerst ter zitting las komt daarbij voor haar rekening. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de (niet onderbouwde) stelling van eiseres dat zij spaargeld heeft verweerder niet tot een andere conclusie heeft hoeven leiden, omdat het hebben van spaargeld eiseres economisch niet aan Iran zou binden.

De rechtbank kan verder het standpunt van verweerder volgen dat het hebben van enige sociale binding, gelet op het ontbreken van economische binding, onvoldoende is om een tijdige terugkeer gewaarborgd te achten. Verweerder heeft alleen al daarom in redelijkheid kunnen twijfelen aan het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Iran. Zodoende kan in het midden blijven of verweerder bij de visumaanvraag mocht betrekken dat referente Nederland met een visum heeft bezocht en vervolgens asiel heeft aangevraagd. De omstandigheid dat referente zich garant heeft gesteld en de stelling dat referente zich in het verleden niet onbetrouwbaar heeft getoond, hebben verweerder – in het licht van wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de sociale en economische binding – niet tot een andere conclusie hoeven leiden.

De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in redelijkheid onvoldoende aangetoond kunnen achten?

Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond zijn. Zij wenst slechts haar dochter en kleinzoon in Nederland te bezoeken en zal daarna terugkeren naar Iran. Zij wijst er daarbij op dat zij haar dochter al ruim zeven jaar niet fysiek heeft gezien en haar kleinzoon zelfs nog nooit.

De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond zijn, omdat er wordt getwijfeld aan het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren. De rechtbank begrijpt – net als verweerder – dat eiseres haar dochter en haar kleinzoon fysiek wil ontmoeten. Uit de brief van de Driestroom van 11 april 2024 blijkt bovendien dat deze kleinzoon eiseres ook heel graag fysiek wil ontmoeten. Dit neemt echter niet weg dat eiseres aan de geldende voorwaarden voor visumverlening dient te voldoen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Had verweerder eiseres moeten horen in bezwaar?

Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.

Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen in bezwaar afzien. In dit geval heeft verweerder eiseres niet gehoord op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, waaruit volgt dat van het horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Eiseres was er in het primaire besluit namelijk al op gewezen dat de sociale en/of economische binding met Iran onvoldoende aangetoond was dan wel zeer gering was gebleken. Nu eiseres deze binding in bezwaar niet nader heeft onderbouwd, heeft verweerder van horen kunnen afzien. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht kennelijk ongegrond verklaard.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk en (ook) geen visum krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van G.I. Heijblom, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.C. de Vries

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?