RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.12756
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en
(gemachtigde: mr. M.P. Gaal-de Groot).
Procesverloop
Bij besluit van 5 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Wojcicka. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 17 maart 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Poolse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedag] 1983.
2. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende duidelijk blijkt dat de aanleiding om eiser staande te houden niet vreemdelingenrechtelijk van aard was. Uit het proces-verbaal van staandehouding volgt immers dat de verbalisanten reageerden op een melding van overlast, omdat eiser lag te slapen voor de portiek van een woning aan de [adres] . Dat eiser daarna heeft verklaard dat hij bewusteloos was na een epileptische aanval maak dat niet anders. De verbalisanten konden dat op dat moment immers niet weten.
3. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister ook in dit geval in de bestreden maatregel had moeten motiveren waarom het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van eiser verzet. Artikel 4 van het EU Handvest is absoluut en geldt derhalve voor iedere Unieburger. De minister moet daarom ook toetsen of de uitzetting naar Polen niet strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Hoewel er in het geval van eiser geen aanleiding is om aan te nemen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in Polen een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 van het EU Handvest verboden behandelingen, had de minister er in het besluit wel blijk van moeten geven dat hij bij het opleggen van de maatregel die beoordeling heeft gemaakt. Dat heeft de minister niet gedaan en dat kan niet achteraf worden gerepareerd of aangevuld. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek.
4. Omdat in een dergelijk geval geen ruimte is voor een belangenafweging is het beroep gegrond en is de maatregel van bewaring vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 17 maart 2026.
5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 13 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 12 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.600,-.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.