RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van
10 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres/verzoekster] , eiseres/verzoekster
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/2563 en AWB 25/2565
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Jozefzoon-Flipse),
en
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres/verzoekster (hierna: eiseres) tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’. Dit is een verblijfsvergunning die onder meer wordt verleend aan personen die op grond van artikel 8 van het EVRM aan hun in Nederland uitgeoefende privéleven een verblijfsrecht ontlenen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding en procesverloop
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1974 en is van Armeense nationaliteit. Eiseres is in 2010 met haar toenmalige partner en twee dochters vanuit Armenië naar Nederland gekomen. Zij heeft een asielaanvraag ingediend, welke aanvraag bij besluit van 3 mei 2011 is afgewezen. Daarbij is aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 21 augustus 2012 (AWB 11/18386) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het hoger beroep op 26 februari 2013 ongegrond verklaard.
4. Vervolgens heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend op 17 januari 2017. Deze aanvraag is bij besluit van 11 september 2017 afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van 14 augustus 2020 (NL19.23731) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht, het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het hoger beroep op 29 september 2020 ongegrond verklaard.
5. Op 4 februari 2019 heeft de dochter van eiseres, mede ten behoeve van eiseres, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet tijdelijke humanitaire gronden op grond van Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen’. Bij besluit van 12 juni 2019 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 3 december 2019 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 juli 2020 (AWB 19/10049 en AWB 19/10050) heeft deze rechtbank, deze zittingsplaats, het beroep gegrond verklaard. Op 9 november 2020 heeft de minister het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 juli 2021 (AWB 20/8875 en AWB 20/8876) heeft deze rechtbank, deze zittingsplaats, het beroep ongegrond verklaard, welke uitspraak in hoger beroep door Afdeling is bevestigd op 25 januari 2023.
6. Op 31 augustus 2023 heeft eiseres de huidige aanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 februari 2024 afgewezen. Daarbij is gewezen op het in een besluit van 3 mei 2011 opgelegd terugkeerbesluit, waarin is vermeld dat eiseres binnen vier weken Nederland moest verlaten. Die vertrektermijn is verlopen en met het besluit van 14 februari 2024 is de terugkeerprocedure hervat. Eiseres dient de lidstaten van de Europese Unie (met uitzondering van Ierland), aangevuld met Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein onmiddellijk te verlaten. Het aan eiseres op 5 juli 2019 opgelegde inreisverbod geldt nog steeds. Met het bestreden besluit van 29 januari 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
7. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
8. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 25/2565, op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, S. Hovhamisjan als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
9. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiseres geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste. Voor zover van belang voor dit beroep heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uitzetting van eiseres niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, valt de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit. Er is geen sprake van familieleven tussen eiseres en haar meerderjarige dochter, tussen eiseres en haar kleinkinderen en tussen eiseres en [persoon1] . Er is ook geen aanleiding eiseres met toepassing van de hardheidsclausule vrij te stellen van het mvv-vereiste, aldus de minister.
Bespreking van de beroepsgronden
10. In artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) is bepaald dat onder meer is vrijgesteld van het mvv-vereiste de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn. Verder kan de minister op grond van het derde lid van dit artikel het mvv-vereiste buiten toepassing laten als de toepassing ervan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule). De beroepsgronden strekken ertoe dat de minister deze vrijstellingsgronden ten onrechte niet van toepassing heeft geacht.Artikel 8 van het EVRM: privéleven
11. Niet in geschil is dat er in dit geval sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en dat het bestreden besluit daarop inbreuk maakt. In geschil is of de minister de in dat geval te maken belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft kunnen laten uitvallen.
12. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de minister bij deze belangenafweging een 'fair balance' vinden tussen het belang van een vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend met het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechter dient de uitkomst van de door de minister gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend te toetsen.
13. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat als het privéleven is ontstaan en geïntensiveerd in een gastland waar de vreemdeling geen dan wel een precair verblijfsrecht had, uitzetting van die vreemdeling slechts in ‘uitzonderlijke omstandigheden’ (exceptional circumstances) in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
14. In eerder genoemde uitspraak van de rechtbank van 21 juli 2021 is ook beoordeeld of (onder meer) eiseres verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 8 van het EVRM vanwege het door haar uitgeoefende privéleven. Deze uitspraak gaat over de periode tussen 2010 en 9 november 2020 (de datum van het in dat beroep bestreden besluit). In deze in hoger beroep bevestigde uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat (onder meer) eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad en geoordeeld dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn als hiervoor onder 13 bedoeld. Hierbij is onder meer overwogen dat het inherent is aan haar lange, feitelijke verblijf in Nederland dat eiseres hier privéleven heeft opgebouwd, dat eiseres wist dat haar verblijfsrecht onzeker was en dat aanzeggingen om Nederland te verlaten niet zijn opgevolgd en ervoor gekozen is om het verblijf in Nederland voort te zetten.
15. Eiseres voert in deze procedure aan dat uitzetting naar Armenië nu wel in strijd is met haar recht op het uitoefenen van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister heeft de belangenafweging ten onrechte in haar nadeel laten uitvallen. In dit kader heeft de minister volgens eiseres haar ten onrechte tegengeworpen dat onduidelijk is of zij vanaf 2010 onafgebroken in Nederland heeft verbleven. Zij wijst in dit kader op al de procedures die in die periode zijn gevoerd en op de uitspraak van 21 juli 2021 waarin is vermeld dat het gezin in Nederland verblijft. Ook wijst zij op een brief van Stichting Stil van 7 maart 2024, waarin is vermeld dat eiseres sinds 2015 bij hen bekend is. Ook wijst zij op de echtscheidingsprocedure die zij in 2023 heeft doorlopen. Verder beroept eiseres zich op haar psychische klachten als gevolg van de traumatische gebeurtenissen voordat zij in 2010 hier naartoe kwamen en op de echtscheiding met haar echtgenoot, nadat die in 2020 heeft aangegeven homoseksueel te zijn. Het Armeense paspoort uit 2021 stelt eiseres vanuit Nederland te hebben geregeld. Voorts heeft eiseres op de zitting toegelicht dat sinds de eerder genoemde uitspraak van 21 juli 2021 door tijdsverloop de banden die zij met Nederland heeft opgebouwd nog meer zijn geïntensiveerd.
16. Allereerst overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat de minister niet alle belangen bij de belangenafweging heeft betrokken. Nog altijd is sprake van de situatie dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, zoals hiervoor bedoeld, die maken dat de belangenafweging thans wel in het voordeel van eiseres moet uitvallen. De sociale banden die eiseres vanaf 2020 stelt te hebben opgebouwd en de gestelde intensivering van de al bestaande banden, heeft de minister, ook in samenhang bezien met het (onrechtmatige) verblijf daarvoor, gebruikelijk mogen vinden gezien de tijd die eiseres hier verbleven heeft en niet uitzonderlijk. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat nog altijd geldt dat eiseres deze banden is aangegaan in een periode waarin haar verblijfsrecht onzeker was. Dit komt voor haar eigen rekening en risico. Verder is de minister in het bestreden besluit ingegaan op de in bezwaar overgelegde verklaringen van derden over deze banden en waarom deze de situatie niet uitzonderlijk maken. In beroep is niet uitgelegd waarom dit onjuist zou zijn.
17. De minister heeft verder in dit kader in het nadeel van eiseres mogen betrekken dat onduidelijk is of eiseres onafgebroken in Nederland heeft verbleven. Niet in geschil is dat eiseres in Nederland verbleef in periode vanaf datum asielaanvraag in 2010 tot november 2020 in Nederland in de asielopvang heeft verbleven. In november 2020 heeft de minister een melding gekregen dat eiseres met onbekende bestemming was vertrokken (mob-melding). Verder is niet in geschil dat eiseres sinds 2015 in de Basisregistratie personen is ingeschreven als niet-ingezetene. Ten slotte is in een aan eiseres op 16 augustus 2021 verstrekt Armeens paspoort vermeld dat haar verblijfplaats Armenië is. Onder die omstandigheden is het aan eiseres om deze onduidelijkheid weg te nemen en aannemelijk te maken dat zij Nederland niet heeft verlaten. Hierin is zij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Uit wat in beroep is aangevoerd kan niet worden afgeleid dat zij sinds 2020 onafgebroken in Nederland verbleef.
18. Voor zover eiseres betoogt dat de bijzondere omstandigheden zijn gelegen in haar medische situatie stelt de rechtbank vast dat eiseres dit uitsluitend heeft onderbouwd met een rapport uit 2013. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat dit rapport relevant is, omdat hieruit blijkt dat eiseres is getraumatiseerd. Eiseres heeft gesteld dat ze niet terug kan gaan naar een land waar het trauma is ontstaan. Ze heeft nog steeds psychische problemen en het is moeilijk om een psychiater te vinden die haar eigen taal spreekt, aldus eiseres. De rechtbank volgt de minister echter in zijn standpunt dat uit dit rapport uit 2013 niet blijkt dat eiseres op dit moment nog medische klachten heeft. Niet is gebleken dat zij op dit moment onder medische behandeling staat, omdat eiseres geen recente medische stukken heeft overgelegd. Ook hierin is dan ook geen grond gelegen om uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. De beroepsgrond faalt.
Artikel 8 van het EVRM: familieleven
19. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van familieleven in de zin van de artikel 8 van het EVRM.
20. De rechtbank stelt vast dat in beroep niet langer in geschil is dat geen sprake is van familieleven tussen eiseres en de heer [persoon3] . Dat sprake zou zijn van familieleven tussen eiseres en de heer [persoon2] heeft eiseres voor het eerst in beroep aangevoerd en evenmin is gebleken dat deze omstandigheid zich al voordeed op het moment van het bestreden besluit. Nu het bestreden besluit moet worden getoetst aan de hand van de op dat moment bestaande feiten, behoeft wat hierover is aangevoerd geen bespreking.
21. Eiseres betoogt voorts dat sprake is van familieleven tussen haar en haar in Nederland wonende dochter. Zij hebben ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, voordat zij naar Nederland kwamen. Haar beide dochters waren getuigen van de gebeurtenissen rondom hun ouders en hebben bijna tien jaren samen in een AZC gewoond, waar de psychische gesteldheid van eiseres verslechterde. Eiseres heeft een afhankelijke band met haar in Nederland verblijvende dochter ontwikkeld. Zij kan bij haar dochter terecht, ziet haar regelmatig en vindt troost en fysiek contact, zoals een knuffel wanneer zij daar behoefte aan heeft. Zij maakt deel uit van het leven van haar kleinkind en ook haar andere dochter, die in Frankrijk woont, ziet zij regelmatig. Er is daarom sprake van een afhankelijkheidsrelatie.
22. De rechtbank overweegt dat eiseres geen gronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van de minister dat de dochter van eiseres niet valt onder jongvolwassenenbeleid. In dat geval kan familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM alleen worden aangenomen als eiseres aannemelijk maakt dat er tussen haar en haar meerderjarige dochter sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat zij dit niet heeft aangetoond. Dat zij een hechte band hebben en in het verleden hebben samengewoond, is hiervoor onvoldoende. Er is niet gebleken van banden die de gebruikelijke relatie tussen een moeder en haar meerderjarige dochter overstijgen. De beroepsgrond slaagt niet.
23. Eiseres betoogt verder dat ten onrechte geen familieleven is aangenomen tussen haar en haar kleinkinderen. Hiertoe voert zij aan dat zij degene is die vaak haar twee kleinkinderen opvangt en verzorgt. Haar kleinkinderen zijn sterk op haar aanwezigheid aangewezen en ervaren haar als een onmisbaar onderdeel van hun leven. Deze diepe en wezenlijke familieband overstijgt een gebruikelijke grootouder-kleinkindrelatie, aldus eiseres. Gezien de intensiteit en de afhankelijkheid binnen deze relatie is volgens eiseres sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, dat bescherming biedt tegen ongerechtvaardigde verbreking van deze hechte banden.
24. De rechtbank overweegt dat tussen een grootouder en minderjarige kleinkinderen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat als sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister heeft in het primaire besluit geconstateerd dat eiseres enkel heeft gesteld dat zij haar kleinkinderen belt en regelmatig, zonder verdere onderbouwing hiervan of van andere elementen waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van hechte persoonlijke banden. In het bestreden besluit is gesteld dat in bezwaar een dergelijke onderbouwing niet is verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat eiseres ook in beroep een nadere onderbouwing niet heeft gegeven, maar heeft volstaan met stellingen hieromtrent. Zo is niet onderbouwd dat eiseres zorg- en opvoedtaken ten aanzien van haar kleinkinderen zou verrichten en zij onmisbaar zou zijn in hun leven. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister ten onrechte geen familieleven tussen eiseres en haar kleinkinderen heeft aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Hardheidsclausule
25. Eiseres heeft ten slotte aangevoerd gesteld dat sprake is van onevenredige hardheid als zij terug moet keren naar Armenië vanwege alles wat zij in het verleden heeft moeten doorstaan. Het gaat psychisch niet goed met eiseres en eiseres volgt hiervoor een traject bij Stichting STIL.
26. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden er niet toe leiden dat de minister gehouden was de hardheidsclausule toe te passen. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat, zoals hiervoor al overwogen, eiseres haar medische problematiek niet heeft onderbouwd met recente medische stukken en bovendien niet is gebleken dat het voor haar onmogelijk is om, eventueel gedurende een mvv-aanvraag, in Armenië behandeld te worden voor haar gestelde medische problemen. Gelet op alle feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft de minister geen zeer bijzondere individuele situatie hoeven aannemen waarin het tegenwerpen van het mvv-vereiste een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
27. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk.
28. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.
29. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het beroep betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.