RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47539
(gemachtigde: mr. A. de Haan),
en
(gemachtigde: mr. Ö. Sari).
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de verblijfsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning in stand kan blijven. De minister mocht de verblijfsvergunning daarnaast met terugwerkende kracht tot 17 juni 2022 intrekken. De minister heeft daarom jegens eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn kunnen uitvaardigen. Dit betekent dat eiser Nederland meteen moet verlaten. Daarnaast mocht de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opleggen.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 legt de rechtbank uit welke verblijfsvergunningen eiser in het verleden heeft gehad en onder 4 staat waarom de minister de verblijfsvergunning van eiser heeft ingetrokken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf overweging 5. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 september 2025 de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht tot 17 juni 2022 ingetrokken, tegen eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn uitgevaardigd en hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De eerdere verblijfsvergunning van eiser
3. Eiser had op 17 juni 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met het besluit van 1 november 2023 was hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw met een geldigheidsduur van 17 juni 2022 tot 17 juni 2027. De reden voor verlening van deze vergunning was dat de verklaringen van eiser met betrekking tot zijn gestelde identiteit, nationaliteit en over het behoren tot de Banyamulenge bevolkingsgroep en de problemen met de [groep], geloofwaardig werden geacht.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft aan de intrekking van de verblijfsvergunning die was verleend bij besluit van 1 november 2023 ten grondslag gelegd dat eiser ten tijde van de verlening van de vergunning willens en wetens onjuiste gegevens heeft verstrekt, om in een betere positie te komen in het kader van de beoordeling van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft volgens de minister onjuiste verklaringen afgelegd ten aanzien van zijn nationaliteit, reisroute en inreisdatum. Eiser heeft tijdens zijn asielaanvraag verklaard dat hij [naam] is, geboren op [datum], en in het bezit is van de Congolese nationaliteit. Daarbij heeft hij een nationaal paspoort van de Demoncratische Republiek Congo (hierna: DRC) overgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij op 17 juni 2022 vanuit Nairobi naar Schiphol zou zijn gevolgen en aangegeven dat hij internationale bescherming zoekt vanwege problemen die hij in de DRC zou hebben ondervonden. Uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) blijkt echter dat eiser op 8 maart 2022 al in Europa aanwezig was en zich toen heeft gelegitimeerd met een authentiek Rwandees paspoort met een Pools D-visum. Gezichtsvergelijkend onderzoek heeft uitgewezen dat de foto in het Rwandese paspoort en eiser overtuigend één en dezelfde persoon zijn. Daarnaast blijkt uit afgetapte telefoongegevens dat hij tijdens zijn asielprocedure contact had met verdachten van mensensmokkel. Zijn stelling dat hij op 17 juni 2022 vanuit Nairobi naar Nederland is gevlogen wordt niet gevolgd, nu uit het onderzoek blijkt dat hij al eerder via Brussel Europa is ingereisd en per trein naar Schiphol is gereisd. Ook zijn verklaringen over de verkrijging van het Congolese paspoort en over gestelde detentie in Congo zijn tegenstrijdig en ongeloofwaardig, aangezien deze gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden terwijl hij reeds al in Europa verbleef.
De minister heeft de verblijfsvergunning daarom ingetrokken. Volgens de minister komt eiser niet in aanmerking voor een ander verblijfsrecht. Daarom heeft de minister tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. In dat terugkeerbesluit heeft de minister eiser geen vertrektermijn gegeven. In het verlengde hiervan heeft de minister eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Verwijzing zienswijze
5. Eiser wijst erop dat al wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd als herhaald en ingelast moet worden beschouwd in dit beroep. De rechtbank overweegt hierover dat de enkele verwijzing naar de zienswijze onvoldoende is om punten uit de zienswijze te kunnen aanmerken als beroepsgrond(en) waar de rechtbank op in dient te gaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. Het is daarom aan eiser om aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze in het bestreden besluit niet juist of niet toereikend is. Deze algemene stelling van eiser is daarvoor onvoldoende. De rechtbank richt zich bij de beoordeling van het beroep dan ook alleen op wat eiser concreet tegen het besluit heeft aangevoerd en zal dit hierna beoordelen.
Mocht de minister de verblijfsvergunning van eiser intrekken?
6. Eiser voert aan dat de minister de verblijfsvergunning ten onrechte heeft ingetrokken.
Kort gezegd betoogt eiser dat onvoldoende is aangetoond dat hij de persoon is die op 8 maart 2022 door de KMar is staande gehouden. Volgens eiser is de gestelde identiteit, gebaseerd op het Rwandese paspoort, niet deugdelijk vastgesteld en is niet bewezen dat het om één en dezelfde persoon gaat. Daarbij stelt eiser dat de minister slechts beschikt over een foto van het paspoort en niet over het originele document.
Toetsingskader
7. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.
8. De rechtbank stelt voorop dat allereerst de vraag voorligt of voldoende aannemelijk is dat eiser de persoon is die op 8 maart 2022 bij de Nederlands-Belgische grens door de Koninklijke Marechaussee is staande gehouden. Daarbij dient te worden beoordeeld of de minister, gelet op de beschikbare stukken, in redelijkheid tot dat standpunt heeft kunnen komen. De rechtbank oordeelt als volgt.
Uit de rapportage van 21 september 2023 blijkt dat uit de bevindingen van de KMar volgt dat het om authentiek paspoort ging dat op 8 maart 2022 is overgelegd. Verder blijkt uit de rapportage dat op 18 november 2022 een gezichtsvergelijkend onderzoek heeft plaatsgevonden tussen de foto op het W-document van eiser en de foto op het Rwandese paspoort. Daarbij is geconcludeerd dat de persoon op de vergeleken foto’s – te weten de pasfoto van [naam] geboren op [datum], en de foto in het Rwandese paspoort – overtuigend één en dezelfde persoon betreft. De enkele, niet nader onderbouwde ontkenning van eiser dat hij deze persoon is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan deze bevindingen te twijfelen.
Dat de vergelijking is gebaseerd op een kopie van het paspoort, doet aan de bevindingen van de KMar niet af, nu de authenticiteit van het paspoort eerder door een daartoe bevoegde instantie is vastgesteld en de minister daarop mocht afgaan. Dat het onderliggende proces-verbaal van dit onderzoek niet afzonderlijk in het dossier is opgenomen, betekent niet dat de minister niet op de weergegeven bevindingen mocht afgaan, te meer nu deze bevindingen zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport.
De overige omstandigheden ondersteunen bovendien het standpunt van de minister. Uit de rapportage van de KMar volgt dat de persoon op het Rwandese paspoort reeds op of vóór 8 maart 2022 Europa is ingereisd via de luchthaven van Brussel met zijn Rwandese paspoort en Poolse visum. Ook op de telefoon van een van de inzittenden van het voertuig dat op 8 maart 2022 is staande gehouden, is een foto aangetroffen waarop de persoon die zich met het Rwandese paspoort heeft gelegitimeerd, is te zien op luchthaven Zaventem in Brussel op 8 maart 2022. Daarbij heeft de bestuurder van het voertuig aangegeven de inzittenden kort voor de controle opgehaald te hebben op de luchthaven van Brussel (België).
Ook zijn er afgeluisterde telefoongesprekken, zoals opgenomen in de rapportage van de KMar van 21 september 2023, waarin de naam van eiser voorkomt en waaruit blijkt dat hij is gehoord. Hoewel de onderliggende processen-verbaal van deze gesprekken geen onderdeel uitmaken van de rapportage en dit de inzichtelijkheid beperkt, acht de rechtbank de inhoud van deze gesprekken, bezien in samenhang met de daarin voorkomende voor- en achternaam en de relevante tijdsperiode rondom het aanmeld- en nader gehoor, ondersteunend aan de door de minister gestelde identiteit van eiser. Voorts is uit de systemen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst gebleken dat, naast eiser, geen andere persoon met deze voor- en achternaam een asielaanvraag heeft ingediend, hetgeen de identificatie van eiser verder ondersteunt.
Voor zover eiser heeft betoogd dat zijn verklaring dat hij op 17 juni 2022 via Kenia naar Schiphol is gevlogen inhoudelijk niet is weerlegd, slaagt dit betoog niet. Hoewel de minister niet betwist dat deze vlucht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, brengt dit echter niet met zich mee dat daarmee aannemelijk is geworden dat eiser daadwerkelijk ook op deze vlucht heeft gezeten en daarmee op Schiphol is aangekomen. Deze omstandigheid doet daarom niet af aan de bevindingen van het KMar-onderzoek
De beroepsgrond dat het taalprofiel de intrekking niet kan dragen, slaagt evenmin. Het taalprofiel is door de minister niet als zelfstandige intrekkingsgrond gehanteerd en evenmin aangemerkt als door eiser achtergehouden informatie, maar als een ondersteunend element bij de beoordeling van zijn herkomst. Dat deze gegevens reeds bekend waren, maakt niet dat de minister deze niet bij die beoordeling mocht betrekken. Daarbij heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het taalprofiel beter past bij Rwanda dan bij Oost-Congo.
9. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat voldoende aannemelijk is dat eiser de persoon is die op 8 maart 2022 bij de Nederlands-Belgische grens is staande gehouden en zich daarbij heeft gelegitimeerd met het Rwandese paspoort.
Evenredigheidstoets
10. Vervolgens ligt ter beoordeling of deze informatie van zodanig gewicht is dat de asielvergunning door de minister niet zou zijn verleend indien de minister destijds van de juiste dan wel andere identiteitsgegevens op de hoogte was geweest.
Eiser betoogt dat de onderzoeksresultaten van de KMar al op 23 september 2023 bij de IND bekend waren, terwijl de verblijfsvergunning op 1 november 2023 is verleend. De minister had daardoor vóór de inwilliging kennis van deze informatie en had toen aanvullend onderzoek kunnen doen of de aanvraag kunnen afwijzen. De stelling dat de vergunning niet zou zijn verleend als de informatie bekend was, is volgens eiser onjuist, nu niet is gebleken dat de intrekking is gebaseerd op nieuwe informatie die de minister ná de inwilligende beschikking heeft bereikt.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 8 en 9 is overwogen, heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser de persoon is die zich op 8 maart 2022 heeft gelegitimeerd met het Rwandese paspoort. Daarmee heeft eiser onjuiste informatie verstrekt over zijn identiteit en nationaliteit. Dat deze informatie ten tijde van de inwilligende beschikking van 1 november 2023 reeds binnen de IND beschikbaar was, maar niet bij de beoordeling door de beslismedewerker is betrokken, maakt dit niet anders. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat deze informatie van zodanig gewicht is dat de asielvergunning niet zou zijn verleend als hiermee destijds rekening was gehouden. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat de door eiser gestelde herkomst en het daaraan ten grondslag gelegde relaas niet langer in overeenstemming zijn met de vastgestelde identiteit, nationaliteit en herkomst, en het moment van aankomst in de EU.
Conclusie en gevolgen
11. Eisers beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de intrekking van zijn verblijfsvergunning in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.